Iedereen wil luisteren, maar dan moet je wel iets vertellen

Het heeft er geen f*ck mee te maken dat niemand luistert.

Mijn papa en mama vertelden altijd dat we ze alles konden vertellen. Dat alles bespreekbaar was. En ik wist dat ze het meenden. Maar ik praatte niet. Niet echt. Niet met mijn ouders, niet met mijn vrienden, niet met mijn partner. Als ik echt ergens mee zat, schreef ik het in mijn dagboek.

De Lieke-manier

Het vriendje dat helemaal niet in mij geïnteresseerd bleek, maar alleen seks wilde. En me inruilde toen ik niet snel genoeg meewerkte voor een meisje dat ouder en meer ervaren was. De vriendin die niet meer naar me omkeek en zelfs mijn verjaardag vergat toen ze een vriendje had. Mijn ‘vlucht’ naar die camping in Zuid-Frankrijk omdat ik niet wist wat ik met mijn toenmalige relatie aan moest. Het baanaanbod dat er op dat moment ook lag om twee maanden voor de economieredactie van De Limburger te schrijven. Wat rationeel gezien de betere optie zou zijn. En waar ik dus nee tegen zei. Ik besliste zulke dingen wel even zelf. Op de impulsieve Lieke-manier. Niet nadenken maar doen, dat kan ik goed. Nee zeggen op dat huwelijksaanzoek die zomer en daarmee de relatie om zeep helpen, in plaats van bespreken dat die vraag voor mij totaal onverwacht kwam, en dat ik niet voor niets op die camping in Zuid-Frankrijk zat.

Niet te diep

Uren bellen met mijn beste vriendin over welk jurkje we naar dansles aan zouden trekken, of naar een feestje. Dat wel. Wat voor cadeautje we voor jarige vrienden zouden kopen, wat we in het weekend gingen doen, dat we iets niet mochten van onze ouders, of dat we de ouders van sommige vrienden zo raar vonden. Dat we een bepaalde jongen leuk vonden ook nog wel. Heel misschien dat we ergens onzeker over waren. Maar we doken niet te diep onder de oppervlakte.

Een mededeling (geen vraag, geen overleg)

Fast forward naar 20 jaar later. “Niet samenwonen, niet trouwen, geen kinderen.” Ik wist het zeker op het moment dat ik dat tegen de leuke jongen uit de trein riep. Tot het uit praktische overwegingen toch verdomd handig was om wel te gaan samenwonen. En ik natuurlijk ook al lang had bedacht dat we het heel leuk hadden samen, ook al zagen we elkaar meestal alleen in het weekend. In het weekend moesten we zo veel – zeker als naar Maastricht kwam – dat we te weinig tijd hadden voor elkaar. Maar dat werd dus een mededeling: “Ik kom over een paar weken definitief terug naar Maastricht, jouw appartement is te klein, dus we moeten even iets voor ons samen zoeken.”

Handenbinder, geldverslinder… Of?

Het moment dat mijn totale aversie tegen baby’s (wat moet je ermee, hulpeloze wezens, handenbinders, geldverslinders en de wereld is al overbevolkt genoeg) omsloeg naar twijfel, deelde ik niet. Ik schrok ervan. In stilte. Een huilende baby ging me altijd op mijn wekker, ik kon dat geluid niet horen zonder onwijs slechte zin te krijgen. En als ik een peuter zag stampvoeten in de supermarkt dacht ik tot mijn 35e: “Dit nooit!” Tot ineens soms het gevoel naar boven kwam dat ik een huilende baby best wilde troosten. Tot ik mezelf soms, als ik iets heel grappigs meemaakte of juist iets heel stoms deed, betrapte op de gedachte: “Dit is een leuke anekdote/wijze les om later aan mijn kind te vertellen.”

Dus dropte ik na een tijdje de bom: “Ik wil misschien toch een kind.” Een mededeling zonder uitleg. Het was een gevoel. Een gevoel dat ik niet kon verworden. Rationeel gezien leek (en lijkt) het me nog steeds helemaal niet handig om een kind te hebben. In mijn totaal ongeorganiseerde en spontane leven dat van laatste moment beslissingen aan elkaar hangt. “Oh ik moet voor een opdracht daar en daar heen, even bellen of die en die thuis is, kunnen we misschien samen eten… Oh wacht, ik heb nog ergens een kind bij de opvang.”

De leuke jongen uit de trein had zich er al lang bij neergelegd dat er geen kinderen zouden komen en had daar inmiddels vrede mee. Het gesprek waarom hij juist wél graag kinderen wilde, wat in het begin van onze relatie dus zo was, hebben we nooit gevoerd. Waarschijnlijk omdat ik zo stellig was in mijn anti zijn.

Niet nadenken is genieten

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Over dingen die gebeurden en waar ik iets van vond. Of iets bij voelde. Dingen waar ik lekker zelf op ging zitten broeden. Of die ik wegstopte om er niet meer over na te denken. Wat ook een vorm van genieten is, dat wel. Want dat ik in mijn weekje Nice nauwelijks verder dacht dan welke hoek ik om zou slaan, daar werd ik ontzettend blij van. Ik kwam serieus een stuk uitgeruster thuis dan dat ik vertrok.

Niet praten is, ehm, default setting

Maar dat niet praten… Het zou wel eens een belangrijke bijdrage kunnen zijn aan de staat waarin ik mij bevind, de staat van onrust, chaos en vergeetachtigheid. Natuurlijk in combinatie met het ‘simpele’ feit dat ik veel te veel opdrachten heb aangenomen en me ook verantwoordelijk voel voor een hoop vrijwilligerswerk omdat ik de goede doelen erachter zo mooi vind. Hoe vaak ik ondertussen ook denk “Ik lijk wel gek dat ik dit nu zit te doen, terwijl ik ook nog dat en dat en dat moet doen.”

Dus prik maar, duw maar, trek maar. Leg je vinger op de zere plek (ook al heb ik je nooit verteld waar het pijn doet). Rammel aan me, schud me door elkaar. Vraag door zoals ik dat zelf in interviews doe. Stel dezelfde vraag op een andere manier. Misschien huil ik, maar daar hoef je niet van te schrikken. Por me, steek me, sleur het uit me. Zet die knijpvingertjes waar mijn papa me soms mee de trap op joeg gerust in mijn nek. Ik denk dat het goed voor me is.

Maar niet altijd.

Soms.

Moeten we in stilte een wijntje drinken.

