Bonaire #2

“Snorkelen ging prima, ik kan sowieso goed zwemmen, heb een goede conditie, er is een professional bij, er kan niets mis gaan, let’s go!”

Dat is wat ik dacht toen ik vanmorgen een duikles nam. Ik ben niet bepaald bang aangelegd.

Maar zodra ik onder water ging, schoten mijn hartslag en ademhaling omhoog, mijn benen weigerden dienst en mijn brein schreeuwde alleen nog maar “omhoog, omhoog, omhoog!”

In een enorme hoestbui kwam ik boven. Volgens de instructeur waren mijn ogen onder water bizar groot.

Op een bankje op het strand, duurde het zeker een kwartier voor mijn hartslag weer normaal was.

En toch probeerde ik het nog een keer.

De tweede keer ging veel beter. Mijn ademhaling langzamer, mijn hartslag lager, en na een korte aarzeling besloten mijn benen om gewoon te ‘flipperen’.

Ik kwam vooruit, bleef mooi ‘zweven’ tussen bodem en boven, en na een tijdje durfde ik om me heen te kijken in plaats van alleen naar de professional die voor me zwom.

Vraag me niet welke vissen ik zag. Ik ben afgekeurd als vis.

Dankjewel DiveFactory. Dankjewel Luc. Dankjewel voor de aanmoediging, het geduld en de overwinning op mezelf.

Bonaire

Dat ik hier al anderhalve week ben en nog geen blog schreef, zegt veel. Ik blog meestal als er dingen mis gaan, zoals mijn aankomst in Nice waar ik heel lang eerst naar mijn sleutel en daarna naar mijn appartement liep te zoeken. Over mijn angst voor de stationsbuurt in Frankfurt in het donker. Of over die mafketel die op weg naar Finland naast me zat in het vliegtuig en vond dat zelfstandige vrouwen maar het beste dood konden gaan (and he was happy to help).

Maar mijn verblijf op Bonaire komt in de buurt van perfectie. Er zijn alleen wat kleine gedoetjes geweest. Niets om van wakker te liggen. Oh ja, toch wel. Dat wakker liggen… Het is hier bloedheet, maar de eerste nacht in mijn studiootje had ik het ijskoud. De afstandsbediening van de airco deed het niet en dat ding blies recht op mijn bed. Op dat bed lag alleen een laken dat heftig meebewoog op de wind uit de airco. Met een t-shirt aan en handdoek als extra deken, was het net te doen. De tweede nacht in datzelfde bed schrok ik wakker van harde knallen en gegil. Vuurwerk, was mijn eerste gedachte. Er bleken mensen op elkaar te hebben geschoten, ontdekte ik later.

Los daarvan. In de buurt van perfectie dus, dit verblijf op een paradijselijk eiland. De eerste week bij lieve vrienden in een prachtige woning. Een heerlijk bed met een goede klamboe eroverheen. Zwembad in de tuin. Feestjes op het strand. Mee in hun ritme van school en werken en dat was prima om er meteen in te komen. En niet te vergeten: heel goed gezelschap van vrienden die dit eiland al een paar keer hebben uitgespeeld. Vrienden met een muppet van vier die bloemetjes bij mijn bed had gezet en de eerste ochtend vroeg of ik lekker had geslapen. Toen ik ja zei antwoordde hij met “daar ben ik blij om.” Met een andere muppet van zeven die heel blij is om te vertellen welke vissen hij in zijn computerspel heeft gevangen. En nog blijer is met Pokemonijs.

Vanaf week twee dus in een studiootje in het centrum van de hoofdstad. Al klinkt het gek om een paar vrolijk gekleurde huizen, winkels, restaurants en kantoren een hoofdstad te noemen. Leuk is het zeker wel, met veel plekken om gezellig te zitten en lekker te eten en overal kleurrijke muurschilderingen.

