De cirkel is niet rond

Hij was niet bij mijn geboorte.
Ik niet bij zijn sterven.

De dag dat ik half wees werd, ligt veertien jaar achter me.

Zijn drie kinderen zetten vele stappen waar hij bij had moeten zijn. Diploma’s, rijbewijzen, banen. Een kleinkind.

Hij kent de leuke jongen uit de trein niet. Zal nooit een voet over de drempel zetten van ons eerste koophuis. Zal nooit aan onze bar zitten om te filosoferen over het leven. Zal nooit onze struiken snoeien in zijn veel te korte afgeknipte spijkerbroekje (flapperbillen!).

Ik noemde hem weleens een moordenaar als hij in de tuin bezig was. Bij het snoeien (arme takken en blaadjes), als hij een muizenfamilie aan zijn riek reeg, of als hij probeerde de talrijke mollen een verstikkings- dan wel verdrinkingsdood te bezorgen. Sigarettenrook naar binnen blazen en dan water door het volgende gat. Meestal waren de mollen hem te slim af.

Hij was ontzettend lief. Wat na bovenstaande gruweldaden misschien een beetje raar klinkt. Hij wist soms niet zo goed of hij de badkamer nog kon binnenlopen. Maar voor een knuffel en een weltrustenkus waren we in elk geval nooit te oud.

Hij kon verrassend verontwaardigd zijn.
“Als ik eerst door een detectiepoortje moet om les te kunnen geven, dan stop ik er onmiddellijk mee!”
“Komen grienen dat ze het schoolgeld niet kunnen betalen, maar wel rondlopen met een mobiele telefoon!”

Alles kwam op tafel. Politiek, seks, emoties. Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Mijn papa’s wereldbeeld bevond zich aan de linkerkant van de PvdA toen die partij nog echt links was.

Hij zette zijn kinderen graag aan het denken.
“Zou je liever zorgen dat één straatarm kind een goede toekomst tegemoet gaat, of zou je liever een heleboel kinderen een beetje helpen, waardoor ze in elk geval blijven leven, maar niet per se goed terecht komen?”
“Zou je het willen weten, als je bent omgewisseld in de couveuse en wij je ouders niet blijken te zijn?”

We waren volgens hem te jong voor echt diepgaande gesprekken. Over de hindernissen van het leven of de herhaling van de geschiedenis. Want pas als we geen student meer waren, zouden we ook geen kind meer zijn. Dat doet nog steeds het meeste pijn. Dat gesprek tussen twee volwassenen dat er nooit kwam.

Mijn papa was niet bij mijn geboorte. Zwaaide naar de verkeerde couveuse. Dat deed er niet toe. Hij was zo blij dat hij een schoolbel luidde midden op ons woonerf midden in de nacht. Tekenend voor hoe uitbundig hij kon zijn.

Hij kon genadeloos genieten. Na een geslaagde toneelvoorstelling. Als zijn leerlingen het goed deden. Als die camping in Frankrijk precies dat uitzicht had waarbij hij het beste kon dagdromen.

Ik was er niet bij toen papa doodging. Gelukkig was ik dat weekend ervoor wel thuis geweest. Mijn toenmalige vriend wilde eigenlijk niet mee. Ging toch, maar wilde op zondagmorgen zo snel mogelijk weg. Ik wilde eigenlijk blijven, want het was heel gezellig, het hele gezin nog eens bij elkaar. Maar ik bood geen weerstand, zoals te vaak. “Gaan jullie alweer?”, vroeg papa. En ik knikte zwakjes.

Alsof hij aanvoelde dat de dood op komst was, zei hij dat weekend dat hij van me hield. Iets wat hij bijna nooit zei, maar iets waar ik mijn hele leven zeker van was. Mijn papa houdt van mij.

Over jakkeren en jagen en dat het jaar dan ineens bijna voorbij is

In de categorie ‘oma vertelt’, want dat is blijkbaar de modus waar ik de laatste tijd in blijf hangen: de tijd gaat echt veel te snel!!

De laatste maand van het jaar nadert en wat kwam er weer weinig terecht van alles wat ik me voornam, toen ik samen met de leuke jongen uit de trein naar het vuurwerk keek. Nu ik erover nadenk, ik weet niet eens of ik wel vuurwerk gezien heb tijdens de jaarwisseling. Sterker nog, ik weet helemaal niet waar we waren. Thuis, denk ik. Want we gingen niet naar het Parijs waar de festiviteiten waren afgelast.

