Alleen op reis

“Hee, ik heb jou ook al een paar keer heen en weer zien lopen. Moet jij ook naar Monaco?” De lange blonde jongen kijkt me hoopvol aan. “Nee, de stad in met bus 12, maar die vind ik nergens. Ik heb net wel een Flixbus gezien, misschien gaat die naar Monaco?” “Nee, ik hoorde net dat de laatste bus om 8 uur is vertrokken. “Oei, succes!” “Ja, jij ook.”

Waarom vind ik op reis gaan leuk? Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk? Ik heb het organisatietalent van een driejarige, maar dan zonder het schattige koppie waarmee je toch alles gedaan krijgt. Het richtingsgevoel van een baksteen. En handig ben ik ook al niet.

Hoe ver kan het zijn?

Ik moest dus bus 12 hebben, uitstappen bij het ziekenhuis, dan een klein stukje lopen. Zo had ik thuis opgezocht voor vertrek. Die bus zou rond 22.00 uur voor het laatst rijden, ruim na mijn landing. Op het vliegveld stond het busstation keurig aangegeven. Daar was geen bus 12. Daar waren ook geen bordjes waarop een nummer 12 stond aangegeven. Het hoogste busnummer was 10. Ik liep een paar keer heen en weer. Was er aan de andere kant van het vliegveld misschien nog een busstation? Er was niemand bij de bussen, dus ik vroeg naar bus 12 aan mensen die op de tram stonden te wachten. Zij hadden geen idee. Ik vroeg het nog eens aan iemand in het vliegveld. Ook geen idee.

Bus 12 vond ik niet. Ik gaf het op. Ik nam een taxi. Ik had de taxichauffeur al 3 x gezegd dat ik op Avenue Aimée Martin 39 BIS moest zijn. Dat BIS bleek hij telkens niet te verstaan en toen hij bij 39 stopte, dacht ik ‘Ach, hoe ver kan het zijn?’. Nou… In een straat die in een soort U-vorm loopt en alleen bestaat uit enorme, ommuurde appartementencomplexen, kunnen de nummers 39 en 39 BIS zo’n 500 meter uit elkaar liggen en niet eens aan dezelfde kant van de straat. Dus op zoek in het donker. Aan de enige levende ziel op straat vroeg ik of ze wist hoe de nummers in de straat liepen. Ze had geen idee. ‘Je ne sais pas’ leken de meest memorabele woorden van mijn week in Nice te worden.

Donker

Het volgende obstakel diende zich aan. Ik had extra geld betaald omdat ik na 20 uur aankwam. Er was desondanks niemand te bekennen om me binnen te laten. Iemand stuurde een filmpje van waar ik het zakje met de sleutels uit de struiken moest vissen. Ik vond de sleutels én de juiste ingang tot het enorme complex, om in een knetterdonkere hal te belanden. Wie mij kent weet hoe nachtblind ik ben, dus ik durfde me niet te bewegen. Voor hetzelfde geld staat er een plantenbak midden in de hal. Lang leven mijn mobiele telefoon met zaklampfunctie. Met een een doodenge, schokkerige lift waarvan ik me afvroeg of iemand me zou horen als ie vast zou blijven hangen, ging ik naar de tweede verdieping. Ik had liever met de trap gewild, maar de deur naar het trappenhuis kon ik zo snel niet vinden.

Er zou een sticker op de deur van mijn appartement zitten, met de naam van de verhuurmaatschappij. Met mijn telefoon als zaklamp en met mijn rollende rolkoffertje dat in de lege gang van de tweede verdieping klonk als een helikopter, schuifelde ik langs alle deuren. Tot een vrouw haar hoofd om de hoek stak en wees waar ik moest zijn. “C’est celui!” “Merci.” De enige woorden die ik met iemand in het complex heb gewisseld. Ik zag er een week lang niemand. Alleen de boodschappentas die soms wel en soms niet voor één van de deuren stond, impliceerde dat er in minstens één van de appartementen iemand woonde.