Het enige dat ik soms echt jammer vind, is dat de leuke jongen uit de trein er niet bij is om samen verwonderd naar de vele dieren te kijken. Want echt, wat word ik blij van de beestjes en als er iemand nóg blijer van zou worden is hij het wel. Zet een snorkel op en steek je hoofd in het water en het is alleen nog maar genieten. Vissen in alle kleuren. Wuivende koraalwaaiers. Ik zag een grote schildpad van dichtbij met aan zijn zij een koffervisje. Zo mooi om die schildpad rustig naar boven te zien zwemmen om lucht te happen en weer terug naar beneden. Woensdag een introductieles duiken. Ik vind het spannend, maar heb er ook heel veel zin in.

En niet alleen onder water. De roepialen, suikerdiefjes, kolibries, parkieten. De groene lora met zijn gele kop. De fregatvogels, de visarend, de gekke pelikaan die lomp landt in de zee. De flamingo’s. De leguanen, gekko’s en salamanders. De ezeltjes en geitjes die onverstoorbaar de weg oversteken.

Ik keek naar een potje waterpolo in zee. Naar een wedstrijd softball wat hier een hele happening is. Ik zag kitesurfers en wingfoilers. Ik zag dappere (of gestoorde) mensen op een fiets en hardlopen op het heetst van de dag.

Ik vergat hoe snel de zon ondergaat zo dicht bij de evenaar, dat je de zon echt ziet bewegen, terwijl ik het toch al eerder meemaakte in Benin en Senegal. En dan eenmaal onder, die spectaculaire lucht vol roze en oranje.

En geloof het of niet, ondertussen werk ik ook nog. Ik rondde twee verhalen af en stuurde twee facturen. Ik plaatste berichten op de website van Opgroeien in Parkstad en werk aan de nieuwe website van Debatcentrum Sphinx. Morgen staan er verschillende interviews op het programma met ondernemers hier die Limburgse wortels of andere verbindingen met Limburg hebben. Het eerste interview al om 8 uur ’s ochtends. Dus over een tijdje krijgt Ondernemen in Limburg een Caraïbisch tintje.

Kortom, ik vermaak me wel.

Nog anderhalve week van dit. Ik ben een bofkont.

Bij daglicht waren we vrienden

Wat was je mooi, gastvrij en gezellig. Met je vakwerkhuizen, je kerken, je parken, je glazen hoogbouw, je knusse pleintjes met allemaal hun eigen kiosk en je brede rivier met de vele karakteristieke bruggen als verbinding tussen de boomrijke boulevards aan beide zijden.

Je betoverde me met je Palmengarten in herfstkleuren. Je schonk me straffe koffie. En je kerstmarkt kon ik goed hebben. Die was serieus mooi aangekleed en ruim opgezet. En bovendien een ideale plek om heerlijk te eten. Minder ongemakkelijk dan in je eentje in een restaurant.

In het donker vond ik je kil, onheilspellend en intimiderend. Ik voelde angst voor het duister en niet vanwege de monsters onder mijn bed of het tikkende takje tegen mijn slaapkamerraam.

Ik ben wel wat gewend. Een angsthaas kun je me niet noemen. In veel steden is de stationsomgeving een tikkeltje onaangenaam, zeker na zonsondergang. Maar Frankfurt spande de kroon. Nergens anders zag ik zo veel spuiten, slikken, snuiven, roken en drinken op zo’n kleine oppervlakte. Nergens zo veel bleke gezichten.

Aanstekers, lepels en aluminiumfolie.

De man die tussen twee containers zijn broek liet zakken om te poepen.

“Voel eens wat ik hier in mijn jas heb”, zei de jongen die ineens naast me opdook. Krassen in zijn gezicht, ogen diep in hun kassen. Met één hand kneep hij in iets in zijn jaszak. Ik wilde niet weten wat het was en keek snel de andere kant op. Hij bleef naast me lopen tot ik een hoek omsloeg. Hij kon op zoek naar een nieuw ‘slachtoffer’.