Of besluiten dat we er verdomd leuk uit zien in dat ene jurkje.

Alleen op reis

“Hee, ik heb jou ook al een paar keer heen en weer zien lopen. Moet jij ook naar Monaco?” De lange blonde jongen kijkt me hoopvol aan. “Nee, de stad in met bus 12, maar die vind ik nergens. Ik heb net wel een Flixbus gezien, misschien gaat die naar Monaco?” “Nee, ik hoorde net dat de laatste bus om 8 uur is vertrokken. “Oei, succes!” “Ja, jij ook.”

Waarom vind ik op reis gaan leuk? Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk? Ik heb het organisatietalent van een driejarige, maar dan zonder het schattige koppie waarmee je toch alles gedaan krijgt. Het richtingsgevoel van een baksteen. En handig ben ik ook al niet.

Hoe ver kan het zijn?

Ik moest dus bus 12 hebben, uitstappen bij het ziekenhuis, dan een klein stukje lopen. Zo had ik thuis opgezocht voor vertrek. Die bus zou rond 22.00 uur voor het laatst rijden, ruim na mijn landing. Op het vliegveld stond het busstation keurig aangegeven. Daar was geen bus 12. Daar waren ook geen bordjes waarop een nummer 12 stond aangegeven. Het hoogste busnummer was 10. Ik liep een paar keer heen en weer. Was er aan de andere kant van het vliegveld misschien nog een busstation? Er was niemand bij de bussen, dus ik vroeg naar bus 12 aan mensen die op de tram stonden te wachten. Zij hadden geen idee. Ik vroeg het nog eens aan iemand in het vliegveld. Ook geen idee.

Bus 12 vond ik niet. Ik gaf het op. Ik nam een taxi. Ik had de taxichauffeur al 3 x gezegd dat ik op Avenue Aimée Martin 39 BIS moest zijn. Dat BIS bleek hij telkens niet te verstaan en toen hij bij 39 stopte, dacht ik ‘Ach, hoe ver kan het zijn?’. Nou… In een straat die in een soort U-vorm loopt en alleen bestaat uit enorme, ommuurde appartementencomplexen, kunnen de nummers 39 en 39 BIS zo’n 500 meter uit elkaar liggen en niet eens aan dezelfde kant van de straat. Dus op zoek in het donker. Aan de enige levende ziel op straat vroeg ik of ze wist hoe de nummers in de straat liepen. Ze had geen idee. ‘Je ne sais pas’ leken de meest memorabele woorden van mijn week in Nice te worden.

Donker

Het volgende obstakel diende zich aan. Ik had extra geld betaald omdat ik na 20 uur aankwam. Er was desondanks niemand te bekennen om me binnen te laten. Iemand stuurde een filmpje van waar ik het zakje met de sleutels uit de struiken moest vissen. Ik vond de sleutels én de juiste ingang tot het enorme complex, om in een knetterdonkere hal te belanden. Wie mij kent weet hoe nachtblind ik ben, dus ik durfde me niet te bewegen. Voor hetzelfde geld staat er een plantenbak midden in de hal. Lang leven mijn mobiele telefoon met zaklampfunctie. Met een een doodenge, schokkerige lift waarvan ik me afvroeg of iemand me zou horen als ie vast zou blijven hangen, ging ik naar de tweede verdieping. Ik had liever met de trap gewild, maar de deur naar het trappenhuis kon ik zo snel niet vinden.

Er zou een sticker op de deur van mijn appartement zitten, met de naam van de verhuurmaatschappij. Met mijn telefoon als zaklamp en met mijn rollende rolkoffertje dat in de lege gang van de tweede verdieping klonk als een helikopter, schuifelde ik langs alle deuren. Tot een vrouw haar hoofd om de hoek stak en wees waar ik moest zijn. “C’est celui!” “Merci.” De enige woorden die ik met iemand in het complex heb gewisseld. Ik zag er een week lang niemand. Alleen de boodschappentas die soms wel en soms niet voor één van de deuren stond, impliceerde dat er in minstens één van de appartementen iemand woonde.

Dorst

Natuurlijk had ik niets te eten of drinken bij me, maar ik ging ervan uit dat de basics wel aanwezig waren in het appartement. Dat ik op zijn minst een kop thee kon zetten. Niet dus. Wel een waterkoker, maar geen theezakjes. Wel een koffiezetapparaat, maar geen koffie of koffiefilters. Ik had geen zin om in het donker op zoek te gaan naar een winkel, ik had mijn portie donker wel gehad. Ik kroop in bed na een glas kraanwater, dat in Frankrijk niet half zo lekker is als bij ons. Een fantastisch bed met heerlijke kussens, dat dan weer wel.

De volgende ochtend was ik vroeg wakker, super uitgeslapen, vol energie én hongerig. Snel onder de douche. Waar ik met mijn ogen dicht stond te genieten van de knetterharde straal. Toen ik mijn ogen weer open deed, bleek de complete badkamer overstroomd. De glazen wand die het bad afsloot, had zijn taak niet serieus genomen. Nu was ik zéker toe aan koffie. En ik moest opschieten met op en neer gaan naar de supermarkt, want om 9 uur had ik de eerste vergadering via Teams en daarna moest ik op zoek naar ondernemersverhalen voor WijLimburg. Al snel had ik de tweede overstroming van de dag te pakken. Het bakje van de koffiefilter bleek verstopt.

Mijn eerste werkdag was begonnen…

Nice: kleurrijke, levendige stad

Waarom vind ik op reis gaan leuk? En waarom Nice?

Om alles wat na het ongelukkige begin kwam. Ik stond knettervroeg op om te werken zodat ik ook op tijd kon stoppen om op ontdekking te gaan. En ik werd niet moe van dat vroege opstaan.

Om het prachtige uitzicht vanaf mijn balkon. Op de bananenbomen op het balkon onder dat van mij. Op de palmbomen in de gezamenlijke tuin. Op de zee, in de verte, maar toch duidelijk zichtbaar. Als je dan toch ergens moet werken, is dit de perfecte plek. Die luxe heb je als zzp’er.

Om de mooie wandeling die ik moest maken om de berg af te komen en zelfs om de wandeling terug naar boven, die absoluut niet meeviel. De eerste keer stond ik te hijgen als een sledehond.

Om het kijken naar de azuurblauwe zee met de bergen in je rug. Golven blijven toch iets magisch.

Om de prachtige stad met zijn gele gebouwen, groene luiken, overdadige ornamenten. De pompeuze musea. De was aan de balkons. De bloemen in alle kleuren. De citroen- en sinaasappelbomen in de voortuintjes. De muziek door de openstaande ramen.