Dorst

Natuurlijk had ik niets te eten of drinken bij me, maar ik ging ervan uit dat de basics wel aanwezig waren in het appartement. Dat ik op zijn minst een kop thee kon zetten. Niet dus. Wel een waterkoker, maar geen theezakjes. Wel een koffiezetapparaat, maar geen koffie of koffiefilters. Ik had geen zin om in het donker op zoek te gaan naar een winkel, ik had mijn portie donker wel gehad. Ik kroop in bed na een glas kraanwater, dat in Frankrijk niet half zo lekker is als bij ons. Een fantastisch bed met heerlijke kussens, dat dan weer wel.

De volgende ochtend was ik vroeg wakker, super uitgeslapen, vol energie én hongerig. Snel onder de douche. Waar ik met mijn ogen dicht stond te genieten van de knetterharde straal. Toen ik mijn ogen weer open deed, bleek de complete badkamer overstroomd. De glazen wand die het bad afsloot, had zijn taak niet serieus genomen. Nu was ik zéker toe aan koffie. En ik moest opschieten met op en neer gaan naar de supermarkt, want om 9 uur had ik de eerste vergadering via Teams en daarna moest ik op zoek naar ondernemersverhalen voor WijLimburg. Al snel had ik de tweede overstroming van de dag te pakken. Het bakje van de koffiefilter bleek verstopt.

Mijn eerste werkdag was begonnen…

Nice: kleurrijke, levendige stad

Waarom vind ik op reis gaan leuk? En waarom Nice?

Om alles wat na het ongelukkige begin kwam. Ik stond knettervroeg op om te werken zodat ik ook op tijd kon stoppen om op ontdekking te gaan. En ik werd niet moe van dat vroege opstaan.

Om het prachtige uitzicht vanaf mijn balkon. Op de bananenbomen op het balkon onder dat van mij. Op de palmbomen in de gezamenlijke tuin. Op de zee, in de verte, maar toch duidelijk zichtbaar. Als je dan toch ergens moet werken, is dit de perfecte plek. Die luxe heb je als zzp’er.

Om de mooie wandeling die ik moest maken om de berg af te komen en zelfs om de wandeling terug naar boven, die absoluut niet meeviel. De eerste keer stond ik te hijgen als een sledehond.

Om het kijken naar de azuurblauwe zee met de bergen in je rug. Golven blijven toch iets magisch.

Om de prachtige stad met zijn gele gebouwen, groene luiken, overdadige ornamenten. De pompeuze musea. De was aan de balkons. De bloemen in alle kleuren. De citroen- en sinaasappelbomen in de voortuintjes. De muziek door de openstaande ramen.

Om de vele parken en speelpleintjes. Ik hoefde nooit lang te zoeken waar ik mijn lunch zou eten, want om iedere derde hoek lag wel een keurig onderhouden park vol weelderig groen.

Om de keuken. Uiteraard om de keuken. Want lekker eten is altijd een goed idee. Vers stokbrood en croissantjes. Verse vis. Alle typische streekgerechten: salade niçoise, socca en pissaladière (daar kan nooit te veel ansjovis op zitten). Maar ook de vele zalige zoetigheid uit de Noord-Afrikaanse winkeltjes. Tijdens de ramadan zijn de stapels chebakia overal torenhoog. Gunstige bijkomstigheid in Nice: uiteten hoeft niet duurder te zijn dan boodschappen doen. Op de meest toeristische plek waar ik zat, had ik een voor- en hoofdgerecht, wijn en koffie voor 32 euro.

Om de levendigheid. Dansers en muzikanten op straat. Jongeren (en een enkele oudere) die stunts oefenen op skateboards, skeelers, eenwielers. Jongeren met hun drankjes op het strand. Ouderen met hun krasloten op de terrassen van de Bar Tabac.

Om mijn geliefde taal te kunnen spreken en te merken dat ik die nog steeds redelijk onder de knie heb.

Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk?

