Bij daglicht waren we vrienden

Wat was je mooi, gastvrij en gezellig. Met je vakwerkhuizen, je kerken, je parken, je glazen hoogbouw, je knusse pleintjes met allemaal hun eigen kiosk en je brede rivier met de vele karakteristieke bruggen als verbinding tussen de boomrijke boulevards aan beide zijden.

Je betoverde me met je Palmengarten in herfstkleuren. Je schonk me straffe koffie. En je kerstmarkt kon ik goed hebben. Die was serieus mooi aangekleed en ruim opgezet. En bovendien een ideale plek om heerlijk te eten. Minder ongemakkelijk dan in je eentje in een restaurant.

In het donker vond ik je kil, onheilspellend en intimiderend. Ik voelde angst voor het duister en niet vanwege de monsters onder mijn bed of het tikkende takje tegen mijn slaapkamerraam.

Ik ben wel wat gewend. Een angsthaas kun je me niet noemen. In veel steden is de stationsomgeving een tikkeltje onaangenaam, zeker na zonsondergang. Maar Frankfurt spande de kroon. Nergens anders zag ik zo veel spuiten, slikken, snuiven, roken en drinken op zo’n kleine oppervlakte. Nergens zo veel bleke gezichten.

Aanstekers, lepels en aluminiumfolie.

De man die tussen twee containers zijn broek liet zakken om te poepen.

“Voel eens wat ik hier in mijn jas heb”, zei de jongen die ineens naast me opdook. Krassen in zijn gezicht, ogen diep in hun kassen. Met één hand kneep hij in iets in zijn jaszak. Ik wilde niet weten wat het was en keek snel de andere kant op. Hij bleef naast me lopen tot ik een hoek omsloeg. Hij kon op zoek naar een nieuw ‘slachtoffer’.

De stationsomgeving vermijden was geen optie, mijn hotel lag er vlakbij. Alleen bij daglicht naar buiten gaan, schoot ook niet op. Om half zes was het al donker.

Het enige voordeel van nachtelijk Frankfurt? De magisch mooi verlichte kantoortorens. Als bakens. Ze wezen mij als geografisch gehandicapte uitstekend de weg. Google Maps kon ik meestal in mijn zak laten.

Plaats een reactie