Om de vele parken en speelpleintjes. Ik hoefde nooit lang te zoeken waar ik mijn lunch zou eten, want om iedere derde hoek lag wel een keurig onderhouden park vol weelderig groen.

Om de keuken. Uiteraard om de keuken. Want lekker eten is altijd een goed idee. Vers stokbrood en croissantjes. Verse vis. Alle typische streekgerechten: salade niçoise, socca en pissaladière (daar kan nooit te veel ansjovis op zitten). Maar ook de vele zalige zoetigheid uit de Noord-Afrikaanse winkeltjes. Tijdens de ramadan zijn de stapels chebakia overal torenhoog. Gunstige bijkomstigheid in Nice: uiteten hoeft niet duurder te zijn dan boodschappen doen. Op de meest toeristische plek waar ik zat, had ik een voor- en hoofdgerecht, wijn en koffie voor 32 euro.

Om de levendigheid. Dansers en muzikanten op straat. Jongeren (en een enkele oudere) die stunts oefenen op skateboards, skeelers, eenwielers. Jongeren met hun drankjes op het strand. Ouderen met hun krasloten op de terrassen van de Bar Tabac.

Om mijn geliefde taal te kunnen spreken en te merken dat ik die nog steeds redelijk onder de knie heb.

Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk?

Omdat het heel rustgevend is om een tijdje alleen op jezelf aangewezen te zijn. Mijn hoofd was al snel leger dan in de maanden voor mijn vertrek. Ik moet toegeven dat de onbevangenheid die ik op mijn achttiende in Benin en op mijn 22e in Senegal had er wel een beetje af is. Daar stortte ik me zonder nadenken in allerlei avonturen. Nu let ik toch wat meer op. Zijn mijn sleutels veilig weggestopt? Is de rits van mijn tas goed dicht? Ziet dit steegje er misschien iets te donker uit? Wat als die kerel die net naar me siste en ‘Hello madam’ riep me achterna komt?

Alleen eropuit trekken, is ultiem genieten, vind ik. Leven uit mijn koffertje, want waarom zou ik mijn kleren netjes in de kast hangen? Mijn schoenen uitschoppen bij binnenkomst en ze laten liggen waar ze terecht komen. Mijn gedragen kleding over de eerste de beste stoel slingeren. De afwas laten staan tot de laatste dag. Een boek lezen op het terras. Kletsen met het serverend personeel, dat sowieso geïnteresseerd is in waarom je alleen bent. Niemand die een hartverzakking krijgt of op me vloekt als de pan waarin ik eieren wil bakken met een enorme klap op de grond valt, omdat de steel niet goed vast blijkt te zitten. Dat ik in het appartement kwam en 1 ei inmiddels kapot bleek te zijn, was ook alleen mijn eigen probleem.

Wijn bij het ontbijt

Met mijn verstand op nul aan een wandeling beginnen en wel zien waar ik uitkom (en dan op een gegeven moment mild in paniek raken omdat ik wel erg ver van huis ben en geen idee meer heb waar dat huis ligt). Trots zijn op mezelf als ik die half gescheurde kurk toch uit de fles krijg. Ongegeneerd wijn nemen bij het ontbijt, want het is zonde dat die fles nog niet leeg is voordat ik vanmiddag terugvlieg. En concluderen dat ie zelfs beter smaakt dan de avond ervoor. Voor me uit staren zonder dat iemand aan me vraagt waar ik aan denk.

En heel eerlijk. Vaak dacht ik maar heel weinig. Of mijn croissantje nog in mijn tas zat. Of ik mijn shirt nog een keer aankon. Dat het niet heel handig was om de zee over mijn schoenen te laten klotsen. Veel dieper ging het niet. Dat had misschien wel gemoeten. Want mijn reis naar Nice was ook bedoeld om erachter te komen waarom het de laatste tijd niet zo goed met me gaat. De dansende letters op het scherm, de ontsteking achter mijn oor, de extreme moeheid waren er natuurlijk niet zomaar.

Moet ik mijn werk anders aanpakken? Moet ik een stagiaire nemen? Moet ik nog energie steken in bepaalde relaties of moet ik gewoon leren omgaan met hoe die relaties nu zijn? Ga ik nog eens in mijn verleden peuteren op zoek naar bepaalde antwoorden, of laat ik het rusten? Voor die vraagstukken moet ik nu dus tijd maken. Gelukkig heb ik in Nice nieuwe (zonne-)energie opgedaan. Ik kan er in ieder geval weer even tegen.

Boos. Blij. Bang.

Boos, blij, bang. Het begint alle drie met dezelfde letter. Ik voel het allemaal tegelijk.

Boos op die gevaarlijke gek van een Poetin die – oh barmhartige samaritaan dat hij is – Oekraïense burgers een vluchtroute naar Rusland biedt. Denazificering. Serieus?!?

Boos omdat het nu ineens allemaal kan. Opvangplekken in iedere veiligheidsregio en zelfs bij mensen thuis. Miljoenen euro’s sorten bij 555. Vluchtelingen ophalen. Asielprocedures overboord gooien. Gratis openbaar vervoer. Met wapperende vlaggen onze solidariteit tonen. Boos dat het al die andere keren niet kon, omdat de mensen niet genoeg op ons leken.

Hoe kijken Syriërs of Afghanen hiernaar? We kunnen moeilijk beweren dat er daar geen oorlog is. En hoe moeten Italië en Griekenland zich hierbij voelen? Europese landen die we iedere keer in hun eigen sop laten gaarkoken als er weer een boot met vluchtelingen arriveert. Want zo zijn de regels, het eerste Europese land waar mensen aankomen, moet het maar uitzoeken. In Griekenland ‘verblijven’ (wonen kan ik het niet noemen) mensen soms al jaren in mensonterende kampen. En als er een kamp afbrandt bouwen we gewoon een nieuw op een nog slechtere plek met nog slechtere omstandigheden.

De Afghanen evacueren die ons leger bijstonden vergaten we voor het gemak, of in ieder geval zou het zo’n vaart wel niet lopen. Pas toen onschuldige burgers al om hun oren werden geschoten, kwamen we in actie. Too little too late. Mijn hart breekt als ik aan de Afghaanse meisjes en vrouwen denk die een paar jaar naar school gingen of werkten en nu weer zijn opgesloten. “Maar misschien zijn de taliban deze keer wat minder wreed dan toen ze de vorige keer aan de macht waren.”