Begrijp me niet verkeerd. Ik ben dankbaar, heel dankbaar. Dankbaar dat iedereen die ik liefheb -op enkele (chronische) aandoeningen na- gezond is. Dankbaar voor het huis dat we kochten en helemaal wordt zoals we het willen hebben. Voor vriendschappen die al bijna mijn hele leven meegaan. Voor vriendschappen die mij soms met een andere blik laten kijken. Voor genoeg hebben aan een half woord, een blik, een houding. Voor (schoon)ouders en onvoorwaardelijke liefde. Voor alle dingen die ik als veel te vanzelfsprekend zie, omdat ik in één van de welvarendste landen ter wereld geboren ben. Voor de leuke jongen uit de trein, die net als ik op zijn tandvlees loopt, maar toch nog tijd maakt voor mooie woorden en stevige omhelzingen. Hij is er voor mij, terwijl hij zichzelf in rap tempo voorbij loopt. Hoe lief is dat. Toch voel ik me soms zo:

De tijd is kwijt

ik moet aan mijn carrière denken
’s ochtends naar netwerkbijeenkomsten toe
en ’s avonds moet ik vrienden zien
ook al ben ik veel te moe

opgefokt en rusteloos
ik jakker en ik jaag
ik heb een to-do-list van een meter
en alles moest gisteren of in elk geval vandaag

tegels kiezen, plinten plakken
wachten op anderen
offertes vergelijken, knopen doorhakken
zonder zelf te veranderen

leren, controleren, profileren, calculeren, stimuleren
soms annuleren of capituleren
sta toch eens een uur stil

is wat ik tegen de klok en tegen mezelf zeggen wil

er-valt-nog-weinig-te-verhalen

 

Oma vertelt

skateboard

Niet alle flessen hadden kindersluiting, er zaten geen haakjes op de kasten en geen beschermkapjes over de stopcontacten. Van sommige dingen bleef je af. Punt.

Tot we zelf lange afstanden konden fietsen, gingen we achterop. Op een kussentje met een stang in de rug, zonder helm. Ik kwam een keer met mijn voet tussen de spaken, omdat ik achterstevoren wilde gaan zitten. Een stunt die ik maar een keer uithaalde.

Achterin de auto droegen we geen gordels en ons Renault 4-tje bood sowieso maar weinig bescherming tegen wat dan ook. Niet dat we vaak in de auto zaten. We liepen of fietsen naar school, geen gezeik met brengen en halen. Ook als het regende, ook als het nog donker was.

In het weekend trok ik ’s ochtends de deur achter me dicht en speelde de hele dag buiten. Alleen, met mijn zusje, of met vrienden en vriendinnen. We liepen door elkaars achterdeur naar binnen, of begonnen voor het huis al te gillen ‘Kom je buitenspelen!?’ We bouwden hutten, klommen in bomen, speelden tussen de hooibalen van de achterburen en mochten soms op één van hun tractors rijden.

Ook stoepranden, touwtjespringen en vooral heel hard fietsen met iemand achterop waren favoriet. De steel van een kapotte schop werd een honkbalknuppel (om mee te honkballen), we verstopten ons in het mais of we balanceerden over de stenen langs het kanaal. Als er een boot langs kwam, klotste het water over onze voeten.

Soms viel er iemand uit een boom of van zijn fiets. Soms kreeg iemand een opsodemieter van het schrikdraad. We speelden met modder, zand, wormen en gras (heksensoep) en we werden vies. We dronken uit dezelfde bekers of rechtstreeks uit de buitenkraan. We bliezen pijltjes door oude pvc-buizen. En vers geplukte peren stopten we rechtstreeks in onze mond.

En zo lang we buiten speelden waren we niet te bereiken…

Het lijkt een wonder dat we allemaal onze jeugd hebben overleefd.

