‘Een badjas. Dat is kanonnechill, pik’

Dikke jas, type slaapzak. Te grote jassen voor hun slungelige lijven. Hun hoofden lijken er kleiner door. Skinnie jeans om dunne kuiten. Blote enkels. Grote witte sneakers. Slaperige koppies. Het haar zorgvuldig in model met gel. De ene jongen lijkt nog iets meer kind dan de andere. Kleine haartjes op zijn bovenlip, maar ook ronde wangen met een lichte blos in zijn verder erg witte gezicht. Ze zitten al in de trein als ik in Maastricht instap en hebben het erover dat ze in de zomer naar Lloret de Mar gaan. Ik schat ze een jaar of zestien.

Aan de andere kant van het gangpad, probeer ik een interview voor te bereiden. Ik ben onderweg naar een cursus ‘Interviewen met durf’. Tijdens die cursus moet ik iemand interviewen, iemand waar ik me nog niet in heb verdiept. Dus nu is het moment. (Les 1: bereid een interview goed voor). In plaats daarvan laat ik me afleiden door het tweetal. Ze praten niet eens heel hard, maar de inhoud van hun gesprek is té grappig om niet te luisteren. Ze zijn van hun plannen voor de zomervakantie aangekomen bij hun wensen voor deze winter. Ze vertellen elkaar wat ze willen hebben met Sinterklaas.

“Ik wil een badjas.”
“Wat moet je daar nou mee?”
“Dat is zó chill.”
“Man, ik kleed me gewoon aan als ik opsta.”
“Nee joh, zo’n badjas is lekker zacht. Fucking chill. En ik wil sloffen. Dat is kanonnechill, pik.”

Ik maak aantekeningen en probeer om niet hardop te lachen. Ik vind het schattig, dit gesprek. Het stoere op weg zijn naar volwassenheid en het verlangen naar een zachte badjas.

“Weet je, als mijn wekker gaat, blijf ik altijd nog een kwartier liggen.”
“Dat mag ik niet van mijn moeder. Die wil niet mijn wekker horen en dat ik dan niet opsta.”

In Eindhoven stappen ze uit. Ik vind het jammer. Voor de voorbereiding van mijn interview is het goed. Nog anderhalf uur de tijd.

Goud is voor winnaars

In elke dag zit goud verstopt
Het zit in kleine dingen
Vers brood en dan vooral het korstje
In de auto luidkeels zingen

Het zit in mooie luchten
En wat zijn er dat deze nazomer veel
In dauwdruppels op een bloem
En dromen van een luchtkasteel

Samen lunchen met collega’s
De tevreden klant met haar compliment
De vriendin die voor me kookt vandaag
Wat ben ik toch eigenlijk verwend

In elke dag zit goud verstopt
Als je maar goed kijkt
Als je vaker stilstaat
Is de wereld mooier dan ie lijkt

Ik ben in een sentimentele bui. Blijkbaar krijg ik daar rijmelarij of rijmelarits van 😀

Stress omdat ik weer net te vaak ja zei tegen een opdracht. Stress om die deadline van vandaag in combinatie met de aandachtsspanne van een peuter.

Boos (op mezelf uiteraard) omdat ik dit weekend waarschijnlijk nog ergens een paar uur moet werken, terwijl het prachtig zomerweer wordt (wat eigenlijk niet kan kloppen, maar dat is een ander verhaal).

Verdrietig omdat het beter met mij gaat, maar met sommige mensen om mij heen juist niet. En die mensen krijg ik niet uit mijn hoofd.

Trots omdat ik het – ondanks knetterveel deadlines en 40+ urige werkweken – redelijk goed volhoud om gezonder én minder te eten.

Blij met heel veel lieve mensen om mij heen. En blij dat ik iedere ochtend de tijd neem voor een wandeling. De natuur trakteert mij tijdens die wandelingen regelmatig op goud. En goud is voor winnaars!

Therapie #3

“Maar heb je dat ooit wél gedaan, met een partner gepraat?”, vroeg de therapeut toen ik vertelde dat ik het nog steeds zo moeilijk vind om met de leuke jongen uit de trein over zorgen en gevoelens te praten.
“Nee, ik besprak wel eens iets met vriendinnen, maar nooit met vriendjes.”
“Thuis praatten jullie ook niet over gevoelens, vertelde je. Dus dat heb je nooit geleerd.”
“Oh ja.”

Ik merk dat ik het ‘valt wel mee’, ‘schiet eens op’ en ‘stel je niet aan’ uit mijn jeugd gemakkelijk overneem. Dat ik bijvoorbeeld bij mijn lieve nichtje A snel de neiging heb zo’n opmerking te maken, als ze – in mijn ogen – zeurt of huilt om niets. Terwijl ik natuurlijk ook gewoon kan proberen haar te troosten.

Ik heb een hele liefdevolle opvoeding gehad. Kom uit een thuis waar iedereen altijd welkom was. Een thuis waar veel werd gelachen. Maar het was ook een thuis van niet lullen maar poetsen. Van vallen, opstaan en weer doorgaan. Ik heb er veel van geleerd, ben er geen slechter mens van geworden. Alleen is het niet altijd handig of lief om met mijn grote voeten zo over de gevoelens van een ander heen te lopen.