De stationsomgeving vermijden was geen optie, mijn hotel lag er vlakbij. Alleen bij daglicht naar buiten gaan, schoot ook niet op. Om half zes was het al donker.

Het enige voordeel van nachtelijk Frankfurt? De magisch mooi verlichte kantoortorens. Als bakens. Ze wezen mij als geografisch gehandicapte uitstekend de weg. Google Maps kon ik meestal in mijn zak laten.

Alleen reizen, begin er (niet) aan!

Ik neem de bus naar Aken, want dat prestigeproject dat drielandentrein heet, rijdt sowieso niet als je het nodig hebt. De bus doet er een stuk langer over dan aangekondigd op 9292. Gelukkig heb ik ruim gepland (niet mijn specialiteit) en maak ik me niet echt zorgen dat ik de trein ga missen. Oh gelukzalige onwetendheid.

Bij het station stap ik uit de bus. Er hangt een gespannen sfeer. Politie bij de bushaltes en bij alle stationsingangen. Geen ‘losse’ agenten, maar allemaal in groepjes van drie of meer. In het station heerst chaos. Veel treinen rijden niet vanwege een ontsporing van een goederentrein. Dat van die ontsporing weet ik op dat moment nog niet, maar dat het ellende op het spoor is, is direct duidelijk.

Uiteindelijk lukt het me om in mijn beste Duits te achterhalen hoe ik nu in Keulen en uiteindelijk in Frankfurt moet komen. “Je moet in één van die grijze bussen die nu aan de overkant van de straat staat”, vertelt de medewerker van Deutsche Bahn. “Maar je moet wachten tot die bussen zijn gekeerd. En dat is ongeveer over een half uur.” Terwijl ik op de grijze bussen wacht, trekt een hele groep zingende voetbalsupporters over het plein. Dat verklaart de hoeveelheid agenten.

De bus is relatief luxe, maar wordt wel helemaal vol gestopt. De buschauffeur is streng. Koffers moeten beneden in het ruim. We moeten onze riem vastmaken. We moeten bij aankomst blijven zitten tot hij zegt dat we op mogen staan. De man naast mij valt met wijd open mond in slaap. In de bus maak ik me zorgen. Kan ik met mijn ICE-ticket straks in Keulen in een andere trein stappen? Of moet ik een nieuw ticket kopen en is het jammer van het eerder betaalde bedrag? En hoe laat kom ik in vredesnaam in Frankfurt aan? Ik moet er voor 19 uur zijn. Ik heb mijn hotelkamer niet vooraf betaald en ze garanderen maar tot 19 uur dat ze de kamer voor me vasthouden.

Na ongeveer een kwartier rijden we langs de plek die de oorzaak is van de ellende. De buschauffeur vertelt dat we naar rechts moeten kijken. Ik zie ontspoorde wagons, een hijskraan en heel veel mensen in fluor oranje.

Op het station in Keulen is het eveneens totale chaos. Ook hier een gespannen sfeer. Veel mensen kijken fronsend naar de borden, waarop vooral veel vertragingen staan. Bij alle informatieloketten staan lange rijen. Maar wat me het meest aangrijpt, is de enorme hoeveelheid daklozen in het station. Misschien gebruikelijk als het buiten zo ontzettend koud is als vandaag, maar ik herinner me dit niet van toen ik een tijdje geleden met een vriendin in Keulen was.

Er liggen mensen op stoelen, er liggen mensen tegen de muren. Verschillende mensen graven in de prullenbakken naar statiegeldflesjes en etensresten. Ik probeer mijn neus niet op te halen, want dat zou niet erg respectvol zijn. Maar mijn hemel wat hangt er een penetrante geur. Ik wil zo snel mogelijk naar één van de platforms, maar dan moet ik eerst weten vanaf welk spoor mijn trein gaat.