Over sifons en wc-doorspoelknoppen

Al ontelbare keren schreef ik erover: keuzes maken is niet mijn sterkste punt. Van wat ik ’s morgens aantrek tot wat ik ’s avonds wil eten en alles daar tussenin: moeilijk, moeilijk. Een grote verbouwing, waar we nu middenin zitten, is een ware keuzehel.

keuzesAannemer of zelf regelen? Structuurverf of stucwerk? Bad of douche? Twee, drie, zes of tien offertes? En dan heb ik het nog niet over de oneindige keuzemogelijkheden voor badkamertegels, laminaat en deurklinken. Wist je dat er tig mogelijkheden zijn voor knoppen om het toilet mee door te spoelen? Of sifons, die dingen die je niet of nauwelijks ziet en waar je al helemaal niet op let, zelfs daar bestaan tien varianten van.

Pas een paar maanden bezig en nu al spijt van een aantal beslissingen. Waarom hebben we in hemelsnaam maar bij twee aannemers aangeklopt, terwijl we een lijst hadden met een stuk of tien namen? Dom, dom, dom. Waarom niet even doorgereden naar Duitsland, waar veel dingen een stuk goedkoper zijn? En wiens briljante idee was het om voor de kleur ‘geordend groen’ te kiezen? Mijn idee natuurlijk. Die verf was niet voor niets in de aanbieding, want pas dekkend na drie keer aanbrengen…

Toch vind ik het nog steeds leuk. Af en toe lichamelijk werk doen, zoals slopen, schuren en verven bevalt me goed. Ons huis wordt ongeveer zoals we dat in gedachten hebben en het valt me tot nu toe mee hoe weinig onze smaken verschillen. Ons huis krijgt frisse kleuren, veel lichtinval en een gezellige bar. Stopcontacten op handige plekken, dankzij mijn schoonpapa. En een aantal elementen waar ik geen seconde over na hoefde te denken; metrotegeltjes in de keuken en een grote oven. Ik ga me er thuis voelen, daar twijfel ik geen moment aan.

Tot die tijd kruipen we van grote beslissingen naar puntjes op de I’tjes. Ik ben dol op puntjes en I’tjes. Vandaar dat ik beter ben in eindredactie dan in het zelf verzinnen van verhalen.

Op dit moment #2

Mijn hoofd loopt over van ideeën voor ons nieuwe huis. Ik droom van mooie kleuren en hippe badkameraccessoires. Kortom, ik verlies mezelf in details waar we nog lang niet aan toe zijn. Een schaakbord gebruiken als bijzettafel. Bloempotten opleuken met krijtverf. De inspiratie voor blogs is helaas ver te zoeken. Dus haal ik deze rubriek nog eens van stal.

moodGenieten van: herfstkleuren. Het geel, rood en bruin aan de bomen. De mist die langzaam optrekt. De maan die zich nog niet bij de dag wilt neerleggen. Het zorgt voor mooie plaatjes op weg naar mijn werkplek.

Blij met: Lieke Schrijft. Het gaat goed met mijn bedrijf. Opdrachtgevers weten me te vinden én spelen mijn naam door naar anderen. Ik hoef nauwelijks meer aan acquisitie te doen. Mijn werk brengt me op veel leuke plekken waarvan ik niet wist dat ze bestonden. En op die plekken ontmoet ik steevast mensen die vol zitten met goede verhalen. Ondertussen blijf ik leren. Over techniek en chemie. Over innovatie en stadsontwikkeling. Over het leven.

Balen van: nog steeds geen knopen door kunnen hakken op het gebied van aannemers, timmermannen en stukadoors. Het duurt en duurt en ik vraag me af of we dit jaar nog gaan verhuizen. Offertes komen binnen met enorme vertraging en de bedragen die erin staan… Amai.

Aan het luisteren naar: vooral NPO2, omdat die nu eenmaal is ingesteld op de wekkerradio en omdat de radio in ons nieuwe huis geen enkele andere zender meer kan vinden. Vreemd.
Daarnaast blijf ik hangen in gouden oudjes die ik door hun melancholie en warmte bij het jaargetijde vind passen. Zoals Trust No One van Dave Navarro, For Emma, Forever Ago van Bon Iver en Lemon Parade van Tonic. Nee, ik ga niet heel hard mee met mijn tijd. Ja, ik koop ook nog gewoon cd’s. Al is dat in Maastricht een lastig verhaal.