Omdat het heel rustgevend is om een tijdje alleen op jezelf aangewezen te zijn. Mijn hoofd was al snel leger dan in de maanden voor mijn vertrek. Ik moet toegeven dat de onbevangenheid die ik op mijn achttiende in Benin en op mijn 22e in Senegal had er wel een beetje af is. Daar stortte ik me zonder nadenken in allerlei avonturen. Nu let ik toch wat meer op. Zijn mijn sleutels veilig weggestopt? Is de rits van mijn tas goed dicht? Ziet dit steegje er misschien iets te donker uit? Wat als die kerel die net naar me siste en ‘Hello madam’ riep me achterna komt?

Alleen eropuit trekken, is ultiem genieten, vind ik. Leven uit mijn koffertje, want waarom zou ik mijn kleren netjes in de kast hangen? Mijn schoenen uitschoppen bij binnenkomst en ze laten liggen waar ze terecht komen. Mijn gedragen kleding over de eerste de beste stoel slingeren. De afwas laten staan tot de laatste dag. Een boek lezen op het terras. Kletsen met het serverend personeel, dat sowieso geïnteresseerd is in waarom je alleen bent. Niemand die een hartverzakking krijgt of op me vloekt als de pan waarin ik eieren wil bakken met een enorme klap op de grond valt, omdat de steel niet goed vast blijkt te zitten. Dat ik in het appartement kwam en 1 ei inmiddels kapot bleek te zijn, was ook alleen mijn eigen probleem.

Wijn bij het ontbijt

Met mijn verstand op nul aan een wandeling beginnen en wel zien waar ik uitkom (en dan op een gegeven moment mild in paniek raken omdat ik wel erg ver van huis ben en geen idee meer heb waar dat huis ligt). Trots zijn op mezelf als ik die half gescheurde kurk toch uit de fles krijg. Ongegeneerd wijn nemen bij het ontbijt, want het is zonde dat die fles nog niet leeg is voordat ik vanmiddag terugvlieg. En concluderen dat ie zelfs beter smaakt dan de avond ervoor. Voor me uit staren zonder dat iemand aan me vraagt waar ik aan denk.

En heel eerlijk. Vaak dacht ik maar heel weinig. Of mijn croissantje nog in mijn tas zat. Of ik mijn shirt nog een keer aankon. Dat het niet heel handig was om de zee over mijn schoenen te laten klotsen. Veel dieper ging het niet. Dat had misschien wel gemoeten. Want mijn reis naar Nice was ook bedoeld om erachter te komen waarom het de laatste tijd niet zo goed met me gaat. De dansende letters op het scherm, de ontsteking achter mijn oor, de extreme moeheid waren er natuurlijk niet zomaar.

Moet ik mijn werk anders aanpakken? Moet ik een stagiaire nemen? Moet ik nog energie steken in bepaalde relaties of moet ik gewoon leren omgaan met hoe die relaties nu zijn? Ga ik nog eens in mijn verleden peuteren op zoek naar bepaalde antwoorden, of laat ik het rusten? Voor die vraagstukken moet ik nu dus tijd maken. Gelukkig heb ik in Nice nieuwe (zonne-)energie opgedaan. Ik kan er in ieder geval weer even tegen.

‘Ga terug naar je eigen dorp’

Het voelde een beetje ongemakkelijk. Verkeerd zelfs bij momenten. Gisteren waren er sirenes en lichte paniek. Gisteren riepen we tegen de schoonouders dat ze hun huis moesten verlaten om hoger gelegen gebied op te zoeken. Want als die dijk zou breken dan… Vandaag hadden we gereserveerd op een terras aan de Maas. De machtige Maas die in Maastricht met de minuut zakte, maar verder stroomafwaarts nog druk bezig was haar verwoestende ding te doen en via kades en kelders huizen binnendrong.

Ik kwam van een andere afspraak en was er wat eerder dan de leuke jongen uit de trein. Links voor mij een tafel met 8 luidruchtige Maastrichtenaren van pensioengerechtigde leeftijd. De mannen in polo’s, de vrouwen zwaar in de make-up en behangen met opzichtige sieraden. Stuk voor stuk nadrukkelijk en luidruchtig aanwezig en voor mij zonder moeite woord voor woord te verstaan. Ze waren vooral bezig anderen er doorheen te trekken: “Ik kwam die en die tegen, die zag er echt slecht uit, de coronakilo’s zaten er nog steeds aan.” En ze waren ronduit bot tegen het personeel: “De wijn is op!” “Doe nog een ronde!”