En tegelijkertijd. Er zijn ook volwassen dramabouwers en aandachtvragers die helemaal opleven als ze hun leed met je delen. Als jij net iets persoonlijks hebt verteld waar je echt verdrietig om bent, hebben zij altijd iets meegemaakt wat minstens even erg is. (Terminaal konijn!) Met dat soort mensen zal ik nooit leren omgaan. En daar gaat geen therapie bij helpen.

Foto door Pixabay

Vat vol tegenstrijdigheden

* Ik hou enorm van gezelligheid. Als iemand ‘borrel’ zegt, ben ik eerder uitgerukt dan de brandweer. Hoe meer mensen er komen eten, hoe gezelliger. Hoe langer we natafelen, hoe beter. En op een festival kan het niet druk genoeg zijn. Maar ik heb mijn tijd alleen ook echt nodig. Met mijn weekje in Nice en mijn dag in Split eerder dit jaar als hoogtepunten.

* Ik geniet intens van kleine dingen: de eerste bloem aan de Newbiscus, wakker worden en zien dat de zon schijnt, de koffie die ‘kantoorgenoot’ R voor mij zet. Ik ben enorm blij als ik kan klooien in de tuin. Lach hardop om de mussen die het vogelvoer aanvallen. Kan er nog uren op teren als ik tijdens mijn wandeling een specht of een vos zag.

Maar ik voel me soms ook hartstikke somber of verdrietig. Dan jank ik werkelijk om alles. De eerste toon van een liedje is al genoeg. Of een veter die afbreekt. En dan ben ik weer boos op mezelf, want ik heb toch alles om gelukkig te zijn? Huisje, boompje, nog geen beestje, maar je snapt wat ik bedoel.

* Ik ben fanatiek. Fanatiek met zwemmen en wandelen. Op werkdagen dat ik de pieper niet heb, begin ik de dag met een wandeling van minimaal 40 minuten. Vanmorgen was ik maar net op tijd thuis voor mijn eerste Teams-gesprek van de dag, omdat ik nog een extra lus aan mijn ommetje knoopte. In het zwembad op woensdagochtend raak ik vaak de tel kwijt, maar ik zwem redelijk door. Dankzij vriendin M die wél telt, weet ik dat ik ongeveer 45 baantjes trek als zij er 60 trekt. Zij heeft de juiste techniek om echt hard te zwemmen, ik schoolslag mij een slag in de rondte. Ik sleep mezelf regelmatig naar de sportschool, ook als ik geen zin heb en niemand meegaat. Voor minder dan een uur op die stomme apparaten doe ik het niet. En waar ik kan dansen, doe ik dat ook (mijn stappenteller ging op hol vrijdagavond bij K’s Choice en gisteravond bij Bruis, haha). Na een hele dag binnen, komen de muren op me af.

Tegelijkertijd ben ik niet vies van bankhangen met een boek of krant en een kop koffie. Ook voor genadeloos lang uitslapen draai ik mijn hand niet om.

* Ik ben heel spontaan. Ik ben royaal met knuffels en zoenen en strooi met uitnodigingen om af te spreken. ‘Ik zit op dit terras, kom je erbij?’ Ik praat iedere dag met ontzettend veel mensen. En roep al ‘ja’ op een opdracht voor ik me er goed en wel in heb verdiept.

Tegelijkertijd ben ik heel onzeker. Praten over koetjes en kalfjes vind ik soms moeilijk. Ik ben beter in mijn element als er grote vraagstukken op tafel liggen. En hoe veel bewijs ik ook krijg dat mensen me aardig vinden, ik ben regelmatig overtuigd van het tegendeel. Als ik ergens ben en iemand vraagt ‘Waar is de leuke jongen uit de trein?’, is mijn eerste gedachte vaak dat die iemand hem dus liever ziet dan mij.

* Ik straal graag en in de juiste omstandigheden gaat me dat gemakkelijk af. Mijn kledingkeuze helpt daar enorm bij. Gisteren in één van mijn lievelingsjurkjes, met badeendjes in mijn oren (de roze dit keer) en een paars hoedje op, was het blijkbaar duidelijk. Ik zat goed in mijn vel, mede dankzij vriendin M waarmee ik de grootste lol had en dankzij de fijne muziek op het festival. Ik kreeg complimenten en straalde nog harder. Ik wil me graag gezien voelen.

Maar als ik word gezien, ben ik bang om op m’n bek te gaan. Dat geldt ook voor mijn werk. Ik weet dat ik daar goed in ben. Maar als er een opdracht binnenkomt ‘omdat het mijn specialiteit is’, ben ik toch bang om door de mand te vallen.

Ik ben benieuwd. Wat is is jouw grootste tegenstrijdigheid?

Therapie #2

Te veel werk, chaos, vergeetachtigheid, nee zeggen, een manier vinden om te onthouden wat ik ook alweer aan het doen was, de ene taak afronden voor ik aan de andere begin, focus houden, beter plannen, tarieven aanpassen. Daar hadden we het vanmorgen over in mijn therapiesessie. De reden om in therapie te gaan, was immers – in eerste instantie – dikke, vette werkstress en alles wat daar aan vast hangt.

“Lieke, heel georganiseerd en planmatig ga je nooit worden. Een beetje chaos hoort bij jou, net als impulsief en spontaan zijn. Je bent creatief en creatieve mensen passen niet in hokjes. Dat moet je ook niet willen, dat maakt jou juist zo leuk.” Aldus mijn therapeut. Waarna ze zich haastte om te zeggen dat dat natuurlijk niet het enige is dat mij leuk maakt.

