Een nieuwe aflevering in de ‘onhandig’ serie

Mijn laatste blog – althans op deze plek – schreef ik op de verjaardag van de leuke jongen uit de trein. Hij had er zo’n mooie, zonnige dag voor uitgezocht. Wat was ik nog heerlijk onwetend, toen ik die woorden met tien vingers intoetste.

Na een zeer geslaagde avond (dankjewel aan iedereen die er was en aan iedereen die meedeed aan het cadeau) fietsten we samen naar huis. Grote glimlach op ons gezicht. De leuke jongen uit de trein voorop, zoals altijd. Zelfs op een analoge fiets, gaat hij sneller dan ik elektrisch.

Ik ben de eerste om toe te geven dat ik na vier glazen wijn bij het eten en daarna nog twee speciaalbier in onze stamkroeg niet meer nuchter was. Stomdronken was ik ook niet, maar aangeschoten zéker.

Ik dacht dat ik de verjaardagscadeautjes uit mijn fietstas hoorde vallen. Dus ik draaide me om. Of nou ja, de bedoeling was dat ik alleen mezelf omdraaide, maar ik gaf blijkbaar ook een ruk aan mijn stuur. Een fout waar ik tijdens mijn rijlessen vaak op werd aangesproken. “Bij het over je schouder kijken, je stuur recht houden!”

Links van het fietspad stond een steiger, waar ik vol tegenaan botste. Drie vingers werden geplet en geschaafd tussen mijn fietsstuur en de steiger. Mijn pink ging daarbij een andere kant op én schoof ondertussen langs iets scherps. Vraag het met niet. Het bloedde in ieder geval als een dolle.

En dat was het begin van het nagenieten van “joepie, de leuke jongen uit de trein bestaat een halve eeuw”.

Met een taxi naar de huisartsenpost. Een arts die totaal onverschillig was. Hechten was niet nodig. Naar de stand van mijn vingers kijken ook niet. En dat ik ringen om had, zag hij over het hoofd.

Lang verhaal kort en een paar dokters verder. Dankzij de leuke jongen uit de trein kwam er tien dagen later een foto omdat mijn pink nog steeds de verkeerde kant uit wees.

Eén van mijn ringen was ondertussen losgeknipt, de ander na een avond koelen en hooghouden gelukkig in zijn geheel verwijderd. Tranen over mijn wangen, dat wel, want het voelde alsof mijn vinger van mijn hand werd getrokken. En geloof me, ik ben qua lichamelijke pijn geen jankerd. (Emotioneel is een heel ander verhaal en huil ik om zo ongeveer alles).

Op die foto? Een middenhandsbeentje in drie stukjes.

Pas afgelopen donderdag, zeven weken na het feestje, hoorde ik van mijn ergotherapeut dat ik weer mocht fietsen. Gisteren reed ik voor het eerst weer auto. En vandaag gebruik ik – met moeite – mijn pink weer bij het typen.

Wat ik al wist, maar wat afgelopen weken weer extra duidelijk werd:

  • Afhankelijk zijn, vind ik knap lastig. De eerste twee weken kon ik helemaal niets vastpakken met mijn linkerhand, waardoor potten opendraaien of plakjes kaas afsnijden onmogelijk waren. Net als sokken aantrekken en knopen vastmaken. Lang leve broeken met alleen elastiek! Maar niet kunnen rijden en fietsen, vond ik nog veel erger én dat duurde veel langer. De leuke jongen uit de trein was al die tijd een topchauffeur en was onwijs veel tijd kwijt aan die rol.
  • In tijden van ‘nood’, leer je je vrienden beter kennen (en dat vriendin A voortreffelijke ragout maakt).
  • Als je geen hulp vraagt, krijg je die ook niet.
  • Beter een goede buur dan een verre vriend.

Dat ik een kluns ben, wist ik natuurlijk al lang. Altijd wel een vlek of blauwe plek om dat te bewijzen. Maar deze botsing was next level. En zette het woord onhandig extra kracht bij.

Dankjewel aan iedereen die er voor ons was.

Doe voorzichtig, lieve mensen! Geniet van alles wat je zelf kan. Vraag hulp bij wat je niet zelf kan. Maar houd de touwtjes stevig in handen én je handen aan het stuur. Anders zit je voordat je het weet met je handen in het haar.

Xxx

P.S. Niet zelf je haar kunnen wassen en dat dan bij de kapper (de beste én leukste) laten doen, is een geluk bij een ongeluk.