Rechts voor mij een tafel met een gezin uit Midden-Limburg, ouders met een zoon en een dochter voor in de twintig (schat ik, maar daar ben ik slecht in). Zomers, maar netjes gekleed. De jeugd niet op een hippe jongerencamping aan de kust of met een rugzak in de bergen, maar door omstandigheden (iets met een virus) met papa en mama op vakantie in eigen land. Als ik soms een oorglimp opving van hun gesprek, haalden ze vooral vrolijke herinneringen op aan eerdere vakanties.

De zoon van het gezin vroeg na de derde sigaret waarvan de rook recht in zijn gezicht kwam aan een van de “meneren” of hij alsjeblieft de andere kant op wilde blazen. De roker ging compleet door het lint. Hij was een Maastrichtenaar en liet zich in zijn eigen stad door niemand de les lezen. “Wat een kutvolk zijn jullie, ga verdomme terug naar jullie eigen dorp, wat hebben jullie hier eigenlijk te zoeken, niemand vertelt mij in mijn eigen stad wat ik wel en niet moet doen, waar halen jullie het gore lef vandaan om mij aan te spreken… enz enz… ” (Dit uiteraard in plat Maastrichts, maar daar ken ik de taal- en spellingsregels niet van).

“Ik laat me in mijn eigen stad niet vertellen wat ik wel en niet moet doen”

Een van de vrouwen in zijn gezelschap probeerde hem een beetje te kalmeren, maar de rest vond zijn reactie blijkbaar volkomen normaal. De vader van het gezin probeerde nog iets met “Sorry, het was gewoon een vriendelijke vraag”, maar de razende roker was totaal niet voor rede vatbaar. Demonstratief drukte hij zijn sigaret uit om direct de volgende aan te steken. Het gezin liet zich wegpesten. Toen verderop een tafel vrij kwam, wisten ze niet hoe snel ze daar moesten gaan zitten.

De leuke jongen uit de trein en ik hadden een hele gezellige en smakelijke avond. We probeerden het geluid op links buiten te sluiten en genoten van het mooie weer na al die regen en regen en regen. De bediening was top, net als het eten. Helaas viel niet te missen dat het ‘gezelschap der Sjengen’ steeds groter en luider werd. Stoelen en tafels werden ongevraagd en onnadenkend bijgetrokken, terwijl er steeds meer vergane glorie aanschoof. Vertrok er iemand, dan moest hij of zij apart afrekenen, want stel je voor dat iemand een cent te veel betaalde. Op een gegeven moment had het gezelschap zelfs ruzie over wie het meeste van de borrelplank had gegeten en daar dus het grootste deel van moest afrekenen. Fascinerend, in de slechtste betekenis van het woord.

Hebben deze mensen kinderen en kleinkinderen? Wat hebben ze hun kinderen geleerd? Wat waren ze voor voorbeelden? We kunnen wel met zijn allen roepen dat de jeugd geen respect heeft voor wie dan ook, vooral van feesten houdt en regels overtreedt, maar met dit soort (groot)ouders kun je ze bijna niets kwalijk nemen. Het is maar goed voor de rest van Nederland dat deze figuren waarschijnlijk vooral in “hun” Maastricht blijven.

Foto door Artem Beliaikin op Pexels.com

Ik blijf graag een beetje kind

“Zo kan het ook.”

“Geen wonder dat ze me niet serieus nemen.”

“Ik voel me niet volwassen.”