Het gaat beter dan dat het ging, maar het is nog niet zoals het was of hoe het volgens mijn gevoel moet zijn. Het komt té vaak voor dat ik mijn agenda open klik en niet meer weet wat ik ging opzoeken of dat ik aan het eind van de werkdag een e-mail bij de concepten zie staan omdat ik vergat op verzenden te klikken.

Wat ik kan doen om me beter te concentreren, weet ik natuurlijk al lang. Ik kon het lijstje zo opnoemen:
– Maak een lijstje 😉
– Doe 1 ding tegelijk.
– Zet alle notificaties uit.
– Verdeel je tijd in blokken: plan bijvoorbeeld een uur waarin je alleen je e-mails beantwoordt en plan een uur om door je sociale media te scrollen.
– Stel prioriteiten.
– Neem regelmatig pauze en ga dan liefst naar buiten.

“Ja dat helpt allemaal. Maar weet je, jij moet eerst eens helemaal afschakelen. De cortisol naar beneden. Wedden dat je daarna een stuk minder vergeet?”

Nog even volhouden tot 12 september dus 😀

Dit is de korte samenvatting van een sessie van bijna anderhalf uur. Natuurlijk ging het gesprek veel dieper. Soms brandde er een traan en had ik geen idee waarom. Niet alleen haar vragen, ook haar complimenten raken blijkbaar mijn emoties. Toch was het fijn. Na mijn vakantie staat er nog 1 afspraak. Ik ben benieuwd hoe het dan met me gaat.

Therapie

Ze hoefde het woord ‘vader’ maar te noemen en ik begon te huilen. En mijn vader kwam héél vaak voorbij vanmorgen.

Na de intake – door familieomstandigheden van haar al zes weken geleden – had ik vandaag mijn eerste echte therapiesessie. “De rondjes zijn de vrouwen, de vierkanten zijn de mannen, de inkeping is de kijkrichting. Leg je gezin neer zoals het vroeger was.”

Legde ik mijn ouders naast elkaar, want altijd op één lijn waar het hun kinderen betrof, of tegenover elkaar, omdat ze ook zo veel van elkaar verschilden? En wat deed ik met mijn broertje, waar ik nog niet echt een band mee had toen we nog allemaal thuis woonden, maar later wel toen hij als veertienjarige bij mij bleef logeren en met mijn vrienden mee op stap mocht?

Ik raakte af en toe gefrustreerd. Als zij vroeg ‘maar hoe was dat dan?’ of ‘spraken jullie daarover?’ en ik me dat niet meer kon herinneren. En dan huilde ik weer. Soms zo hard dat ik niet meer kon praten.

Split, Kroatië

Wat doe ik hier?

De aanleiding om in therapie te gaan, was dat mijn lichaam én mijn hoofd aangaven dat ik niet goed bezig was in combinatie met de bezorgde blik van de leuke jongen uit de trein. De flitsen voor mijn ogen. De hartkloppingen. De vermoeidheid. De vergeetachtigheid. Misselijk. Warrig. Chaos. Zo’n drie keer per dag ergens staan en niet meer weten wat ik er ging doen. E-mails waarvan ik dacht dat ik ze verstuurd had, die een dag later nog bij mijn concepten stonden. Afspraken die mijn agenda nooit haalden. Vaak moest ik mijn improvisatietalent aanwenden om niet door de mand te vallen. “Nee hoor, ik was het niet vergeten.”

Dat gaat allemaal beter. Chaos houd ik altijd, zo zit ik nu eenmaal in elkaar, maar het is een stuk minder. De flitsen en de hartkloppingen heb ik al een paar weken niet meer gehad. Ik heb iets meer energie, al houdt het nog niet over. Misselijk was ik toen ik vorige week in Split na het royale voor- en het hoofdgerecht ook nog aan het dessert begon: een stuk chocoladetaart. Een heel ander soort misselijkheid dan de knoop die de afgelopen tijd zo vaak in mijn maag lag.

Het kwam vooral door de enorme hoevelheid werk dat het niet goed met me ging, had ik bedacht. En dat is er zeker een onderdeel van. Want nu ik ben gestopt met WijLimburg en nu ik weet dat een paar wachtdiensten voor Chemelot van me worden overgenomen, voel ik me beter. Ik heb het gevoel dat ik alles op tijd af kan krijgen wat er nu op mijn bord ligt, zonder in 45-urige werkweken te belanden. Misschien lukt het zelfs in 36 uur en houd ik het eindelijk vol om de woensdagochtend te reserveren voor zwemmen en koffiedrinken.

Blood thicker than mud?

Maar er is natuurlijk veel meer aan de hand. Dat ik geen prater ben (zie vorige blog). Dat ik zo hard mogelijk van conflicten wegvlucht om de confrontatie maar niet aan te gaan. Dat ik een groot talent heb voor het bewaren van de lieve vrede ten koste van mezelf. Dat de leuke jongen uit de trein en ik soms zo boos zijn op elkaar, om niks, of niet veel. Dat ik terugkijk op een fijne jeugd, maar het mis om hechte familiebanden te hebben.

Je vrienden zoek je uit en ik houd ontzettend veel van mijn vrienden. Als er met iemand iets is, laat ik alles uit mijn handen vallen om er voor hem of haar te zijn en andersom. En hoe leuk was het dat ik gisteren zomaar ineens in Kerkdriel zat en aan tafel schoof bij het mooie gezin van studievriendin A? Het was genieten. Maar als ik terugdenk aan het feest dat de leuke jongen uit de trein en ik begin 2019 gaven en waar bijna niemand van mijn familie was, doet dat nog steeds een beetje pijn. Terwijl het een fantastisch feest was dat ik voor geen goud had willen missen.