Op dit moment #15

Toen ik nog iedere dag ging wandelen…

Vijf weken geleden zei mijn kuitbeen ‘krak’. Een bot breken, daar heb je lang plezier van, weet ik inmiddels. Het gips is vijf dagen geleden met een dremel en een hoop daadkracht verwijderd, maar lopen zonder krukken gaat nog voor geen meter.

Ik word blij van: alle hulp die ik krijg. Tegelijkertijd word ik er verdrietig van, omdat ik zo veel hulp nodig heb.
Ik word blij van fantastische vriendjes en vriendinnetjes die mij in de afgelopen tijd regelmatig bezochten of “ontvoerden” en me tot aan een terras reden om vervolgens te lunchen of te borrelen. Ze brachten ons zelfgemaakte smakelijkheden, boeken en bloemen. Ze deden boodschappen, stuurden kaartjes, appten en belden.
Ook mijn zusje heeft me een keer ontvoerd op een moment dat ik héél erg toe was aan het verlaten van ons huis. En mijn mama komt wekelijks kijken hoe het met me gaat.
Ik word blij van fantastische schoonouders die ieder weekend komen poetsen en de vieze was mee naar huis nemen. Nadat ik mijn been brak, waren ze sneller uitgerukt dan de brandweer. Ze geven de planten water en vegen de tuin. Ze spreken me bemoedigend toe en herhalen telkens dat ze alles wat ze doen heel graag voor ons doen. Ze zeggen heel hard “dat had toch niet gehoeven”, als we ze een kaartje of een bos bloemen sturen. Terwijl ze veel meer verdienen dan dat, een standbeeld bijvoorbeeld.
Ik word blij van de leuke jongen uit de trein. Hij kan al eens diep zuchten als ik hem weer vraag om iets voor me te pakken terwijl hij net is gaan zitten, maar hij zorgt met veel liefde en geduld voor me. Hij moedigt me aan, houdt in de gaten of ik mijn oefeningen wel doe, en houdt me tegen als ik te veel wil doen (met één kruk lopen in plaats van twee). Hij geeft me een knuffel als ik dat nodig heb en droogt mijn tranen als ik uit frustratie zit te janken. Voordat hij de deur uitgaat, controleert hij minstens drie keer of hij me wel alleen kan laten. Hoe lief is dat? Ik ben dankbaar dat ik samen ben met iemand die de gratie heeft om mijn shitloads aan onhandigheden door de vingers te zien in de naam der liefde. Althans, meestal. Soms krijg ik een doorwrochte preek en een oogrol. Meestal terecht.
Ik word blij van fantastische collega’s die het gezellig vinden als ik op kantoor ben en me daarom ophalen en thuisbrengen. Ze zorgen dat er altijd een gevulde kop koffie op mijn bureau staat en dragen mijn tas. Ze houden deuren voor me open en schuiven een tweede stoel onder mijn ‘puddingpoot’. Ze grappen dat ik door moet lopen en er als een prinses bij zit en dan kan ik alleen maar lachen. Fijne mensen.

Ik word verdrietig van: hoe verschrikkelijk we in deze wereld met elkaar omgaan. Het gescheld op social media. Het geroeptoeter dat we niet meer in een rechtstaat leven. Onze regering die zichzelf op de borst klopt nu we toch wel 100 mensen (ja MENSEN) uit Griekenland naar Nederland halen. Waar 100 andere mensen die zijn gevlucht voor onderdrukking of geweld de dupe van worden. Influencers met slechts een paar hersencellen die roepen dat ze ‘niet meer meedoen’. Mensen die steen en been klagen over hoe de economie naar de klote gaat en onze vrijheid wordt afgepakt. We wonen potverdorie in één van de welvarendste landen van de wereld, dus denk eens na over hoe veel slechter je het had kunnen treffen.

Ik kijk uit naar: lopen op twee benen zonder krukken. Amai, wat kan een mens ergens naar verlangen.

Ik lees: A Gentleman in Moscow van Amor Towles. Aan het begin van het boek wordt graaf Alexander Iljitsj Rostov veroordeeld tot huisarrest in het Metropol Hotel in Moskou. Zijn misdaad? Hij schreef een gedicht. Hij woont op de zolder van het hotel en ontdekt dankzij een super grappig negenjarig meisje dat het hotel veel groter is dan hij dacht. Het is dan 1922 en terwijl de graaf bedenkt in welke toonsoort de veren van zijn bed kraken, passeren revoluties en oorlogen de deur van het legendarische hotel. Heerlijk boek! In vier weken gips las ik overigens nog vier andere boeken. Waaronder een Esther Verhoef en twee Karen Slaughters. Want ja, in tijden van zelfmedelijden werkt niets zo helend als moord en doodslag óf humor.