Blij om dezelfde redenen. Dat we het dus wél kunnen: mensen met open armen ontvangen, geld inzamelen, noodhulp leveren, politieke en religieuze verschillen opzij zetten, solidair zijn. Ik zag ontelbaar veel hartverwarmende acties voorbij komen. Kinderen keren hun spaarpot om. Er wapperen ontelbaar veel blauwgele vlaggen. Zo mooi om te zien.

Blij met een hele vieze bijsmaak omdat dit misschien het zetje is dat we nodig hebben om eindelijk onze huizen te isoleren, een extra trui aan te trekken, wat vaker op de fiets te stappen.

Blij dat het ondanks alles gewoon lente wordt.

Bang. Omdat die gevaarlijke gek nog heel veel onvoorspelbare dingen kan doen en hoe dan ook nog heel veel mensen de dood in jaagt. Bang voor de verwoesting. Bang voor de nasleep.

Bang dat we uiteindelijk allemaal gaan lopen klagen over de hoge energieprijzen. Zodat onze principes toch weer overboord gaan. Zodat het niet blijft bij die ene goedkope portie olie die Shell nog van Rusland kocht (“Maar de winst gaat naar Oekraïne!”), maar dat onze politici zwichten voor ons geklaag en de belastingen op brandstof omlaag doen, met vooral het milieu als verliezer. Zo leren we het natuurlijk nooit.

Bang ook dat onze solidariteit met de Oekraïners maar van korte duur is. “Het zijn er toch wel erg veel, en ze blijven toch wel erg lang, en ze pikken onze banen in, en hun eten stinkt, en ze zijn toch wel heel gelovig, en …”

Boos. Blij. Bang.

En verdrietig. Dat ook.

2022 is het jaar van méér boeken

Volgens Good Reads las ik twaalf boeken in 2021. Valt me tegen. Ja, ik had het druk, veel drukker dan in 2020, maar het ritueel van lezen voor het slapengaan ging niet verloren. Daar zat soms een tijdschrift tussen in plaats van een boek, maar dan nog. Twaalf boeken, één boek per maand, 3.507 pagina’s. Een magere score voor mijn doen.

Het dunste boek dat ik in 2021 las, was Slot van Octavie Wolters met 119 pagina’s. Het dikste exemplaar, Slachtoffer 2117 van Jussi Adler-Olsen, telde 480 bladzijden.

Mijn voornemen voor 2022 is om minstens 15 boeken te lezen. Want wat word ik blij van lezen. Zelfs – of juist – als het super gruwelijk is wat ik lees. Als er zesjarige meisjes vlak voor hun eerste schooldag aan een springtouw worden opgeknoopt in een boom bijvoorbeeld, zoals in Ik reis alleen, van Samuel Bjork. (Dankjewel Kitty dat je me dit boek leende).

‘En toen ontdekte Walter het kleine meisje dat aan de boom hing. Ze bungelde boven de grond met haar schooltas op haar rug. En een bordje om haar nek. IK REIS ALLEEN.’

Dan kun je toch niets anders doen dan verder lezen? Zelfs als je gezond verstand tegen je zegt ‘over zes uur gaat de wekker’, moet je toch de pagina omslaan. En nog eens. En nog eens.

In het bos

Gisteren liep ik door het bos rondom Eckelrade met business coach Laura Lazzarini. Ze vroeg of er een onderwerp was waar ik me in vast wilde bijten. Ik herinnerde me dat ik ooit uitgebreid onderzoek wilde doen naar hoe mensen in Benin en Senegal naar Europa kijken en hoe Europa in die twee Afrikaanse landen in de media komt (toen ik er was zag ik vooral Frankrijk voorbij komen). En andersom, hoe we in Nederland en België naar Afrika kijken en wat we erover lezen in de kranten en zien in het nieuws. Dat ik mensen wilde interviewen over hun beeldvorming en dat er uiteindelijk een boek moest komen, waarin ik onder andere zou laten zien dat Afrika geen homogeen land is, zoals het hier in de media wel eens lijkt, maar een groot continent met veel verschillende culturen, geloven en levenswijzen. Een onderzoek dat ik nooit uitvoerde en een boek dat ik nooit schreef omdat na mijn afstuderen het ‘grotemensenleven’ begon.

Eigen boek

“Je kunt toch ook beginnen met corresponderen met je contacten daar?”, opperde Laura. “En die mail- of briefwisseling als basis voor een boek gebruiken.”

Ja, natuurlijk! Waarom dacht ik daar niet eerder aan? Bij thuiskomst appte ik meteen met Florence, de vrouw die aan mij ‘gekoppeld’ werd in 1998. Omdat ze de enige was die mij in huis durfde te nemen. (Lang verhaal). Na een kennismaking in Cotonou, ging ik met haar mee naar Womey. Daar woonden zij en ik drie maanden bij haar moeder, oma, zus, broertje, tante en neefje. Florence woonde daarna drie maanden bij mij, mijn ouders, broertje en zusje. Ik noem haar nog vaak ‘grote zus’. Na de wandeling apptje ik haar: “We gaan met elkaar mailen en dat wordt een boek.” Dat vond ze een goed plan.

2022 wordt het jaar van meer lezen en meer schrijven. En wie weet een eigen boek…

Die dag van het jaar

9 december 2021

Vandaag 19 jaar geleden maakte ik de langste treinreis van mijn leven. Van Tilburg terug naar huis. Een winteravond. Het was koud. Het was donker. Ik was de laatste persoon op weg naar de woning die nooit meer hetzelfde zou zijn. Omdat ik die dag lang niet bereikbaar was. Tot dat telefoontje op de vaste telefoon in het studentenhuis. Mijn fiets was kapot of kwijt. Ik moest naar het station. Ik mocht op de fiest van een huisgenoot. Dacht er nog wel aan om die af te sluiten. Maar mijn huisgenoot zou zijn fiets nooit meer terugzien. De fietsensleutels gingen met mij mee. En ik bleef een tijdje weg.

Alsof de situatie nog niet erg genoeg was, had de trein vertraging. J zou me in Bunde van het station halen. Ik wilde hem bellen dat ik later kwam. In plaats daarvan belde ik de studiegenoot waarmee ik stage liep. We hadden elkaar niet gezien op het kantoor van Amnesty International. Ik was daar die dag niet en heb geen idee meer waarom.
“Hee Lieke, hoe is het?”
“Goed! Maar ik belde jou per ongeluk, moest eigenlijk iemand anders hebben.”