Als ik rondloop op een familiedag van zijn familie (twee weken geleden), zelfs als ik rondloop op een super verdrietige crematie in zijn familie (afgelopen woensdag) dan voel ik zo veel warmte. Nichten en neven die ook vrienden van elkaar zijn. Zwagers die wekelijks met elkaar kaarten. Zussen die ieder jaar samen oud & nieuw vieren. Nichten, neven en tantes die op elkaars kinderen passen. Elkaars hond uitlaten. Elkaars planten water geven. De jaarlijkse ‘wedloop’ wie het eerst de stekjes van mijn schoonvader aan het bloeien heeft. Terwijl ik me nauwelijks kan herinneren wanneer ik mijn ooms en tantes voor het laatst zag om over nichten en neven maar helemaal te zwijgen.

De familiedag aan mijn mama’s kant sneuvelde een paar jaar geleden en niemand voelde zich geroepen er nieuw leven in te blazen. Met de familie van mijn papa heb ik ook nauwelijks contact, terwijl zijn zus de enige nog levende persoon is die mijn papa haar hele leven heeft gekend. Ik zou haar zo veel kunnen vragen… Willen vragen…

Trauma

Therapie dus. Anderhalf uur lang peuterde zij in mijn familiewonden en in het trauma dat het plotselinge overlijden van mijn papa heeft veroorzaakt. Het is voor het eerst dat ik het zo noem. Trauma.

Als je er 19,5 jaar later anderhalf uur om huilt, zal het dat wel zijn.

Onverwerkt.

Trauma.

Iedereen wil luisteren, maar dan moet je wel iets vertellen

Het heeft er geen f*ck mee te maken dat niemand luistert.

Mijn papa en mama vertelden altijd dat we ze alles konden vertellen. Dat alles bespreekbaar was. En ik wist dat ze het meenden. Maar ik praatte niet. Niet echt. Niet met mijn ouders, niet met mijn vrienden, niet met mijn partner. Als ik echt ergens mee zat, schreef ik het in mijn dagboek.

De Lieke-manier

Dus schreef ik over het vriendje dat helemaal niet in mij geïnteresseerd bleek, maar alleen seks wilde. En me – toen ik niet snel genoeg meewerkte – inruilde voor een meisje dat ouder en meer ervaren was. Over de vriendin die niet meer naar me omkeek en zelfs mijn verjaardag vergat toen ze een vriendje had. Over mijn ‘vlucht’ naar die camping in Zuid-Frankrijk omdat ik niet wist wat ik met mijn toenmalige relatie aan moest. Het baanaanbod dat er op dat moment ook lag om twee maanden voor de economieredactie van De Limburger te schrijven. Wat rationeel gezien de betere optie zou zijn. En waar ik dus nee tegen zei. Ik besliste zulke dingen wel even zelf. Op de impulsieve Lieke-manier. Niet nadenken maar doen, dat kan ik goed. Nee zeggen op dat huwelijksaanzoek die zomer en daarmee de relatie om zeep helpen, in plaats van bespreken dat die vraag voor mij totaal onverwacht kwam, en dat ik niet voor niets op die camping in Zuid-Frankrijk zat.

Niet te diep

Uren bellen met mijn beste vriendin over welk jurkje we naar dansles aan zouden trekken, of naar een feestje. Dat wel. Wat voor cadeautje we voor jarige vrienden zouden kopen, wat we in het weekend gingen doen, dat we iets niet mochten van onze ouders, of dat we de ouders van sommige vrienden zo raar vonden. Dat we een bepaalde jongen leuk vonden ook nog wel. Heel misschien dat we ergens onzeker over waren. Maar we doken niet te diep onder de oppervlakte.

Een mededeling (geen vraag, geen overleg)

Fast forward naar 20 jaar later. “Niet samenwonen, niet trouwen, geen kinderen.” Ik wist het zeker op het moment dat ik dat tegen de leuke jongen uit de trein riep. Tot het uit praktische overwegingen toch verdomd handig was om wel te gaan samenwonen. En ik natuurlijk ook al lang had bedacht dat we het heel leuk hadden samen, ook al zagen we elkaar meestal alleen in het weekend. In het weekend moesten we zo veel – zeker als ik naar Maastricht kwam – dat we te weinig tijd hadden voor elkaar. Maar dat werd dus een mededeling: “Ik kom over een paar weken definitief terug naar Maastricht, jouw appartement is te klein, dus we moeten even iets voor ons samen zoeken.”

Handenbinder, geldverslinder… Of?

Het moment dat mijn totale aversie tegen baby’s (wat moet je ermee, hulpeloze wezens, handenbinders, geldverslinders en de wereld is al overbevolkt genoeg) omsloeg naar twijfel, deelde ik niet. Ik schrok ervan. In stilte. Een huilende baby ging me altijd op mijn wekker, ik kon dat geluid niet horen zonder onwijs slechte zin te krijgen. En als ik een peuter zag stampvoeten in de supermarkt dacht ik: “Dit nooit!” (En dat lijkt me nog steeds een hel). Tot ineens soms het gevoel naar boven kwam dat ik een huilende baby best wilde troosten. Tot ik mezelf soms, als ik iets heel grappigs meemaakte of juist iets heel stoms deed, betrapte op de gedachte: “Dit is een leuke anekdote/wijze les om later aan mijn kind te vertellen.” Tot ik merkte dat ik een vertederde blik in een willekeurige kinderwagen wierp.