Aan het lezen in: De Muil van de Leeuw door Anne Holt en Berit Reiss-Andersen. Alweer een boek over de avonturen van de omdenker Hanne Wilhelmsen. Met uiteraard een dode op de eerste bladzijde. De president van Noorwegen, in dit geval. Het boek wordt bevolkt door bijzondere personages, politieke intriges en mooie zinnen.
Het lukt me nooit om verhalen uit een serie in de goede volgorde te lezen. Was Hanne Wilhelmsen in het voorlaatste boek dat ik over haar las (Hoogtelijn) een verzuurde, in het leven teleurgestelde chagrijn; in De Muil van de Leeuw zit ze nog vol levenslust en inspiratie. Ze schrijft lange brieven en neemt het interieur van een goede vriend onder handen door het te verfraaien met planten, schilderijen en gordijnen. Precies de dingen waar ik me enorm op verheug in ons eigen paleis. Want als we daar aan toe zijn, zijn de minder leuke dingen achter de rug. 

 

Bellen

Uren hingen we aan de lijn. De vaste lijn. Ik zat dan meestal op de zoldertrap. Vaak hadden we elkaar vlak daarvoor nog gezien. Desondanks was “Trek jij straks een jurkje aan naar dansles?” een vraag waar we het nog uren over konden hebben.

Twintig jaar later bel ik nog maar zelden. Zelfs haar bel ik niet, behalve als afspreken via Whatsapp niet opschiet. Of als ze jarig is.

Ik haat bellen. Stiekem heb ik nog steeds liever dat mijn mama mijn kappersafspraak maakt. Of de dokter belt. Of een klantenservice. Een knoop in mijn maag en alles erop en eraan. Vooral bij onbekenden. Lastig als je tekstschrijver bent en je werk grotendeels bestaat uit het maken van interviewafspraken met onbekenden.

Zodra ik het nummer heb gevonden (lees: het mailtje heb geopend waarin de opdrachtgever het nummer heeft vermeld), heb ik eigenlijk geen excuus meer om niet te bellen. Dan moet ik wel. Dus het opzoeken van het nummer, schuif ik alvast een paar uur voor me uit. Eerst dat andere interview nog even uitwerken en die ene factuur versturen. En dan toch ook eerst nog even heel goed lezen waar ik die persoon eigenlijk over wil spreken. *Ik kan zijn LinkedIn profiel wel even opzoeken. Oh hij ziet er heel anders uit dan ik dacht. Hij schrijft blogs, wat leuk, even lezen.* En het is zo weer een uur verder.

Mister Deadline tikt zachtjes op mijn schouder “Als je nu niet belt om een interviewafspraak te maken, komt het nooit meer goed.”Ik toets het nummer in. Dat gaat uiterst nauwkeurig, met een controle na ieder cijfer. Want ik wil absoluut niet het verkeerde nummer draaien om vervolgens nóg een keer te moeten bellen.

De telefoon gaat over. En nog een keer. Ik voel sterk de drang om op het rode knopje te drukken. *Ik kan toch veel beter een e-mail sturen?* En nog een keer tooooeeeet. *Pfjoew, lang genoeg gewacht, ik mag ophangen.*

“Goedemiddag, met…” *Ai, waar belde ik ook alweer voor? En namens welk bedrijf?* “Ja hallo met Lieke van Lieke Schrijft, maar ik bel nu eigenlijk voor X, want daar maak ik een personeelsblad voor en ik had uw naam gekregen van…”

Ik begin meteen te ratelen.

Uiteindelijk komt alles goed. Zoals altijd. En met een hartslag van 160 noteer ik de interviewafspraak in mijn agenda.

 

Trots op “mijn” land?

A_2015-04-28 18.43.20

Ik ben trots op mezelf als ik de chauffeur was en zowel het voertuig als de inzittenden heelhuids zijn aangekomen🙂

“Ik denk niet dat ik trots ben op Nederland.”

“Godverdomme Lieke, natuurlijk ben je trots op je land. Noem tien andere landen waarin je vrijheid van meningsuiting zo goed gewaarborgd wordt als hier!”

Ik zit op mijn flexplek met een aantal andere ondernemers. De discussie begon bij de aanslag op de boulevard in Nice en ging via het verdedigen van je geloof naar trots zijn op je land.

Ik heb daar dus moeite mee, met dat concept ‘trots zijn op je land’.

Ik ben ontzettend blij dat ik in Nederland geboren ben. En zelfs opgelucht, met terugwerkende kracht. Want als ik ergens anders aan mijn leven zou zijn begonnen, was er misschien geen warme couveuse in de buurt geweest en had ik nog geen dag geleefd.