Ik zei zonder nadenken dat het goed met me ging. Terwijl ik me nog nooit zo slecht had gevoeld. Raar hoe dat werkte in mijn hoofd. En nog steeds werkt. ‘Goed’, is het standaardantwoord. Ook als het helemaal niet zo goed gaat. Ik probeer te genieten, dromen niet uit te stellen, nu te leven omdat het zomaar ineens voorbij kan zijn. Maar dat lukt me lang niet altijd. In deze tijd van het jaar lukt het me zelfs bijzonder slecht. Daar zit ook corona voor iets tussen. En hoe onverantwoord en polariserend we daar met zijn allen mee omgaan. Voor het eerst zijn we op jouw sterfdag niet compleet. Want jouw jongste dochter heeft het virus opgelopen.

Ik schreef het deze week ook al op mijn zakelijke blog, dat ik iedereen leuk werk en een leuk leven wens en dat ik niet zo veel snap van al dat sparen voor later of van met tegenzin naar je werk gaan. Want misschien is er geen later. En hoe veel spijt heb je dan van alles wat je niet deed? Toevallig (?) droomde ik vannacht dat ik in China was. Het land dat jou zo fascineerde, het land dat je zou bezoeken als… Ja, wanneer zou je gegaan zijn?

Papa, ik geloof er niets van en toch hoop ik dat je naar ons kijkt. Naar je vrouw en kinderen. En dat je tevreden bent met wat je ziet. Dat je trots bent. Op ons allemaal. We zijn geen gemakkelijke mensen. We kunnen klagen (ik waarschijnlijk het meest). We spartelen soms. Maar we hebben ons leven verdomd goed voor elkaar. We zijn blij met het werk dat we doen. En we doen dat zonder kruiwagens, zonder achterkamertjes, zonder ellebogenwerk. Zoals jij op je werk ook steeds stappen zette zonder je iets aan te trekken van ongeschreven regels en hielenlikkerij. Eerlijk duurt het langst en als jezelf kom je het verst.

Een andere les die ik van jou leerde: vergeet niet om te staren. Jij had staartijd en slaaptijd (“even nadenken”). Staren naar de vlammen in de open haard, naar de vissen in de vijver, of over de zee naar de horizon.


Op dit moment #17

Het is hier stil. Al maanden. Terwijl ik doorgaans blij word van bloggen. Maar de inspiratie is een beetje kwijt en mijn leven loopt iets minder op rolletjes dan dat ik gewend ben. Te veel open eindjes in mijn hoofd. Waardoor ik voortdurend dingen vergeet. Op mijn zakelijke website schreef ik daar al over. Toch heb ik nog steeds geen reden tot klagen. Ik ben dankbaar voor heel veel dingen. Deze rubriek helpt om weer eens in mijn handjes te knijpen en me te realiseren dat ik een bofkont ben.

Ik word blij van: de herfstkleuren. In de blaadjes. En in de lucht. Het geel, roze en oranje stemt me vrolijk. Net als de meesjes in de pot vogelpindakaas. Dat er nog steeds bloemen bloeien in de tuin. En dat ik deze week voor de tigste keer frambozen plukte in eigen tuin. In november!
Ik denk dat ik heel blij word van de interieurverzorgster die vandaag voor het eerst kwam poetsen. Ik betaal met heel veel liefde voor tijdwinst. Tijd die ik niet besteed aan stoffen en zuigen, maar aan het nog eens nalezen van een tekst voordat ik op ‘versturen’ klik. Tijd die ik besteed aan het zoeken naar onderwerpen om over te schrijven. Tijd die ik kan besteden aan het lezen van de hele zaterdagkrant in plaats van alleen de voorpagina, omdat poetsen een grote hap uit de zaterdag neemt. Of aan uitslapen. Of aan uitgebreid koken.

Ik ben dankbaar voor: de leuke jongen uit de trein die naast me blijft staan terwijl ik helemaal niet zo leuk ben als mijn hoofd overloopt. Hij moet me soms drie keer hetzelfde vragen en soms in mijn plaats denken, maar bewaart meestal zijn geduld. Hij is de allerbeste persoon om met me mee te denken en mij op het juiste moment een schop onder mijn kont te geven, nu meer dan ooit (‘heb je de autoverzekering ooit teruggezet naar minder kilometers?, als je nu eerst de vlaai gaat bestellen, doorloopt naar de stomerij en daarna… , dan sluit het allemaal mooi op elkaar aan en hoef je niet zo veel in één keer te dragen’).
Dankbaar ook voor mijn lieve vrienden die geduldig wachten tot ik weer tijd voor ze heb. Voor collega-tekstschrijvers die soms iets van me overnemen. En voor klanten die het niet erg vinden om wat langer te wachten voor ik aan de teksten voor hun nieuwe website kan beginnen.

Ik word verdrietig van: de polarisatie, het wantrouwen, de boosheid overal om ons heen. Deze week gebeurde het me twee keer dat de persoon aan de andere kant van de tafel begon met “Ik vertrouw de media niet.” Waarop mijn antwoord uiteraard was dat ik ook bij de media hoor, zeker op momenten dat ik – zoals deze week – als journalist werk voor WijLimburg. En dat ik heel veel uitstekende journalisten ken. Als tegenreactie kwam er dan weer “Jou vertrouw ik wel. En ik mag het verhaal vooraf toch nog lezen? Maar heel veel andere journalisten, die schrijven maar wat.”
Ik word verdrietig van een groot deel van onze politici, die mede de oorzaak zijn van het wantrouwen en de boosheid van veel mensen. Waarom hebben we nog steeds geen kabinet? Waarom blijven we bomen kappen en hout invoeren voor biomassa? Waarom is er alweer niet genoeg opvangcapaciteit voor vluchtelingen zodat getraumatiseerde mensen uit Afghanistan op een stoel moeten slapen? Nee, ik scheer niet alle politici over één kam. Ja, ik begrijp absoluut dat je het als politicus niet voor iedereen goed kan doen. Ik snap dat bijvoorbeeld de toeslagenaffaire is ontstaan doordat ‘we’ hebben geroepen dat de naleving strenger moest na de ‘Bulgarenfraude’. Ik begrijp ook dat het lastig is om windmolens en zonneparken neer te zetten, omdat niemand die in zijn achtertuin wil. Maar doe in vredesnaam wat meer je best om ons toffe Nederland voor iedereen een fijn land te laten zijn!
En waar ik het allerverdrietigst van word: mensen die zomaar ineens ernstig ziek zijn. Leuke en lieve mensen die het ene moment nog met hun kinderen tegen een bal trappen en het volgende moment in het ziekenhuis liggen.

