Dat ik hier al anderhalve week ben en nog geen blog schreef, zegt veel. Ik blog meestal als er dingen mis gaan, zoals mijn aankomst in Nice waar ik heel lang eerst naar mijn sleutel en daarna naar mijn appartement liep te zoeken. Over mijn angst voor de stationsbuurt in Frankfurt in het donker. Of over die mafketel die op weg naar Finland naast me zat in het vliegtuig en vond dat zelfstandige vrouwen maar het beste dood konden gaan (and he was happy to help).
Maar mijn verblijf op Bonaire komt in de buurt van perfectie. Er zijn alleen wat kleine gedoetjes geweest. Niets om van wakker te liggen. Oh ja, toch wel. Dat wakker liggen… Het is hier bloedheet, maar de eerste nacht in mijn studiootje had ik het ijskoud. De afstandsbediening van de airco deed het niet en dat ding blies recht op mijn bed. Op dat bed lag alleen een laken dat heftig meebewoog op de wind uit de airco. Met een t-shirt aan en handdoek als extra deken, was het net te doen. De tweede nacht in datzelfde bed schrok ik wakker van harde knallen en gegil. Vuurwerk, was mijn eerste gedachte. Er bleken mensen op elkaar te hebben geschoten, ontdekte ik later.

Los daarvan. In de buurt van perfectie dus, dit verblijf op een paradijselijk eiland. De eerste week bij lieve vrienden in een prachtige woning. Een heerlijk bed met een goede klamboe eroverheen. Zwembad in de tuin. Feestjes op het strand. Mee in hun ritme van school en werken en dat was prima om er meteen in te komen. En niet te vergeten: heel goed gezelschap van vrienden die dit eiland al een paar keer hebben uitgespeeld. Vrienden met een muppet van vier die bloemetjes bij mijn bed had gezet en de eerste ochtend vroeg of ik lekker had geslapen. Toen ik ja zei antwoordde hij met “daar ben ik blij om.” Met een andere muppet van zeven die heel blij is om te vertellen welke vissen hij in zijn computerspel heeft gevangen. En nog blijer is met Pokemonijs.
Vanaf week twee dus in een studiootje in het centrum van de hoofdstad. Al klinkt het gek om een paar vrolijk gekleurde huizen, winkels, restaurants en kantoren een hoofdstad te noemen. Leuk is het zeker wel, met veel plekken om gezellig te zitten en lekker te eten en overal kleurrijke muurschilderingen.
Het enige dat ik soms echt jammer vind, is dat de leuke jongen uit de trein er niet bij is om samen verwonderd naar de vele dieren te kijken. Want echt, wat word ik blij van de beestjes en als er iemand nóg blijer van zou worden is hij het wel. Zet een snorkel op en steek je hoofd in het water en het is alleen nog maar genieten. Vissen in alle kleuren. Wuivende koraalwaaiers. Ik zag een grote schildpad van dichtbij met aan zijn zij een koffervisje. Zo mooi om die schildpad rustig naar boven te zien zwemmen om lucht te happen en weer terug naar beneden. Woensdag een introductieles duiken. Ik vind het spannend, maar heb er ook heel veel zin in.
En niet alleen onder water. De roepialen, suikerdiefjes, kolibries, parkieten. De groene lora met zijn gele kop. De fregatvogels, de visarend, de gekke pelikaan die lomp landt in de zee. De flamingo’s. De leguanen, gekko’s en salamanders. De ezeltjes en geitjes die onverstoorbaar de weg oversteken.
Ik keek naar een potje waterpolo in zee. Naar een wedstrijd softball wat hier een hele happening is. Ik zag kitesurfers en wingfoilers. Ik zag dappere (of gestoorde) mensen op een fiets en hardlopen op het heetst van de dag.
Ik vergat hoe snel de zon ondergaat zo dicht bij de evenaar, dat je de zon echt ziet bewegen, terwijl ik het toch al eerder meemaakte in Benin en Senegal. En dan eenmaal onder, die spectaculaire lucht vol roze en oranje.
En geloof het of niet, ondertussen werk ik ook nog. Ik rondde twee verhalen af en stuurde twee facturen. Ik plaatste berichten op de website van Opgroeien in Parkstad en werk aan de nieuwe website van Debatcentrum Sphinx. Morgen staan er verschillende interviews op het programma met ondernemers hier die Limburgse wortels of andere verbindingen met Limburg hebben. Het eerste interview al om 8 uur ’s ochtends. Dus over een tijdje krijgt Ondernemen in Limburg een Caraïbisch tintje.
Kortom, ik vermaak me wel.
Nog anderhalve week van dit. Ik ben een bofkont.