Het duurt lang voordat ik op de steeds verspringende borden ontcijfer hoe laat en waar de volgende ICE naar Frankfurt vertrekt. Na lang wachten beantwoordt een medewerker van Deutsche Bahn mijn prangende vraag. Met het ticket dat ik heb, mag ik ook in een andere trein stappen. Die over drie kwartier komt, als de vertraging van nu al een kwartier tenminste niet verder oploopt. Natuurlijk blijk ik bij het eerste klas gedeelte te staan en moet ik een heel stuk teruglopen om bij de tweede klas in te stappen. Op wonderbaarlijke wijze vind ik nog een zitplek.

Tegen de tijd dat ik eindelijk in Frankfurt aankom, is het donker en nog een paar graden kouder. Ik heb honger en moet plassen. Snel op zoek naar het hotel. Gelukkig is het nog ruim voor 19 uur. Net als in bijna alle steden is de directe omgeving van het station niet de beste plek om te zijn, zeker niet na zonsondergang. Waar worden toch iedere keer die blikken jonge hangmannen opengetrokken? Een man wil mij aanspreken. Ik vertrouw hem niet en versnel mijn pas zo veel als mijn volle blaas dat toelaat. Gelukkig komt hij me niet achterna.

Eenmaal op de wc van mijn hotelkamer kan ik eindelijk ontspannen.

Voor de zoveelste keer vraag ik me af wat er ook alweer leuk is aan alleen op reis gaan.

Dat antwoord komt de volgende ochtend. Ik kijk uit mijn hotelraam en zie een prachtige oranje lucht. De zon komt op tussen de imponerende hoogbouw van de stad. Om half 9 ben ik buiten. Ik maak een mooie wandeling door verrassend groene wijken en door parken waar fanatiek wordt gesport.

Op een bankje in de zon kijk ik naar een jongen die zijn worpen op de basket probeert te perfectioneren. Daarna trekt een klein jongetje mijn aandacht. Hij klimt op een hufter proof crosstrainer (toepasselijk op zondag als ik normaal zelf ook altijd ga fitnessen). Hij komt met zijn handen nauwelijks bij de handvatten en als hij zijn voeten in beweging zet, belandt hij bijna in een split (of is het een spagaat?). Maar een lol dat hij heeft!

Aan het eind van de ochtend drink ik goede koffie in een leuk zaakje waar ik uiteindelijk ook lunch. Ik heb mijn boek en mijn laptop bij me. Ik lees een beetje, werk een beetje en observeer de mensen die in en uitgaan. Hier zitten toeristen en locals. Ik vang leuke gesprekken op. Het is fijn om meerdere talen te verstaan en lekker te luistervinken. Na een paar uur ga ik weer aan de wandel. Ik maak een tussenstop bij de supermarkt. Alleen lunchen was prima, maar ik voel me nog niet zeker genoeg om alleen op restaurant te gaan.

In mijn hotelkamer werk ik nog even verder terwijl buiten de zon uit en de lampen aangaan. Het eerste interview van de negen die ik in Frankfurt hoop uit te werken, is bijna klaar als ik aan deze blog begin. Het bureau in mijn hotelkamer is goedgekeurd.

Reizen is fijn. Samen reizen is fijn. Met een vriendin of met de leuke jongen uit de trein. De leuke jongen uit de trein en ik zijn er heel goed in samen (los van de weg naar de vakantie toe, die is minder aangenaam), vooral in stedentrips. In Brussel leven we allebei helemaal op, dat is echt onze tweede thuisstad. Ik hou extra veel van hem als hij op ons favoriete pleintje zit. Geen idee hoe dat psychologisch werkt. Ook in Zweden, Marokko en Canada waren we een prima team, om maar wat landen te noemen.

Afgelopen zomer in Rotterdam genoten we samen van precies dezelfde dingen. We hadden een toptijd. Met onze handjes Ghanees eten. Met chic bestek een 7-gangen-menu verorberen. Met onze neus in de zon naar dappere mensen kijken die in de Maas springen om te zwemmen.