Dus dropte ik na een tijdje de bom: “Ik wil misschien toch een kind.” Een mededeling zonder uitleg. Het was een gevoel. Een gevoel dat ik niet kon verworden. Rationeel gezien leek (en lijkt) het me nog steeds helemaal niet handig om een kind te hebben. In mijn totaal ongeorganiseerde en spontane leven dat van laatste moment beslissingen aan elkaar hangt. “Oh ik moet voor een opdracht daar en daar heen, even bellen of die en die thuis is, kunnen we misschien samen eten, hee kijk een vogel! … Oh wacht, ik heb nog ergens een kind bij de opvang.”

De leuke jongen uit de trein had zich er al lang bij neergelegd dat er geen kinderen zouden komen en had daar inmiddels vrede mee. Sterker nog, hij weet het inmiddels hartstikke zeker. Het gesprek waarom hij juist wél graag kinderen wilde, wat in het begin van onze relatie dus zo was, hebben we nooit gevoerd. Waarschijnlijk omdat ik zo stellig was in mijn anti zijn. De pogingen om te bespreken waarom ik het een aantal jaar later wél wilde, bleven pogingen. “Het is een gevoel.”

Niet nadenken is genieten

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Over dingen die gebeurden en waar ik iets van vond. Of iets bij voelde. Opmerkingen die ik liet passeren. Voorvallen waar ik lekker zelf op ging zitten broeden. Of die ik wegstopte om er niet meer over na te denken. Wat ook een vorm van genieten is, dat wel. Want dat ik in mijn weekje Nice nauwelijks verder dacht dan welke hoek ik om zou slaan, daar werd ik ontzettend blij van. Ik kwam serieus een stuk uitgeruster thuis dan dat ik vertrok.

Niet praten is, ehm… mijn default setting

Maar dat niet praten… Het zou wel eens een belangrijke bijdrage kunnen zijn aan de staat waarin ik mij bevind, de staat van onrust, chaos en vergeetachtigheid. Natuurlijk in combinatie met het ‘simpele’ feit dat ik veel te veel opdrachten heb aangenomen en me ook verantwoordelijk voel voor een hoop vrijwilligerswerk omdat ik de goede doelen erachter zo mooi vind. Hoe vaak ik ondertussen ook denk: “Ik lijk wel gek dat ik dit nu zit te doen, terwijl ik ook nog dat en dat en dat moet doen.”

Dus prik maar, duw maar, trek maar. Leg je vinger op de zere plek (ook al heb ik je nooit verteld waar het pijn doet). Rammel aan me, schud me door elkaar. Vraag door zoals ik dat zelf in interviews doe. Stel dezelfde vraag op een andere manier. Misschien huil ik, maar daar hoef je niet van te schrikken. Por me, steek me, sleur het uit me. Zet die knijpvingertjes waar mijn papa me soms mee de trap op joeg gerust in mijn nek. Ik denk dat het goed voor me is.

Maar niet altijd.

Soms.

Moeten we in stilte een wijntje drinken.

Of besluiten dat we er verdomd leuk uit zien in dat ene jurkje.

Alleen op reis

“Hee, ik heb jou ook al een paar keer heen en weer zien lopen. Moet jij ook naar Monaco?” De lange blonde jongen kijkt me hoopvol aan. “Nee, de stad in met bus 12, maar die vind ik nergens. Ik heb net wel een Flixbus gezien, misschien gaat die naar Monaco?” “Nee, ik hoorde net dat de laatste bus om 8 uur is vertrokken. “Oei, succes!” “Ja, jij ook.”

Waarom vind ik op reis gaan leuk? Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk? Ik heb het organisatietalent van een driejarige, maar dan zonder het schattige koppie waarmee je toch alles gedaan krijgt. Het richtingsgevoel van een baksteen. En handig ben ik ook al niet.

Hoe ver kan het zijn?

Ik moest dus bus 12 hebben, uitstappen bij het ziekenhuis, dan een klein stukje lopen. Zo had ik thuis opgezocht voor vertrek. Die bus zou rond 22.00 uur voor het laatst rijden, ruim na mijn landing. Op het vliegveld stond het busstation keurig aangegeven. Daar was geen bus 12. Daar waren ook geen bordjes waarop een 12 stond. Het hoogste getal was 10. Ik liep een paar keer heen en weer. Was er aan de andere kant van het vliegveld misschien nog een busstation? Er was niemand bij de bussen, dus ik vroeg naar bus 12 aan mensen die op de tram stonden te wachten. Zij hadden geen idee. Ik vroeg het nog eens aan iemand in het vliegveld. ‘Je ne sais pas.’

Bus 12 vond ik niet. Ik gaf het op. Ik nam een (veel te dure) taxi. Ik had de taxichauffeur al 3 x gezegd dat ik op Avenue Aimée Martin 39 BIS moest zijn. Dat BIS bleek hij telkens niet te verstaan en toen hij bij 39 stopte, dacht ik ‘Ach, hoe ver kan het zijn?’. Nou… In een straat die in een soort U-vorm loopt en alleen bestaat uit enorme, ommuurde appartementencomplexen, kunnen de nummers 39 en 39 BIS zo’n 500 meter uit elkaar liggen en niet eens aan dezelfde kant van de weg. Dus op zoek in het donker. Aan de enige levende ziel op straat vroeg ik of ze wist hoe de huisnummers liepen. Ze had geen idee en wees in de richting waar ik net vandaan kwam. ‘Je ne sais pas’ leken de meest memorabele en meest gehoorde woorden van mijn week in Nice te worden.

