Drie vaders

Drie weken. Drie vaders. Van drie mooie vrouwen.
Drie vaders die stopten met leven.

Ik weet niet hoe zij zich voelen. Ik vraag het wel, maar weet dat het antwoord moeilijk te geven is. Iedereen rouwt op een eigen manier. En verwoordt het anders.

Een aantal dingen zijn universeel. En van alle tijden.

De mensen die zich geen houding weten te geven. De mensen die niet durven te vragen hoe het met je gaat. En dat heus niet slecht bedoelen. De mensen die je niet mee naar een feestje vragen, omdat ze voor jou denken dat je daar nog niet aan toe bent. Een hork of twee, die over een tijdje vindt dat je lang genoeg verdriet hebt gehad. “Je maakt vlekken met je mascara.” Of de muts die gaat vergelijken met ander verdriet.

Na de crematie van mijn vader hebben mijn huisgenoten er met geen woord meer over gerept. Niemand vroeg hoe het met me was. Op de eerste sterfdag van mijn papa schreef ik in ons beruchte ‘wc-schrift’: “Bedankt voor de steun het afgelopen jaar.” Ik was boos toen ik dat schreef. Teleurgesteld. Want ik voelde maar weinig steun. Terwijl ik vlak voor het overlijden van papa dezelfde fout had gemaakt, toen het broertje van een ex-huisgenoot stierf bij een verkeersongeluk.

Het wakker worden met de gedachte dat er iets vervelends is gebeurd, maar niet meteen weten wat. Het huilen als het je te binnen schiet. De verbazing dat je toch nog kunt lachen om de flauwe opmerking van een collega. De verbazing dat je toch gewoon in slaap valt aan het eind van de dag.

Ik sliep probleemloos in het bed waarop mijn papa opgebaard had gelegen. Maar dat is misschien heel typisch mij. Slapen is geen probleem, hoe slecht het ook met me gaat. Slapen is alleen ondoenlijk nadat ik wakker ben geworden van een mug of van gesnurk.

Iets lezen, horen of meemaken en dan denken: “Dat moet ik papa straks vertellen”, om je daarna te realiseren dat papa er niet meer is. Ik herinner me dat mama haar moeder wilde bellen om te vertellen dat papa dood was en toen bedacht dat oma eerder dat jaar gestorven was. Dubbele klap. 2002 was bepaald geen jaar om in te lijsten.

Het nadenken over de dood. De liedjes waar je nooit meer met droge ogen naar kunt luisteren. Het telkens opnieuw onbegrijpelijk vinden dat je iemand nooit meer ziet. Iemand die zo vanzelfsprekend in jouw leven was. Vanzelfsprekend als festivals in de zomer. Als handschoenen in de winter. (Geen idee, ik moet aan Winter van Tori Amos denken. I put my hand in my fahter’s glove [..] You have to learn to stand up for yourself, cause I can’t always be around).

Ik had nog heel lang het gevoel dat papa elk moment kon binnenlopen. Zeker als ik in het weekend bij mama was. Ik zag voor me hoe hij door de achterdeur naar binnen kwam. Mama een kus gaf. En doorliep naar het fornuis om de deksel van de pan te tillen zodat hij zich kon verheugen op het eten.

De verbazing hoe het gewone leven weer doorgaat. Bij anderen meer dan bij jou. Hoe er zo veel en tegelijkertijd niets verandert. Je staat gewoon op, want je kinderen moeten naar school. (In het geval van de drie mooie vrouwen waar ik nu over schrijf). Je maakt je bed op, smeert een boterham, doet boodschappen. Dagelijkse handelingen. Op eeuwige herhaling. Ook nu er iemand voor eeuwig weg is uit je leven.