Ik kijk uit naar: een weekendje Gent met een vriendin, een weekje vrij met de leuke jongen uit de trein, vele herfstwandelingen en borrelavondjes. Vrienden, kaarsjes, hapjes. Goede gesprekken. En wat meer rust en minder chaos. Ik riep altijd heel hard dat ik niet vatbaar ben voor stress of depressie, dat ik altijd keurig mijn lijstjes afvink, en dat ik het best functioneer vlak voor een deadline. Maar misschien zit er toch een grens aan hoeveel ik aankan. Dat er veel fijne dingen zijn om naar uit te kijken, helpt. En mooie dingen om op terug te kijken. Zoals dat weekendje Weesp. En dat weekendje in Nijmegen met drie vriendinnen die ik al héél lang ken.

Ik lees: nog steeds iedere ochtend de krant. Met een kop koffie on the side. En iedere avond lees ik voor het slapen in een boek of tijdschrijft. Het boek Slot van Octavie Wolters las ik deze week uit. Een atypisch boek voor mij, want geen moord en doodslag. Het las heel gemakkelijk weg, ondanks het onderwerp: depressie in tijden van corona. De zwarte Napoleon ligt klaar als volgende boek.

Ik luister: de Top 1500 van Kink. Zo fijn. Tool, Radiohead, Pearl Jam, Smashing Pumpkins. Een soort herbeleving van mijn pubertijd, maar dan zonder de onzekerheden en de drang om ergens bij te horen.

Hoe gaat het met jou?

‘Ga terug naar je eigen dorp’

Het voelde een beetje ongemakkelijk. Verkeerd zelfs bij momenten. Gisteren waren er sirenes en lichte paniek. Gisteren riepen we tegen de schoonouders dat ze hun huis moesten verlaten om hoger gelegen gebied op te zoeken. Want als die dijk zou breken dan… Vandaag hadden we gereserveerd op een terras aan de Maas. De machtige Maas die in Maastricht met de minuut zakte, maar verder stroomafwaarts nog druk bezig was haar verwoestende ding te doen en via kades en kelders huizen binnendrong.

Ik kwam van een andere afspraak en was er wat eerder dan de leuke jongen uit de trein. Links voor mij een tafel met 8 luidruchtige Maastrichtenaren van pensioengerechtigde leeftijd. De mannen in polo’s, de vrouwen zwaar in de make-up en behangen met opzichtige sieraden. Stuk voor stuk nadrukkelijk en luidruchtig aanwezig en voor mij zonder moeite woord voor woord te verstaan. Ze waren vooral bezig anderen er doorheen te trekken: “Ik kwam die en die tegen, die zag er echt slecht uit, de coronakilo’s zaten er nog steeds aan.” En ze waren ronduit bot tegen het personeel: “De wijn is op!” “Doe nog een ronde!”

Rechts voor mij een tafel met een gezin uit Midden-Limburg, ouders met een zoon en een dochter voor in de twintig (schat ik, maar daar ben ik slecht in). Zomers, maar netjes gekleed. De jeugd niet op een hippe jongerencamping aan de kust of met een rugzak in de bergen, maar door omstandigheden (iets met een virus) met papa en mama op vakantie in eigen land. Als ik soms een oorglimp opving van hun gesprek, haalden ze vooral vrolijke herinneringen op aan eerdere vakanties.

De zoon van het gezin vroeg na de derde sigaret waarvan de rook recht in zijn gezicht kwam aan een van de “meneren” of hij alsjeblieft de andere kant op wilde blazen. De roker ging compleet door het lint. Hij was een Maastrichtenaar en liet zich in zijn eigen stad door niemand de les lezen. “Wat een kutvolk zijn jullie, ga verdomme terug naar jullie eigen dorp, wat hebben jullie hier eigenlijk te zoeken, niemand vertelt mij in mijn eigen stad wat ik wel en niet moet doen, waar halen jullie het gore lef vandaan om mij aan te spreken… enz enz… ” (Dit uiteraard in plat Maastrichts, maar daar ken ik de taal- en spellingsregels niet van).

“Ik laat me in mijn eigen stad niet vertellen wat ik wel en niet moet doen”

Een van de vrouwen in zijn gezelschap probeerde hem een beetje te kalmeren, maar de rest vond zijn reactie blijkbaar volkomen normaal. De vader van het gezin probeerde nog iets met “Sorry, het was gewoon een vriendelijke vraag”, maar de razende roker was totaal niet voor rede vatbaar. Demonstratief drukte hij zijn sigaret uit om direct de volgende aan te steken. Het gezin liet zich wegpesten. Toen verderop een tafel vrij kwam, wisten ze niet hoe snel ze daar moesten gaan zitten.

De leuke jongen uit de trein en ik hadden een hele gezellige en smakelijke avond. We probeerden het geluid op links buiten te sluiten en genoten van het mooie weer na al die regen en regen en regen. De bediening was top, net als het eten. Helaas viel niet te missen dat het ‘gezelschap der Sjengen’ steeds groter en luider werd. Stoelen en tafels werden ongevraagd en onnadenkend bijgetrokken, terwijl er steeds meer vergane glorie aanschoof. Vertrok er iemand, dan moest hij of zij apart afrekenen, want stel je voor dat iemand een cent te veel betaalde. Op een gegeven moment had het gezelschap zelfs ruzie over wie het meeste van de borrelplank had gegeten en daar dus het grootste deel van moest afrekenen. Fascinerend, in de slechtste betekenis van het woord.

Hebben deze mensen kinderen en kleinkinderen? Wat hebben ze hun kinderen geleerd? Wat waren ze voor voorbeelden? We kunnen wel met zijn allen roepen dat de jeugd geen respect heeft voor wie dan ook, vooral van feesten houdt en regels overtreedt, maar met dit soort (groot)ouders kun je ze bijna niets kwalijk nemen. Het is maar goed voor de rest van Nederland dat deze figuren waarschijnlijk vooral in “hun” Maastricht blijven.

Foto door Artem Beliaikin op Pexels.com

Ik blijf graag een beetje kind

“Zo kan het ook.”

“Geen wonder dat ze me niet serieus nemen.”

“Ik voel me niet volwassen.”