Ik ben blij met de kansen die ik in Nederland krijg, met de goede gezondheidszorg, de hoge welvaart en de grote vrijheid.

Maar trots?

Hoe kan ik trots zijn op iets dat me per ongeluk is overkomen? Hoe kan ik trots zijn op het feit dat mijn minuscule bouwsteentjes na een interstellaire evolutietocht van miljarden jaren nader tot elkaar kwamen in een Nederlandse baarmoeder? Ik ben toch ook niet trots op mijn schoenmaat of mijn bloedgroep?

P.S. Die bloedgroep was overigens nog wel een dingetje, toen ik ineens ontdekte dat ik bloedgroep O blijk te hebben terwijl ik al mijn hele leven dacht een A te zijn, maar dat is een ander verhaal.

Brief aan mijn nichtje #16

Smultocht in Meerssen. Na een eerste etappe door het bos, jij voorop op je knalroze laarzen, komen we aan bij de pauzeplek. Het is gelukkig droog (redelijk wonderbaarlijk deze dagen) en het is er goed toeven.

In een wijngaard met prachtig uitzicht nestelen we ons aan een houten picknicktafel. Jij met stukjes fruit op een stokje en een zakje snoep. Je mama en ik met een glas wijn en plakjes Italiaanse ham. Een mevrouw van ongeveer dezelfde leeftijd als jouw oma vraagt of ze bij ons mag komen zitten. “Ja, natuurlijk.”

“Wat een leuke krullen”, zegt de mevrouw tegen jou. En in één adem komt er achteraan “Mijn dochter heeft ook van die zwartjes. Twee dochters. Veel werk, dat haar.”

Ik doe mijn mond open om te protesteren tegen de term zwartjes. Maar bedenk me dan dat de mevrouw vast van haar kleinkinderen houdt en het dus niet denigrerend bedoelt. Of hoop ik dat gewoon heel hard? Ik houd in elk geval mijn mond en neem nog een slok.

De vluchtelingencrisis, etnisch profileren, toenemende ongelijkheid, mensen met een niet-Nederlandse naam die moeilijker een stageplek of baan vinden, een Brits referendum over het verlaten van de EU dat zo is neergezet dat het een referendum voor of tegen immigratie lijkt. De kranten staan er vol mee. Er wordt razendsnel een stempel op mensen geplakt. Gelukszoeker. Verkrachter. Crimineel. Terrorist. Zwartje.

Ik hoop natuurlijk dat je nooit ‘anders’ behandeld wordt, gebaseerd op je prachtige bos krullen. (Anders dan wie?) Maar als het wel zo is, hoop ik dat je stevig genoeg in je roze laarzen staat om er niet ontmoedigd of gefrustreerd door te raken.

 

 

Knutselvreugde

Ik ben niet de handigste thuis. En al zeker niet de creatiefste, behalve dan misschien met taal. Ik denk vooral in woorden, ben niet visueel ingesteld en ik vind geknutsel iets om eerst opstandig, dan zenuwachtig en vervolgens humeurig van te worden. Het was als peuter al zo en het zal er nooit beter op worden: handen en kleren vol inkt, verf of lijm als ik toch eens een poging waag (of gedwongen word) om iets moois te maken. En bovendien: alles kan kapot, of op zijn minst beschadigd. Zeker de dingen die ik zelf gefabriceerd heb.

Ongeduldig

Ongeduldig als ik ben, wacht ik nooit tot de verf of de lijm droog is en maak ik dus vlekken, scheuren of scheve verhoudingen. Of ik raak gewond. Doordat ik tegelijkertijd met de secondelijm ook een stuk vel van mijn duim af trek. Een spijker in mijn voet, notabene bij het AFBREKEN van de houten kindervakantiewerkhutten, dat is me ook al eens gelukt. Zelfs als ik zoiets simpels doe als schoenen poetsen boven de spoelbak, wat weinig met knutselen of creativiteit te maken heeft, zit alsnog het hele aanrecht vol schoenpoets. En waar komt toch die winkelhaak in mijn nieuwe jas vandaan? Of die groene vingerafdruk op de klink? Ik bedoel maar.

Kleurtjes!