Drie zinnen die jarenlang regelmatig door mijn hoofd schoten. Als ik samen met een collega ging kennismaken met een potentiële klant bijvoorbeeld. Dat ik best mijn best had gedaan, een schoon jurkje uit de kast had getrokken en een doekje over mijn nette schoenen had gehaald. En misschien zelfs lippenstift op had gedaan. Maar dan zag ik mijn collega. Met zo’n mooi getailleerd jasje. Op pumps. Gelakte nagels. Haar opgestoken. En dan voelde ik me direct onvolwassen. We kregen koffie. Bij de eerste slok verdween mijn lippenstift. Terwijl die van haar bleef zitten. En hoe kon het eigenlijk dat haar mooie jasje kreukvrij uit de auto was gekomen, terwijl mijn jurkje eruitzag of we een wereldreis hadden gemaakt?

Zelfs al ik me goed had voorbereid en minstens evenveel wist van het onderwerp als de mensen aan de andere kant van de tafel, voelde ik me toch een soort Calimero. Een kind met spinazie tussen haar tanden of een vlek op haar schort.

Bij een sollicitatiegesprek had ik er ook vaak last van. Had ik een goed verhaal in mijn hoofd. Had ik een ‘veilig’ zwart jurkje aan, of een nette broek. Maar voelde ik me toch kinderlijk tegenover de dames en heren aan de andere kant van de tafel. Zij leken hun kleding te ownen. Zelfs bij de Bijenkorf had ik er last van, terwijl we nota bene allemaal dezelfde lelijke werkkleding droegen. Maar ‘zij’ zagen er niet verfrommeld uit aan het eind van de werkdag.

Die tijd ligt gelukkig lang en breed achter me. Nee, ik snap nog steeds niets van nagellak en lippenstift. Of hoe schoenen er aan het eind van de dag nog steeds blinkend schoon uit kunnen zien. Maar ik pas mijn kleding niet meer aan, aan wat ik denk dat er volwassen of netjes uitziet. Ik voel me blij met badeendjes in mijn oren en appeltjesgroene peren op mijn shirt. Ik heb felblauwe en knaloranje gympies. Ik heb sokken met glitters en armbandjes in alle kleuren van de regenboog. Mijn schoonmama maakte een gele jurk met rode bloemen van stof die ik uit Benin had meegenomen (ze maakte er ook kussens van voor in de bank). En met mijn mama kocht ik vorige week een zwierige rok met bloemen in allerlei kleuren. Toen ik laatst een fotoshoot had, was ik helemaal mezelf.

Het absolute hoogtepunt van mijn kledingkast kwam gisteren binnen. Een cadeautje van de leuke jongen uit de trein. Hoe lief is dat?! Ik verheug me erop om mijn voeten erin te steken, over stoepen te huppelen en over slootjes te springen. Of om met kikkers aan mijn voeten kennis te maken met een nieuwe klant, een presentatie te geven voor een netwerkvereniging, de directeur van een groot bedrijf te interviewen.

Dat van die schoenen die er aan het eind van de dag ook nog schoon uitzien, wil ik wel graag leren 😉

Het kan altijd erger

Elke zomer denk ik dat het niet erger kan. Dat het dieptepunt qua ordinaire kleding, blote gestriemde vetrandjes, spierwitte benen en onbegrijpelijke mode is bereikt. Niet dus.

Zelf doe ik mijn best om de rest van de bevolking geen ademnood of verschoven nekwervels te bezorgen.
Om mijn volle, ronde, West-Afrikaans aandoende achterwerk een beetje uit het zicht te houden, draag ik meestal lange shirts, jurkjes of in elk geval niet te strakke broeken.
Om mijn weelderige boezem niet te veel in het oog te laten springen, zoek ik uren (soms dagen, weken, maanden… aaaargh!) naar de perfecte en enigszins camouflerende bh.
En mijn witte benen gaan eerst een paar uur in de zon in de veilige beschutting van mijn balkon, voordat deze onder een rokje in het openbaar verschijnen.

Het zou fijn zijn als meer mensen rekening zouden houden met hun medemens. Zo zag ik in de afgelopen weken al voorbij komen: rubber laarzen onder een kort zomerjurkje, een blubberbuik in een paarskleurig latex topje en enorme bovenbenen in een jeansbroekje dat zo kort was afgeknipt dat behalve bubbelige benen ook de broekzakken er onderuit kwamen.