Donker

Het volgende obstakel diende zich aan. Ik had extra geld betaald omdat ik na 20 uur aankwam en de congiërge dus langer moest blijven. Er was desondanks niemand te bekennen om me binnen te laten. De congiërge stuurde een filmpje waar ik het zakje met de sleutels uit de struiken moest vissen. Ik vond de sleutels én de juiste ingang tot het enorme complex, om in een knetterdonkere hal te belanden. Wie mij kent weet hoe nachtblind ik ben, dus ik durfde me niet te bewegen. Voor hetzelfde geld staat er ergens een plantenbak. Lang leven mijn mobiele telefoon met zaklampfunctie. Met een een doodenge, schokkerige lift waarvan ik me afvroeg of iemand me zou horen als ie vast zou blijven hangen, ging ik naar de tweede verdieping. Ik had liever met de trap gewild, maar de deur naar het trappenhuis kon ik zo snel niet vinden.

Er zou een sticker met de naam van de verhuurmaatschappij op de deur van mijn appartement zitten. Met mijn telefoon als zaklamp en met mijn rollende rolkoffertje dat in de lege gang van de tweede verdieping klonk als een helikopter, schuifelde ik langs alle deuren. Tot een vrouw haar hoofd om de hoek stak en wees waar ik moest zijn. “C’est celui!” “Merci.” De enige woorden die ik met iemand in het complex heb gewisseld. Ik zag er een week lang niemand. Alleen de boodschappentas die soms wel en soms niet voor één van de deuren stond, impliceerde dat er in minstens één van de appartementen iemand woonde.

Dorst

Natuurlijk had ik niets te eten of drinken bij me, maar ik ging ervan uit dat de basics wel aanwezig waren in het appartement. Dat ik op zijn minst een kop thee kon zetten. Niet dus. Wel een waterkoker, maar geen theezakjes. Wel een koffiezetapparaat, maar geen koffie of koffiefilters. Ik had geen zin om in het donker op zoek te gaan naar een winkel, ik had mijn portie donker wel gehad. Ik kroop in bed na een glas kraanwater, dat in Frankrijk niet half zo lekker is als bij ons. Een fantastisch bed met heerlijke kussens, dat dan weer wel.

De volgende ochtend was ik vroeg wakker, super uitgeslapen, vol energie én hongerig. Snel onder de douche. Waar ik met mijn ogen dicht stond te genieten van de knetterharde straal (want ik hoef de douchewand niet af te drogen, zoals thuis wel elke ochtend het geval is). Toen ik mijn ogen weer open deed, bleek de complete badkamer overstroomd. De glazen wand die het bad afsloot, had zijn taak niet erg serieus genomen. Nu was ik zéker toe aan koffie. En ik moest opschieten met op en neer gaan naar de supermarkt, want om 9 uur had ik de eerste vergadering via Teams en daarna moest ik op zoek naar ondernemersverhalen voor WijLimburg. Al snel had ik de tweede overstroming van de dag te pakken: het bakje van de koffiefilter bleek verstopt.

Mijn eerste werkdag was begonnen…

Nice: kleurrijke, levendige stad

Waarom vind ik op reis gaan leuk? En waarom Nice?

Om alles wat na het ongelukkige begin kwam. Ik stond knettervroeg op om te werken zodat ik ook op tijd kon stoppen om op ontdekking te gaan. En ik werd niet moe van dat vroege opstaan.

Om het prachtige uitzicht vanaf mijn balkon. Uitzicht op de bananenbomen op het balkon onder dat van mij. Op de palmbomen in de gezamenlijke tuin. Op de zee, in de verte, maar toch duidelijk zichtbaar. Als je dan toch ergens moet werken, is dit de perfecte plek. Die luxe heb je als zzp’er.

Om de mooie wandeling die ik moest maken om de berg af te komen en zelfs om de wandeling terug naar boven, die absoluut niet meeviel. De eerste keer stond ik te hijgen als een sledehond.

Om het kijken naar de azuurblauwe zee met de bergen in je rug. Golven blijven toch iets magisch.

Om de prachtige stad met zijn gele gebouwen, groene luiken, overdadige ornamenten. De pompeuze musea. De was aan de balkons. De bloemen in alle kleuren. De citroen- en sinaasappelbomen in de voortuintjes. De muziek door de openstaande ramen.

Om de vele parken en speelpleintjes. Ik hoefde nooit lang te zoeken waar ik mijn lunch zou eten, want om iedere derde hoek lag wel een keurig onderhouden park vol weelderig groen.

Om de lokale keuken. Uiteraard om de keuken. Want lekker eten is altijd een goed idee. Vers stokbrood en croissantjes. Verse vis. Alle typische streekgerechten: salade niçoise, socca en pissaladière (daar kan nooit te veel ansjovis op zitten). Maar ook de vele zalige zoetigheid uit de Noord-Afrikaanse winkeltjes. Tijdens de ramadan zijn de stapels chebakia overal torenhoog. Gunstige bijkomstigheid in Nice: uiteten hoeft niet duurder te zijn dan boodschappen doen. Op de meest toeristische plek waar ik zat, had ik een voor- en hoofdgerecht, wijn en koffie voor 32 euro.