Toch ben ik van plan om in mijn nieuwe huis helemaal los te gaan. Al is het maar vanwege beperkte financiële middelen, waardoor het kopen van nieuwe meubels er voorlopig niet inzit. Dat bordeauxrode kastje met die kale plekken waar de lades bij een vorige verhuizing waren dichtgeplakt met tape: dat verdient meer dan één nieuwe kleur en op de middelste la een inspirerende spreuk of mooi motief (daar zijn godzijdank sjablonen voor). Dat afzichtelijk lelijke bureau in deprimerend bruin kan wel een make over gebruiken met behulp van gekleurd plakfolie en nieuwe handgrepen. En ik heb zowaar een leuk idee om met een houten plankje, wasknijpers en washi tape een rekje te maken om mijn collectie kettingen aan op te hangen. Waar werken bij een hobbygroothandel al niet goed voor is.

Eenzame opsluiting

Mocht ik een tijdje onvindbaar zijn, dan zou het zomaar kunnen dat ik mezelf met deze projecten heb opgesloten in een afgelegen garagebox met eierdozen tegen de muren en niets kostbaars binnen handbereik hier ver, ver vandaan. Als iets die garage ongeschonden verlaat, ofwel het creatieve object ofwel ikzelf, dan maak ik er een foto van. Wens me alvast succes!

290Ik ben best goed met het bij elkaar zoeken van kleurtjes, dat dan weer wel. Groen en oranje zijn momenteel favoriet. 

Over doorzetten en ruggengraat

In alle opzichten ben ik iemand die zich inzet en dan doorzet, behalve voor één ding.

Als kind oefende ik wel honderd keer per dag in de tuin op het maken van een perfecte radslag en handstand, tot het eindelijk lukte. Blauwe plekken! Verzwikte polsen! Maar zie mij staan op mijn handen.

Rennen

Rennen, dat was dus echt niet mijn ding. Maar ik liet me overhalen. En een half jaar nadat ik voor het eerst hardloopschoenen aantrok, liep ik de tien kilometer bij Maastrichts Mooiste. Daarna deed ik nog twee keer mee en elke keer was ik een beetje sneller dan de keer daarvoor. En kapot. En euforisch.

Studeren en solliciteren

Keihard geblokt voor mijn tweede studie. Ook toen ik geen studiepunten kreeg voor mijn stage de moed niet laten zakken. Ik haalde mijn diploma met enige vertraging, maar met een heleboel wijsheid op zak. Daarna zeker 300 sollicitatiebrieven gestuurd. En toen het solliciteren niets structureels bleek op te leveren, stortte ik me met volle overgave op mijn eigen bedrijf. Genoegen genomen met (te) lage uurtarieven, genetwerkt als een dolle en ja gezegd tegen opdrachten zonder te weten of ik ze wel uit kon voeren. Ik pluk er inmiddels de zoete vruchten van.

Lijmen

Kaartjes sturen, bellen, mailen. In een trein stappen naar de andere kant van het land, ook al had ik daar eigenlijk geen tijd voor. Als ruzies dreigden te ontstaan of relaties dreigden te verwateren, zette ik alles op alles. Investeren en volhouden. Met resultaat, want de meeste van mijn vriendschappen zijn oud, rotsvast en voor altijd dierbaar. Mijn vrienden zijn een open boek. En ik ben verslaafd aan boeken. (Een aantal kennissen zijn desondanks uit het vizier en daar heb ik na wat tranen vrede mee).

Lijnen

Maar als het om mijn eigen gezondheid in de vorm van mijn overgewicht gaat (BMI schommelt al jaren tussen 29 en 31) dan heb ik geen ruggengraat. Ooit heb ik eens een maand geen alcohol gedronken, maar doorgaans houd ik ‘verstandig consumeren’ niet langer dan drie dagen vol. Bied ik braaf weerstand tegen bier en bitterballen op een bedrijfsborrel, steek ik de volgende morgen gedachteloos een koekje in mijn hoofd bij de koffie. Heb ik op de vroege morgen anderhalf uur staan zwoegen met een personal trainer, vind ik dat ik bij de lunch best de pindakaas wat dikker op mijn brood mag smeren. Bedank ik vriendelijk voor het stuk taart van een collega, neem ik ’s avonds wel tiramisu als toetje. Zo blijft het sukkelen.

Tips? Iemand?