Drie zinnen die jarenlang regelmatig door mijn hoofd schoten. Als ik samen met een collega ging kennismaken met een potentiële klant bijvoorbeeld. Dat ik best mijn best had gedaan, een schoon jurkje uit de kast had getrokken en een doekje over mijn nette schoenen had gehaald. En misschien zelfs lippenstift op had gedaan. Maar dan zag ik mijn collega. Met zo’n mooi getailleerd jasje. Op pumps. Gelakte nagels. Haar opgestoken. En dan voelde ik me direct onvolwassen. We kregen koffie. Bij de eerste slok verdween mijn lippenstift. Terwijl die van haar bleef zitten. En hoe kon het eigenlijk dat haar mooie jasje kreukvrij uit de auto was gekomen, terwijl mijn jurkje eruitzag of we een wereldreis hadden gemaakt?

Zelfs al ik me goed had voorbereid en minstens evenveel wist van het onderwerp als de mensen aan de andere kant van de tafel, voelde ik me toch een soort Calimero. Een kind met spinazie tussen haar tanden of een vlek op haar schort.

Bij een sollicitatiegesprek had ik er ook vaak last van. Had ik een goed verhaal in mijn hoofd. Had ik een ‘veilig’ zwart jurkje aan, of een nette broek. Maar voelde ik me toch kinderlijk tegenover de dames en heren aan de andere kant van de tafel. Zij leken hun kleding te ownen. Zelfs bij de Bijenkorf had ik er last van, terwijl we nota bene allemaal dezelfde lelijke werkkleding droegen. Maar ‘zij’ zagen er niet verfrommeld uit aan het eind van de werkdag.

Die tijd ligt gelukkig lang en breed achter me. Nee, ik snap nog steeds niets van nagellak en lippenstift. Of hoe schoenen er aan het eind van de dag nog steeds blinkend schoon uit kunnen zien. Maar ik pas mijn kleding niet meer aan, aan wat ik denk dat er volwassen of netjes uitziet. Ik voel me blij met badeendjes in mijn oren en appeltjesgroene peren op mijn shirt. Ik heb felblauwe en knaloranje gympies. Ik heb sokken met glitters en armbandjes in alle kleuren van de regenboog. Mijn schoonmama maakte een gele jurk met rode bloemen van stof die ik uit Benin had meegenomen (ze maakte er ook kussens van voor in de bank). En met mijn mama kocht ik vorige week een zwierige rok met bloemen in allerlei kleuren. Toen ik laatst een fotoshoot had, was ik helemaal mezelf.

Het absolute hoogtepunt van mijn kledingkast kwam gisteren binnen. Een cadeautje van de leuke jongen uit de trein. Hoe lief is dat?! Ik verheug me erop om mijn voeten erin te steken, over stoepen te huppelen en over slootjes te springen. Of om met kikkers aan mijn voeten kennis te maken met een nieuwe klant, een presentatie te geven voor een netwerkvereniging, de directeur van een groot bedrijf te interviewen.

Dat van die schoenen die er aan het eind van de dag ook nog schoon uitzien, wil ik wel graag leren 😉

Op dit moment #16

Eigenlijk heb ik geen tijd om te bloggen. Mijn hoofd zit nog vol van een bomvolle werkweek waarin ik iedere ochtend om 6 uur opstond (geen probleem) en om 6.40 uur beeldbelde met een hoofdredacteur (wel een probleem, mijn brein heeft iets langer nodig om op te warmen). Een week waarin alle interviews van de week ervoor bleven liggen. Die moet ik dus deze week uitwerken, maar omdat er zo’n lange tijd tussen zit, is dat knap lastig. Onleesbare aantekeningen enzo. Een week ook die eindigde met een heerlijk weekend vol vriendjes en zon, dat dan weer wel.

Ik word blij van: sneeuwklokjes, krokussen, mussen, roodborstjes, zon. De eerste blaadjes aan verder kale takken. De merel die ’s ochtends het hoogste lied zingt en daarmee de meest lieflijke wekker is die ik me kan wensen. Dat ik mijn super toffe groene leren jasje dat ik van de leuke jongen uit de trein kreeg weer kan dragen in plaats van een winterjas. Al kan het niet goed zijn dat het nu al zo warm is.

Vorige week was een tikkeltje overweldigend, toch word ik super blij van de hoeveelheid werk die ik heb. Dat mijn klanten me allemaal weer weten te vinden en dat er in de eerste anderhalve maand van het jaar al drie nieuwe klanten zijn bijgekomen. En met een vierde persoon waar ik nog nooit eerder voor schreef, heb ik deze week een afspraak. Op de laatste dag van deze maand bestaat mijn bedrijf al 12,5 jaar. Wie schrijft die blijft 😉

Ik word verdrietig van: het coronabeleid. Of het gebrek aan beleid. En nee ik wil niet langs de kant staan roepen dat ik het beter weet, maar ik kan het gewoon echt niet meer volgen. Ik gun kappers hun werk. Ik gun scholieren hun vrienden. Maar ik wil niet langer wisselgeld zijn. Het stoort me dat wie het hardst schreeuwt het eerst zijn zin krijgt (een prik of meer vrijheid). De avondklok die echt niet zou worden verlengd en waarvan ik niet geloof dat ie heel veel bijdraagt aan onze bescherming blijft “gewoon” tot half maart. Nee, ik ga niet iedere avond de deur uit, maar zeker nu het mooier weer is, wil ik na het eten graag nog een wandeling maken. En als er iemand bij ons blijf eten, wil ik hem of haar niet direct na het toetje eruit schoppen.

Ik heb het beleid van ons kabinet lang verdedigd, onze politici moesten roeien met de riemen die ze hadden en wisten nog helemaal niets van het coronavirus. Maar nu zie ik een stuurloos schip dat kant nog wal raakt. En ondertussen staat veel ondernemers het water aan de lippen (om maar even bij varen en water te blijven). Afgelopen week interviewde ik meerdere ondernemers en ik hoorde schrijnende verhalen. Over pensioenpotten die jaren te vroeg worden aangesproken, over aankloppen bij je ouders en je kinderen, over belastingschulden…

Ik kijk uit naar: een nieuwe tuin. Niet naar de werkzaamheden die aanstaande maandag beginnen, wel naar het resultaat. Het wordt mooi, dat weet ik zeker. Prachtige tegels en heel veel groen. Mooie ronde vormen in plaats van rechte blokken afgezet met half verrotte bielzen. En wat een feest als ik straks eindelijk in één beweging mijn fiets in de schuur kan zetten, zonder met een gammel poortje en een schuurdeur te klooien. Met een dikke sorry aan de vogels, muizen en insecten die tijdelijk hun heil elders moeten zoeken. En aan de buren voor de overlast.