Om de levendigheid. Dansers en muzikanten op straat. Jongeren (en een enkele oudere) die stunts oefenen op skateboards, skeelers, eenwielers. Jongeren met hun drankjes op het strand. Ouderen met hun krasloten op de terrassen van de Bar Tabac.

Om mijn geliefde taal te kunnen spreken en te merken dat ik die nog steeds redelijk onder de knie heb.

Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk?

Omdat het heel rustgevend is om een tijdje alleen op jezelf aangewezen te zijn. Mijn hoofd was al snel leger dan in de maanden voor mijn vertrek. Ik moet toegeven dat de onbevangenheid die ik op mijn achttiende in Benin en op mijn 22e in Senegal had er wel een beetje af is. Daar stortte ik me zonder nadenken in allerlei avonturen. Nu let ik toch wat meer op. Zijn mijn sleutels veilig weggestopt? Is de rits van mijn tas goed dicht? Ziet dit steegje er misschien iets te donker uit? Wat als die kerel die net naar me siste en ‘Hello madam’ riep me achterna komt?

Alleen eropuit trekken, is ultiem genieten, vind ik. Leven uit mijn koffertje, want waarom zou ik mijn kleren netjes in de kast hangen? Mijn schoenen uitschoppen bij binnenkomst en ze laten liggen waar ze terecht komen. Mijn gedragen kleding over de eerste de beste stoel slingeren. De afwas laten staan tot de laatste dag. Een boek lezen in een café of op een terras. Kletsen met het serverend personeel, dat sowieso geïnteresseerd is in waarom je alleen bent. Niemand die een hartverzakking krijgt of op me vloekt als de pan waarin ik eieren wil bakken met een enorme klap op de grond valt, omdat de steel niet goed vast blijkt te zitten. Dat ik in het appartement aankwam en 1 ei inmiddels kapot bleek te zijn, was ook alleen mijn eigen probleem.

Wijn bij het ontbijt

Met mijn verstand op nul aan een wandeling beginnen en wel zien waar ik uitkom (en dan op een gegeven moment mild in paniek raken omdat ik wel erg ver van huis ben en geen idee meer heb waar dat huis ligt). Trots zijn op mezelf als ik die half gescheurde kurk toch uit de fles krijg. Ongegeneerd wijn nemen bij het ontbijt, want het is zonde dat die fles nog niet leeg is voordat ik vanmiddag terugvlieg. En concluderen dat ie zelfs beter smaakt dan de avond ervoor. Voor me uit staren zonder dat iemand aan me vraagt waar ik aan denk.

En heel eerlijk. Vaak dacht ik maar heel weinig. Of mijn croissantje nog in mijn tas zat. Of ik mijn shirt nog een keer aankon. Dat het niet heel handig was om de zee over mijn schoenen te laten klotsen. Veel dieper ging het niet. Dat had misschien wel gemoeten. Want mijn reis naar Nice was ook bedoeld om erachter te komen waarom het de laatste tijd niet zo goed met me gaat. De dansende letters op het scherm, de ontsteking achter mijn oor, de extreme moeheid waren er natuurlijk niet zomaar.

Moet ik mijn werk anders aanpakken? Moet ik een stagiaire nemen? Moet ik nog energie steken in bepaalde relaties of moet ik gewoon leren omgaan met hoe die relaties nu zijn? Ga ik nog eens in mijn verleden peuteren op zoek naar bepaalde antwoorden, of laat ik het rusten? Voor die vraagstukken moet ik nu dus tijd maken. Gelukkig heb ik in Nice nieuwe (zonne-)energie opgedaan. Ik kan er in ieder geval weer even tegen.

Boos. Blij. Bang.

Boos, blij, bang. Het begint alle drie met dezelfde letter. Ik voel het allemaal tegelijk.

Boos op die gevaarlijke gek van een Poetin die – oh barmhartige samaritaan dat hij is – Oekraïense burgers een vluchtroute naar Rusland biedt. Denazificering. Serieus?!?

Boos omdat het nu ineens allemaal kan. Opvangplekken in iedere veiligheidsregio en zelfs bij mensen thuis. Miljoenen euro’s sorten bij 555. Vluchtelingen ophalen. Asielprocedures overboord gooien. Gratis openbaar vervoer. Met wapperende vlaggen onze solidariteit tonen. Boos dat het al die andere keren niet kon, omdat de mensen niet genoeg op ons leken.

Hoe kijken Syriërs of Afghanen hiernaar? We kunnen moeilijk beweren dat er daar geen oorlog is. En hoe moeten Italië en Griekenland zich hierbij voelen? Europese landen die we iedere keer in hun eigen sop laten gaarkoken als er weer een boot met vluchtelingen arriveert. Want zo zijn de regels, het eerste Europese land waar mensen aankomen, moet het maar uitzoeken. In Griekenland ‘verblijven’ (wonen kan ik het niet noemen) mensen soms al jaren in mensonterende kampen. En als er een kamp afbrandt bouwen we gewoon een nieuw op een nog slechtere plek met nog slechtere omstandigheden.

De Afghanen evacueren die ons leger bijstonden vergaten we voor het gemak, of in ieder geval zou het zo’n vaart wel niet lopen. Pas toen onschuldige burgers al om hun oren werden geschoten, kwamen we in actie. Too little too late. Mijn hart breekt als ik aan de Afghaanse meisjes en vrouwen denk die een paar jaar naar school gingen of werkten en nu weer zijn opgesloten. “Maar misschien zijn de taliban deze keer wat minder wreed dan toen ze de vorige keer aan de macht waren.”