Brrrrrr.

Of moet ik deze wandelende modeflaters bewonderen omdat ze aantrekken waar ze zin in hebben en zich nergens voor schamen?

DSCN0300

Aaaaaargh wereldpolitiek

Boos, opstandig en humeurig word ik ervan.

Waarom sturen "we" vliegtuigen bemand door in groen en kaki gehulde mannen en vrouwen naar Libië? Waarom sturen "we" geen (goedbedoeld?) geweld naar Zimbabwe, Noord-Korea, Ivoorkust of Wit-Rusland? Het wil er bij mij niet in dat het alleen met olie van doen heeft. Maar waarom dan? Omdat de bevolking van Libië zelf de eerste stap heeft gezet en dat toevallig zichtbaar was? Omdat "we" geen zin meer hebben om de desbetreffende dictator met zijn eeuwige grijns, Arafat-sjaal en zonnebril te ontvangen op onze feestjes? Ik bedoel, hij komt altijd met zo'n enorm gevolg en wil dan ook nog ergens een tent opslaan.

Sowieso die hele no-fly zone. Israël en Palestina lijken me zeer goede kandidaten voor zo'n maatregel, maar daar gebeurt het niet. Israël hoeft zich sowieso niet aan VN-resoluties te houden. Omdat?

Economische sancties. Ook zoiets. Wie bepaalt dat? En waarom? Voor zover ik de verhalen ken, worden de armen er armer van en hebben de rijke stinkers nog wel een bankrekening of drie achter de hand op de Kaaimaneilanden.

En waarom komt er pas een wapenembargo nadat "we" eerst goed geld verdiend hebben aan de verkoop en levering van alle mogelijke soorten vernietigingsapparaten? Omdat het er zo vervelend uitziet op televisie dat een demonstrant door een geweer van Westerse makelij door zijn hoofd wordt geschoten?

Politici die vandaag verontwaardigd zijn over Kadhafi, bakten gister nog zoete broodjes met hem of een andere dictatoriale despoot en gaan morgen met boter op hun hoofd op de koffie bij de volgende goede buur of verre vriend.

En ik doe niets. 
 

Een wonderlijk staaltje communicatie

"Bel dan even!" roept de leuke jongen uit de trein altijd als één van mijn conversaties in oeverloos heen en weer mailen of doodse stilte dreigt te verzanden. Dit keer was ik hem voor. Ik belde Opdrachtgever X van Communicatiebureau Y. 

Opdrachtgever X behandelt zijn (freelance) medewerkers doorgaans niet volgens de heersende fatsoensnormen. Hij verslijt hoofdredacteuren en vormgevers alsof het papieren zakdoekjes zijn. Gemaakte afspraken met de één, belanden automatisch in de prullenbak bij de ander. Staat er de ene maand een duidelijke kop boven mijn artikel, de volgende keer is het totaal onleesbaar. Dan zit er weer een nieuwe stagiaire van de kunstacademie die zijn gang mag gaan. Communicatie daar doen ze niet aan bij Communicatiebureau Y. Eindredactie gebeurt doorgaans ook niet. Dus toen ik per ongeluk één keer de eerste versie van een artikel in plaats van de laatste naar het bureau stuurde, kwam die er ongewijzigd in. Compleet met halve zinnen en foutief gespelde namen. Opdrachten komen sowieso altijd rijkelijk laat binnen, een dag of drie voor de deadline. Bovendien betaalt Opdrachtgever X niet bijzonder veel en meestal pas ná de betalingstermijn.

Opdrachtgever X heeft mij al verschillende keren gevraagd, op het smeken af, om zijn hoofdredacteur te worden. Waarvoor ik dan vriendelijk bedankte: "Ik schrijf liever."

Waarom ik zo graag voor Communicatiebureau Y schrijf, ondanks alles? Omdat de interviews die ik mag doen en de verhalen die ik mag vertellen zo ontzettend leuk zijn. En omdat het egostrelend is telkens de coverstory te schrijven.