Ik lees: Bèta voor alfa’s van Diederik Jekel. En het studieboek Participatieverhalen. In beiden ben ik al heel lang bezig. Deels doordat ik tussendoor twee boeken las van Arnaldur Indridason. Moord en doodslag waarbij mijn hersenen niet zo hard hoeven te werken.

Ik luister: Radio 2, Studio Brussel en Kink. Als ik een cd opzet is het vaak papamuziek. Marillion, De Dijk, Stef Bos.

Ik ben bang voor: de verkiezingsuitslag. De VVD komt al een eeuwigheid overal mee weg. De afbraak van de verzorgingsstaat, de winst-boven-welzijn regeerstijl. Het lijkt er niet op dat het onvermogen om te compenseren voor de aardbevingsschade in Groningen of hetzelfde onvermogen in de toeslagenaffaire strafpunten oplevert. En als er al eens iemand van de VVD moet wieberen, zoals Van Haga, dan vindt zo’n engerd wel weer ergens anders onderdak waar hij of zij nog steeds invloed uitoefent. En ja, bij de afbraak van de verzorgingsstaat en alles wat mis ging in de participatiesamenleving stonden ook linkse partijen te kijken. Maar zij worden daar doorgaans wel voor gestraft. Wilders en Baudet blijven onzin verkondigen en blijven (digitaal) volle zalen trekken. En ondertussen heb ik nog geen flauw idee waar mijn stem naartoe gaat.

Hoe gaat het met jou? Waar ben je bang voor en waar kijk je naar uit?

Hoe een meisje dat doorgaans stevig in haar schoenen staat geen nee durft te zeggen tegen totaal irrelevante voorstellen

 

Ik heb professionele hulp nodig. Denk ik. Vannacht sliep ik er zelfs slecht van. Drie afleveringen van een spannende serie, haalden mijn hoofd niet uit de maalstand.

“Nee, geen interesse en wilt u voortaan alstublieft geen contact meer met mij opnemen.”

Waarom kan ik die zin bijna nooit uitspreken?

Neem gisteravond. Iemand aan de deur die een Ziggo-aanbieding wil doen. In plaats van bovenstaande zin vlot uit mijn mond te laten rollen, begin ik te vertellen dat ik geen idee heb wat voor abonnement we hebben, omdat de leuke jongen uit de trein daarover gaat (ik noemde hem in dit gesprek niet zo, haha). Dat ik alleen maar weet dat we extra sportpakketten hebben. Dat ik denk dat mijn lief tevreden is met ons huidige abonnement, maar dat hij helaas nu niet thuis is dus ik kan het hem niet vragen.

Waarom vertel ik dat allemaal? Het is niet dat het die jongen aan de deur iets aangaat. Een simpel ‘nee, dankjewel’ was voldoende.

“Oh, dan kom ik misschien nog een andere keer terug als hij er wel is”, reageert de jongen.

En alweer zeg ik niet wat ik moet zeggen. Ik vertel alleen dat ik hem weinig kans geef op het afsluiten van een ander abonnement.

Waarom zeg ik niet gewoon kort en duidelijk dat hij niet meer terug hoeft te komen? Nu is de kans groot dat hij deze week nog eens aan de deur staat. Ik weet hoe volhardend deze types zijn en hoe ver ze gaan voor hun commissie.

Gisteravond beging ik echt niet mijn domste actie. Al die keren dat ik vriendelijk bleef tegen die mensen die me telefonisch lastigvallen omdat ik nu eenmaal sta ingeschreven bij de KvK. Zelfs als ze ronduit brutaal waren of overduidelijk een poging deden om me op te lichten. Al die keren dat ik welwillend iets in de collectebus liet vallen van het meisje of de jongen die aan de deur stond, ook als het doel me totaal niet aansprak.

Drie keer per jaar op vakantie, tuurlijk joh

Een keer heb ik me bijna een of ander reisabonnement aan laten smeren. Het sloeg helemaal nergens op, want het kostte iets van € 300 per jaar om vervolgens een bepaald percentage korting te krijgen op reizen die ik dan ook nog alleen kon boeken via de organisatie van de beller. Het was pas lucratief als je minimaal drie keer per jaar op vakantie ging. Zelfs pre-corona was dat geen haalbare kaart. Bovendien vond ik de meeste bestemmingen die ze aanboden niet eens interessant. Waarom ik toch bijna ja had gezegd? Joost mag het weten.

Ja joh, kom maar langs

Ook heb ik ooit een afspraak gepland met iemand die vrijblijvend langs zou komen voor weet ik veel wat voor energieaanbieding. Het kostte vervolgens knetter veel moeite om die afspraak alsnog af te zeggen. Want natuurlijk wist ik al lang dat ik geen ander energiecontract nodig had. En ik was bang dat ik mijn handtekening ergens onder zou zetten als ik de afspraak liet doorgaan.

Zakelijk kan ik het wél (eindelijk)

Het enige vlak waarop ik vooruitgang heb geboekt, is bij het vasthouden aan mijn zakelijke uurtarief. Ontelbare keren en jarenlang heb ik werk aangenomen voor veel minder dan mijn “normale” prijs. En neem die keren dat ik al riep dat ik wel iets van mijn uurprijs af kon doen als het een grote of een terugkerende opdracht was, nog voordat de klant daar zelf over begon. Dat doe ik niet meer. Ik wijk nog wel eens van mijn prijs af, als het bijvoorbeeld voor een goed doel is, of als ik al weet dat er ergens niet veel budget is en ik het wel een hele leuke opdracht vind. Maar ik kan zakelijk gezien inmiddels nee zeggen tegen opdrachten die te weinig opleveren.

Het ligt niet aan mijn opvoeding

Buiten Lieke Schrijft ben ik dus een slappe zak, een vriendelijke softie, een angsthaas met telefoonpaniek. Ik weet niet waar het vandaan komt. Ik ben niet zo opgevoed. Dat we voor onszelf op moesten komen, was één van de dingen die we van huis uit meekregen. Dat het niet erg is om af en toe nee te zeggen en dat je niets tegen je zin moet doen, behalve naar school gaan en naar je ouders luisteren.

Herkent iemand wat ik schrijf bij zichzelf of een ander? Bestaat er een therapie die deze stoornis verhelpt?