Alleen reizen is fijn. Denken en doen lopen dan bijna gelijk. Denken ‘de zon schijnt, ik wil naar buiten’ en dan een kwartier later buiten staan. Ik hoef de douche niet af te drogen. Ik kan de boel de boel laten, want het boeit niet dat mijn koffer midden in de kamer staat en de kleren van de vorige dag op het bed liggen. Als ik weg ben, functioneer ik in een heel ander ritme dan thuis. Het lijkt alsof ik in een andere omgeving makkelijker opsta en makkelijker schrijf. Om de één of andere reden laat ik me minder afleiden dan thuis als ik in een hotelkamer of ‘vreemde’ koffietent aan het werk ben.

Het is natuurlijk pure luxe dat ik dit af en toe kan doen. Dat ik kan reizen. Samen en alleen.

Dat ik het kan combineren met mijn werk.

Ik duim wel alvast voor een iets soepelere terugweg…

Vieze stinkstad vol schoonheid

“Vieze stinkstad vol irritante kerels”, zei ik toen ik 18 (?) jaar geleden terugkwam uit Rome. Een stinkstad vind ik het nog steeds. In bijna ieder hoekje komt de ammoniak je tegemoet. Van alle Europese steden waar ik ooit was, ligt hier het meeste afval op straat. Op sommige pleinen is geen vuilnisbak te bekennen. De vorige keer kon ik daar niet doorheen kijken, nu wel. En voor de kerels die ons 18 jaar geleden voortdurend ‘ciao bella’ roepend achterna liepen en lastigvielen, ben ik al lang niet meer interessant.

Als je het vuil negeert, is Rome een prachtige stad. Gigantische standbeelden, majestueuze pleinen, brede trappen en machtige gebouwen. Gebouwen met schoonheid tot in de kleinste details. De marmeren tegels op de vloer, het beslag op de deur, de stenen vensterbanken, de zuilen, de trappen. En dan de leeuwen, engelen, saters en goden die de daken ondersteunen.

In mijn herinnering was Rome gigantisch groot. Dat bleek mee te vallen. Ik deed alle bezienswaardigheden te voet. En dat zonder Google Maps, omdat ik nergens mijn internet aan de praat kreeg. Halleluja voor de leuke jongen uit de trein die me telefonisch begeleidde naar mijn hotel. En halleluja voor de grote en makkelijk herkenbare straten Via Cavour en Via Nazionale zodat ook iemand met een geografische handicap telkens de weg terugvindt.

Altijd hoogseizoen

Een monument vinden, wil nog niet zeggen dat je het ook kunt aanraken. Ik heb het verschillende mensen gevraagd, maar Rome heeft geen laagseizoen. Dus ik zwaaide naar de Trevi, maar had niet de puf me er een weg naartoe te ellebogen om het water te kunnen zien. Ook het Vaticaan zag ik van een afstand over een zee van hoofden. Een beetje dwalen door de straten is mijn lievelingsbezigheid in iedere stad. Want ‘om de hoekjes liggen de koekjes’. Dus dat is wat ik deed.

Zo zat ik ineens in een groot sportpark met een basketbalveld een gigantische skatebaan en een aantal fitnesstoestellen. Terwijl een tiener met onvoorstelbaar doorzettingsvermogen steeds hetzelfde trucje oefende op zijn skateboard en herhaaldelijk viel, deed een vrouw van een jaar of 60 met een lange grijze staart buikspieroefeningen in een hip zwart sportpakje. Een basketballer smeerde zijn hoofd in met zonnebrandcrème terwijl een jongetje van hooguit vier zijn helm opzette om de baan op te gaan. Ik had een boek bij me, maar kwam niet aan lezen toe. De zon, de sportieve mensen, de schoonheid van het park (veel groen) en het grotendeels ontbreken van andere toeristen bezorgden me een ultiem geluksmoment. En van waar ik zat, had ik ook nog uitzicht op het Colosseum! Ik ben geen expert, maar dit park moet in een wereldwijde top-3 staan. Als je ergens je pols moet breken als je in een halfpipe naar beneden stort, is het hier.