Ik luister naar: Kink FM, radio 2, Studio Brussel. Ik draai de laatste tijd maar weinig muziek. Deels omdat het zo’n gedoe is om een cd uit het rek te pakken.

Ik kijk naar: La Trêve. Het “avontuur” speelt zich af in het bosrijke Waalse dorpje Heiderfeld. Wanneer de daar opgegroeide inspecteur Yoann Peeters terugkeert naar zijn geboortedorp en nog nauwelijks een doos heeft uitgepakt, wordt hij gevraagd te helpen bij het ophelderen van een moord. De uit Togo afkomstige voetballer Driss Assani wordt gevonden in een rivier. Tijdens de zoektocht naar de dader blijkt dat er heel veel rare snuiters in het dorp wonen, om het zacht uit te drukken. Veel mensen met een voorliefde voor chantage, alcohol en snel geld verdienen spelen een rol in het verhaal. Net als vergiftigde koeien, een in brand gestoken schuur waarbij per ongeluk iemand omkomt, een SM-loods, een broer en een zus die het met elkaar doen en een nazi-museum in iemands slaapkamer… Veel moord en doodslag. Heerlijke serie. Net begonnen aan het tweede seizoen.

Samen kijken we naar Dwars door België. Een ontroerend, ontwapenend en optimistisch programma. Zalig kijkgenot.

Ik werk: twee dagen in de week op kantoor, daar waar die collega’s zo goed voor me zorgen. De andere dagen werk ik thuis. Qua hoeveelheid werk houdt het niet over. Ik ben deze week met drie opdrachten bezig en mag niet klagen, maar zakelijk gezien is 2020 niet om over naar huis te schrijven. Financieel is het een uitdaging om in de zwarte cijfers te blijven, ook vanwege mijn medische kosten. Natuurlijk had ik mijn eigen risico op maximaal staan, ‘want ik heb nooit wat’… Maar zoals ik hierboven ook al eens schreef, ik had het vele malen slechter kunnen treffen.
Ik houd van mijn werk, maak veel leuke dingen mee en ontmoet bijzondere mensen. De onderwerpen gaan nog steeds all over the place. Deze week schreef ik voor het eerst voor de uitvaartsector. En vorige week belde een klant. “In 2017 schreef jij onze webteksten en daar waren we heel tevreden over. Heb je zin en tijd om een folder en een nieuwsbrief voor ons te maken?” Terugkerende klanten, daar word ik blij van.

Hoe is het met jou? Wat lees en luister je? Waar word je blij van?

Pannenkoeken bakken op krukken. Dan zijn ze extra lekker!

 

“Gaat dat wel op slippers?”

“Gaat dat wel op slippers?”

De leuke jongen uit de trein was nog niet bij het einde van zijn vraag, of ik lag al op de grond.

We sliepen uit. Zagen dat de zon scheen. Pakten onze badlakens en wat te eten en drinken. Stapten in de auto. Togen naar het zwembad in Gulpen. Genoten van prachtig weer en ijskoud water. Aten een ijsje. Bespraken de plannen voor de rest van onze vakantie.

Rond 17.30 uur pakten we ons boeltje bij elkaar en verlieten het zwembad. Door het draaihek aan de zijkant wurmden we ons naar buiten. “Hee, kijk, perfect, de auto staat recht voor de uitgang.” En in plaats van braaf om te lopen naar het begin van de parkeerplaats namen we het grashellinkje naar beneden.

Eén voet bleef staan achter een graspol. De rest van mijn lijf viel een andere kant op. En ik voelde meteen dat het mis was.

Ik kan wel wat hebben qua pijn, maar dit keer stonden de tranen meteen in mijn ogen. (Er zijn legendarische verhalen over mijn pijngrens. Zoals die keer dat ik met een lelijke snee in mijn been thuiskwam en mijn moeder vroeg wanneer dat gebeurd was. Dat was dus een paar uur daarvoor, toen ik mijn been open haalde aan een roestige spijker. Maar ik had geen kik gegeven, vroeg een vriendje om een pleister en ging door met spelen. Daardoor is het wel een bijzonder lelijk litteken geworden…).

De leuke jongen uit de trein zag mij wit wegtrekken en verloor langzaam de hoop dat ik ‘slechts’ mijn enkel had verstuikt. Uren later bij de eerste hulp kwam de bevestiging dat de vakantie compleet om zeep was: “Dat is stuk.”

De vrouw die mijn botten had gefotografeerd, was een vrouw van weinig woorden.

Aan onze drie weken vakantie hoeven we ook niet veel woorden vuil te maken.

De vakantie begon en eindigde op woensdag 19 augustus.