“Gaat dat wel op slippers?”

“Gaat dat wel op slippers?”

De leuke jongen uit de trein was nog niet bij het einde van zijn vraag, of ik lag al op de grond.

We sliepen uit. Zagen dat de zon scheen. Pakten onze badlakens en wat te eten en drinken. Stapten in de auto. Togen naar het zwembad in Gulpen. Genoten van prachtig weer en ijskoud water. Aten een ijsje. Bespraken de plannen voor de rest van onze vakantie.

Rond 17.30 uur pakten we ons boeltje bij elkaar en verlieten het zwembad. Door het draaihek aan de zijkant wurmden we ons naar buiten. “Hee, kijk, perfect, de auto staat recht voor de uitgang.” En in plaats van braaf om te lopen naar het begin van de parkeerplaats namen we het grashellinkje naar beneden.

Eén voet bleef staan achter een graspol. De rest van mijn lijf viel een andere kant op. En ik voelde meteen dat het mis was.

Ik kan wel wat hebben qua pijn, maar dit keer stonden de tranen meteen in mijn ogen. (Er zijn legendarische verhalen over mijn pijngrens. Zoals die keer dat ik met een lelijke snee in mijn been thuiskwam en mijn moeder vroeg wanneer dat gebeurd was. Dat was dus een paar uur daarvoor, toen ik mijn been open haalde aan een roestige spijker. Maar ik had geen kik gegeven, vroeg een vriendje om een pleister en ging door met spelen. Daardoor is het wel een bijzonder lelijk litteken geworden…).

De leuke jongen uit de trein zag mij wit wegtrekken en verloor langzaam de hoop dat ik ‘slechts’ mijn enkel had verstuikt. Uren later bij de eerste hulp kwam de bevestiging dat de vakantie compleet om zeep was: “Dat is stuk.”

De vrouw die mijn botten had gefotografeerd, was een vrouw van weinig woorden.

Aan onze drie weken vakantie hoeven we ook niet veel woorden vuil te maken.

De vakantie begon en eindigde op woensdag 19 augustus.

Overweldigend Onhandig

Ik ben Lieke en ik ben onhandig.

Onhandig klinkt iets vriendelijker dan lomp, wat zo’n vijf jaar geleden de titel van één van mijn blogs was.

Mijn onhandigheid beperkt zich niet alleen tot struikelen, verdwalen, te laat komen wegens totaal gebrek aan logische- & logistieke vaardigheden, in de knoop zitten met kabels, huishoudelijke blunders, iets kwijtraken, of tegen een deurpost/tafel/kast aanlopen. Onhandig ben ik met volle overgave: Overweldigend Onhandig.

Twee weken geleden wilde ik zo onopvallend mogelijk aanschuiven bij een vergadering die al een tijdje bezig was. Ik moest een stoel meenemen, wat het onzichtbaar binnenkomen sowieso al iets lastiger maakte. Maar het had nog gekund, want alle ogen waren op dat moment gericht op het scherm. Dan moet je dus niet met die stoel tegen de glazen deur aanlopen…

Ik ben iemand die in een lawaaiige ruimte luidruchtig meekletst en die dan net op vol volume iets sufs zegt als de muziek even stopt.

Ik ben iemand die snel associeert en daardoor stappen in haar hoofd overslaat waardoor het voor een ander totaal hak-op-de-tak is wat ik vertel en ik een ongeïnteresseerde gesprekspartner lijk.

Ik ben iemand die op een feestje heel enthousiast iemand op zijn schouder tikt. Draait die iemand zich om, blijkt het een totale onbekende te zijn.

Ik ben iemand die altijd verkeert gokt met begroetingskussen. Ik gok op de verkeerde wang of op het verkeerde aantal. Met botsende hoofden of vol op de mond als gevolg.

Ik ben iemand die even moet broeden om met een grappige opmerking een duit in het zakje te doen. Heb ik eindelijk iets bedacht, blijkt het zakje al vol. Waardoor mijn grapje met veel lawaai op de grond klettert.

De leuke jongen uit de trein is een knoeierd bij het eten, maar verder is hij nooit onhandig. Hij plaatst krachtige one liners in ieder gesprek, krijgt de lachers op zijn hand en weet de beste oplossing voor ieder logistiek probleem. De keren dat hij in de afgelopen 10,75 (!) jaar botste, struikelde of viel kan ik op de vingers van één hand tellen.

Niet iedereen kan de olifant in de porseleinkast zijn.

 

Over chronische klunzigheid en altijd de weg kwijt

Ik brand mijn vingers aan pannen, deksels of de oven. Ik bots dagelijks tegen de bank, de salontafel of een deurpost. Ik stoot glazen wijn om op feestjes. Bij voorkeur op hele chique feestjes, zoals toen die keer in de residentie van de ambassadeur. 

Ik doe mijn best om geen kostbaarheden uit mijn handen te laten vallen, zoals fototoestellen. Vervolgens blijf ik bij het naar buiten rennen met de mouw van mijn trui achter de deurklink haken, zodat de camera alsnog een duikvlucht maakt. Wat ik wilde fotograferen is ondertussen al lang gevlogen.

Ook mijn telefoon houd ik angstvallig vast, maar vervolgens blijf ik achter het snoertje haken waarmee het ding in het stopcontact zit. Mijn baksels worden graag gegeten, maar als de cake eindelijk in de oven staat, ziet de keuken eruit alsof er een bom is ontploft. De mixer doet namelijk altijd wat ie zelf wil. Met stokjes eten kan ik verrassend genoeg best goed, maar ik laat de sushi op een onbewaakt moment dan wél in het schaaltje sojasaus vallen. En een pak of zak (melk, nootjes, yoghurt, crackers) openmaken… daar hebben we het maar helemaal niet over.

Toch is mijn chronische klunzigheid niets vergeleken met mijn totale gebrek aan richtingsgevoel en ruimtelijk inzicht. Ik stel er het geduld van de leuke jongen uit de trein regelmatig mee op de proef. “Waarom vertrouw ik in hemelsnaam op jou!?”, riep hij geërgerd toen we het hostel in Brussel probeerden te vinden dat ik geboekt had. Ik had thuis op een kaartje gekeken en dacht dat ik er blind naartoe zou kunnen lopen.

We hadden uiteraard twee heerlijke dagen in de Belgische hoofdstad. Er is (bijna) niets leuker dan met de leuke jongen uit de trein op een Brussels bankje zitten en mensjes kijken. Maar het zou nog leuker zijn als ik de weg van A naar B onthoud.

Brussel