Maar wat bleef het stil de laatste tijd. Dus in plaats van te mailen en te sms'en en tegen de leuke jongen uit de trein te klagen dat ik geen opdrachten meer kreeg, pakte ik de telefoon. De nieuwe hoofdredacteur aan de lijn (nummer 5 of 6 in twee jaar tijd) sprak de legandarische woorden: "Ik wist helemaal niet dat jij bestond. Voor het volgende nummer zijn alle artikelen al verdeeld."

Blijkbaar ben ik ontslagen.

Had ik al gezegd dat bij Communicatiebureau Y niet gecommuniceerd wordt?

Erbij horen

Erbij horen. Ik was daar nooit zo goed in. Dat de gabbers niets van mijn moesten weten, dat vond ik prima. Maar dat ik niet stoer genoeg was voor de alto's, niet slim genoeg voor de stuudjes, en mijn ouders niet rijk genoeg voor de kakkers; dat deed soms wel een beetje zeer. Oh middelbare schooltijd…

Daarna ging het steeds beter. Tijdens journalistiek deed ik nog wel eens mijn best om bij mijn tutorgroepje in de smaak te vallen, maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik gewoon ik was. Mensen moeten mij maar nemen zoals ik ben. Met die instelling ben ik ook aan mijn huidige studie begonnen. Het resultaat: ik heb er fantastische mensen leren kennen voor verukkelijke klaagsessies bij grote bekers slagroom en koffie :-) 

Maar die houding keert zich soms ook tegen mij. Ik ben volledig mezelf als ik met de vrienden van de leuke jongen uit de trein op stap ben. Waarschijnlijk is dat precies de reden waarom ik me in die groep soms weer voel als dat onhandige meisje dat als laatste werd gekozen bij de gymles.

 

Even een hapje eten in Brussel

Daar stonden we dan, hartje Brussel, hartje restaurant, onze jassen nog aan. "Ik had gereserveerd", probeer ik in mijn beste Frans, maar Ober haalt zijn schouders op en tikt -zo autistisch als een deurpost- verder op zijn kassa. We kuchen, stoten elkaar aan, schuiven zelf wat tafeltjes aan elkaar. Maken daarmee geen enkele indruk. Ober komt pas als hij zin heeft. Uiteindelijk neemt hij zuchtend onze jassen aan, daarbij lomp tegen stoelen en tafels stotend. Hij verdwijnt ermee met niet al te vaste tred. We speculeren over drugsgebruik of dronkenschap, maar nee, zijn pupillen lijken niet vergroot en hij kijkt eerder boos dan lodderig. Het begin van een memorabele avond. 

Vloekend, steunend en met een enkele onverstaanbare opmerking neemt Zonnig Humeurtje onze bestellingen in ontvangst. Hij is kwaad dat we allemaal iets anders bestellen en schaamt zich er niet voor om dat rechtuit te zeggen. Dat het een kwartier duurt voordat hij vijf voorgerechten in de kassa heeft staan, zegt genoeg. Dat er vervolgens vier uiensoepjes, drie salades, twee paar garnalenkroketten en een carpaccio op onze tafel af komen, zegt alles. Het is helemaal mis met Handige Harry.

Ineens staat hij er weer. Huilend. Met een onsamenhangend verhaal over zijn overleden oma. Het spijt hem allemaal zo.

Terwijl er links van mij intensief gediscussieerd wordt over politiek en er op rechts hardop gedroomd wordt over carrière en toekomst, stapt een kordate vrouw het restaurant binnen. Ze pakt de ober bij zijn schouders en duwt hem richting deur. Zij zal het wel overnemen. Het duurt een paar uur voor ze de boel weer op orde heeft (en al die tijd wachten wij geduldig op ons hoofdgerecht), maar in tegenstelling tot haar vent (?) gaat er bij haar wel een belletje rinkelen bij het woord 'klantvriendelijkheid'. Er wordt gratis, maar niet te zuipen wijn aangeleverd verpakt in excuses.