Blij om dezelfde redenen. Dat we het dus wél kunnen: mensen met open armen ontvangen, geld inzamelen, noodhulp leveren, politieke en religieuze verschillen opzij zetten, solidair zijn. Ik zag ontelbaar veel hartverwarmende acties voorbij komen. Kinderen keren hun spaarpot om. Er wapperen ontelbaar veel blauwgele vlaggen. Zo mooi om te zien.

Blij met een hele vieze bijsmaak omdat dit misschien het zetje is dat we nodig hebben om eindelijk onze huizen te isoleren, een extra trui aan te trekken, wat vaker op de fiets te stappen.

Blij dat het ondanks alles gewoon lente wordt.

Bang. Omdat die gevaarlijke gek nog heel veel onvoorspelbare dingen kan doen en hoe dan ook nog heel veel mensen de dood in jaagt. Bang voor de verwoesting. Bang voor de nasleep.

Bang dat we uiteindelijk allemaal gaan lopen klagen over de hoge energieprijzen. Zodat onze principes toch weer overboord gaan. Zodat het niet blijft bij die ene goedkope portie olie die Shell nog van Rusland kocht (“Maar de winst gaat naar Oekraïne!”), maar dat onze politici zwichten voor ons geklaag en de belastingen op brandstof omlaag doen, met vooral het milieu als verliezer. Zo leren we het natuurlijk nooit.

Bang ook dat onze solidariteit met de Oekraïners maar van korte duur is. “Het zijn er toch wel erg veel, en ze blijven toch wel erg lang, en ze pikken onze banen in, en hun eten stinkt, en ze zijn toch wel heel gelovig, en …”

Boos. Blij. Bang.

En verdrietig. Dat ook.

2022 is het jaar van méér boeken

Volgens Good Reads las ik twaalf boeken in 2021. Valt me tegen. Ja, ik had het druk, veel drukker dan in 2020, maar het ritueel van lezen voor het slapengaan ging niet verloren. Daar zat soms een tijdschrift tussen in plaats van een boek, maar dan nog. Twaalf boeken, één boek per maand, 3.507 pagina’s. Een magere score voor mijn doen.

Het dunste boek dat ik in 2021 las, was Slot van Octavie Wolters met 119 pagina’s. Het dikste exemplaar, Slachtoffer 2117 van Jussi Adler-Olsen, telde 480 bladzijden.

Mijn voornemen voor 2022 is om minstens 15 boeken te lezen. Want wat word ik blij van lezen. Zelfs – of juist – als het super gruwelijk is wat ik lees. Als er zesjarige meisjes vlak voor hun eerste schooldag aan een springtouw worden opgeknoopt in een boom bijvoorbeeld, zoals in Ik reis alleen, van Samuel Bjork. (Dankjewel Kitty dat je me dit boek leende).

‘En toen ontdekte Walter het kleine meisje dat aan de boom hing. Ze bungelde boven de grond met haar schooltas op haar rug. En een bordje om haar nek. IK REIS ALLEEN.’

Dan kun je toch niets anders doen dan verder lezen? Zelfs als je gezond verstand tegen je zegt ‘over zes uur gaat de wekker’, moet je toch de pagina omslaan. En nog eens. En nog eens.

In het bos

Gisteren liep ik door het bos rondom Eckelrade met business coach Laura Lazzarini. Ze vroeg of er een onderwerp was waar ik me in vast wilde bijten. Ik herinnerde me dat ik ooit uitgebreid onderzoek wilde doen naar hoe mensen in Benin en Senegal naar Europa kijken en hoe Europa in die twee Afrikaanse landen in de media komt (toen ik er was zag ik vooral Frankrijk voorbij komen). En andersom, hoe we in Nederland en België naar Afrika kijken en wat we erover lezen in de kranten en zien in het nieuws. Dat ik mensen wilde interviewen over hun beeldvorming en dat er uiteindelijk een boek moest komen, waarin ik onder andere zou laten zien dat Afrika geen homogeen land is, zoals het hier in de media wel eens lijkt, maar een groot continent met veel verschillende culturen, geloven en levenswijzen. Een onderzoek dat ik nooit uitvoerde en een boek dat ik nooit schreef omdat na mijn afstuderen het ‘grotemensenleven’ begon.

Eigen boek

“Je kunt toch ook beginnen met corresponderen met je contacten daar?”, opperde Laura. “En die mail- of briefwisseling als basis voor een boek gebruiken.”

Ja, natuurlijk! Waarom dacht ik daar niet eerder aan? Bij thuiskomst appte ik meteen met Florence, de vrouw die aan mij ‘gekoppeld’ werd in 1998. Omdat ze de enige was die mij in huis durfde te nemen. (Lang verhaal). Na een kennismaking in Cotonou, ging ik met haar mee naar Womey. Daar woonden zij en ik drie maanden bij haar moeder, oma, zus, broertje, tante en neefje. Florence woonde daarna drie maanden bij mij, mijn ouders, broertje en zusje. Ik noem haar nog vaak ‘grote zus’. Na de wandeling apptje ik haar: “We gaan met elkaar mailen en dat wordt een boek.” Dat vond ze een goed plan.

2022 wordt het jaar van meer lezen en meer schrijven. En wie weet een eigen boek…