Pas om half twaalf verlaten we het restaurant. Een goedgevulde maag en een ontuitwisbare herinnering rijker.

Brussel, verrukkelijk vat vol vreemde tegenstellingen. 

 

Ik wil niet trouwen en hoef geen kinderen, help!

Tuurlijk, als je bij elke baby roept "oh wat schattig" en als je begint te kwijlen bij elke witte jurk die voorbij loopt dan moet je het vooral doen, trouwen en kinderen krijgen. Zeker als je al jaren met je partner bent en over opvoeden een beetje dezelfde ideeën hebt. Leuke feestjes altijd, die bruiloften en beschuit met muisjes vind ik nog steeds lekker.

Maar nee, juist mijn bondgenoten, die tot nu toe enkel het woord baby in de mond namen om te klagen over het krijsende geval van de buren, zijn ineens zwanger. En de vriendinnen die het hardst tegen burgerlijkheid aanschoppen en altijd alles anders willen doen dan de rest, zijn inmiddels getrouwd. In een witte jurk. Met een oldtimer, een fotoreportage, een receptie en alles.

Iedere keer brengt de aankondiging van nieuw leven of de uitnodiging voor een bruiloft van een ex-bondgenoot ("nee joh, ik geef niets om trouwen") een kleine schok teweeg. Soms is het zo erg dat ik te verbaasd ben om er een 'gefeliciteerd' uit te gooien, wat ik dan heel onaardig vind van mezelf. 

Dus lieve vrienden, vriendinnen, neefjes en nichtjes (daar gaat er ook ene totaal onverwachts van trouwen, hoorde ik gister): als jullie van gedachten veranderen en ineens de behoefte voelen jullie eeuwige spijkerbroek te verruilen voor strapless jurken met A-lijntjes, waarschuw me dan even. Liefst ruim voor de uitnodiging of het geboortekaartje in de brievenbus steekt. Dan kan ik tot me door laten dringen dat mensen die even hard schreeuwden als ik zelf tóch van gedachten kunnen veranderen. Dan kan ik alvast werken aan de vrede met mezelf dat ik blijkbaar steeds meer alleen kom te staan in het ontbreken van rammelende eierstokken en het niets geven om trouwen. En dan kan ik er welgemeende, enthousiaste felicitaties aan toevoegen. 

Want zoals gezegd, de feestjes zijn fantastisch en van tompoucen met eetbare babyfoto's erop kan ik geen genoeg krijgen.  

spellen is uit de mode

Aaaaargh. Ik blijf me eraan ergeren. Op de gemiddelde werkdag zie ik het zo'n 40 keer per uur in mijn display staan, telkens als ik een telefoongesprek heb beëindigd: beëindigt. Noem me een zeikerd, een zeur of een zaag, maar ik kan het niet laten toch even de volgende vraag te stellen aan iedereen die het lezen wil, of niet lezen wil: is het te veel gevraagd om foutloos te schrijven? 

"Waarom zou ik nadenken?, hoor ik mensen denken als ik bepaalde dingen lees. En als je die mensen dan aanspreekt, krijg je als antwoord: "Je begrijpt toch wat ik bedoel?" Of zoals mijn nichtje zei: "Je moet er maar aan wennen." Misschien word ik oud, sterven mijn hersencellen af, of is het een gebrek aan hipheid, maar ik begrijp er vaak geen bal van. Of het doet op zijn minst pijn aan mijn ogen.

Ik wert zo moe van me vriendin want ze belde me iedere dag toen zij ik dat ik dat vervelent vont en daarom belde ik jouw.

Dit soort zinnen bevolken/bevuilen hyves en facebook. Maar het zal me niet verbazen als ook sollicitatiebrieven of andere serieus bedoelde documenten er tegenwoordig zo uitzien.

Het erge is, op mijn eigen website staan ook nog twee foutjes. Die ik overigens meteen opmerkte na publicatie. Maar ik kan ze zelf niet veranderen, omdat ik het CMS niet snap. Om te eindigen waarmee ik begon: Aaaaargh.