Italiaanse keuken

Over een top-3 gesproken. Italiaans eten staat daar voor mij denk ik wel in. Te beginnen met koffie. Die viel in Ierland niet tegen, maar een espresso in een Romeins barretje… engeltjes die op je tong piesen. En na het ontbijt een cappuccino met perfecte schuimtopping. Wat een zegen om niet in iedere winkelstraat en op ieder station tegen een Starbucks aan te lopen. Want hoezo zou je hier een pumpkin spice chai latte dinges drinken?! Pasta als lunch én als diner vind ik helemaal prima. Weinig ingrediënten, maar allemaal super vers. En wat te denken van het allerbeste ijs in alle kleuren en smaken?

De avond dat we met alle collega’s gingen eten was een bacchanaal. Nog nooit gezien dat er zó veel eten overbleef en we deden echt ons best. Het was onwijs lekker. Eerst kwamen de schalen met XL-bitterballen gevuld met courgette en aubergine. Samen met de houten planken vol gekruid brood. En andere houten planken met daarop tig soorten vlees en kaas. Daarna kwam de pasta, geserveerd in steelpan of op een soort veger (van blik en veger). En dat waren pas de antipasti en de primo piatto. Van het hoofdgerecht (ossobuca) nam ik twee happen. En op het moment dat ik dacht dat het eten en de wijn uit al mijn poriën zouden komen en iemand me naar de bus moest rollen, kwamen de borden met gefrituurd pizzadeeg overgoten met Nutella. Een full Irish breakfast was een walk in the park vergeleken met deze overdaad.

Er gelden wel rare regels in de horeca. Bij de ene gelateria moest ik drie bolletjes nemen, terwijl ik er eigenlijk maar twee hoefde. Bij de andere ijsverkoper kreeg ik juist drie enorme bollen die helemaal niet op het hoorntje pasten. Met een hoop geknoei en geplak tot gevolg en het ternauwernood van de straat redden van mijn bol limoenbasilicum. Eén van mijn collega’s vertelde dat ze ergens maar 1 smaak mocht kiezen en dat de serveerster bepaalde hoe veel bollen ze kreeg.

Op een avond zat ik in een restaurant waar ik alleen een soort borrelplank mocht bestellen omdat het volgens de serveerster te druk was voor à la carte. Op een hele fijne plek vlakbij een klein parkje waar ik was neergestreken voor mijn lunch, kon ik wijn alleen per fles bestellen. Dus ik nam met spijt een pilsje, ik vond het echt nog te vroeg voor een fles.

Op een andere avond werd een ober boos om een vreemde reden, vonden wij. We waren met 4 collega’s en vroegen of we plaats konden nemen op zijn terras. Een vraag uit beleefdheid, want het terras was volledig leeg en het bedienend personeel stond met zijn duimen te draaien. Even later liepen 4 collega’s langs die erbij wilden komen zitten. Dat kon echt niet! “We hadden gezegd dat we met 4 personen waren, dan was het onfatsoenlijk als er meer mensen bij kwamen zitten.” Voor deze ene keer maakte de ober een uitzondering, zei hij, terwijl hij met zijn ogen rolde.

Modieuze verschijningen

Italianen zijn een lust voor het oog, zelfs als ze met hun ogen rollen. En dat bedoel ik niet op een seksuele manier. Ze zien eruit om door een ringetje te halen. Zelfs hun werkkleding is modieus. De Protezione Civile loopt rond in strakke poloshirts met een kraag en boorden in de kleuren van de Italiaanse vlag. Vrouwen laten op hoge hakken en in een elegante rok al bellend hun hond uit over kinderkopjes en scheve stoeptegels. Indrukwekkend. Wie haren heeft, heeft ze keurig in model. Baarden zijn strak getrimd. Brillen zijn een modestatement. En het is al goud dat er blinkt. Aan vingers, om nekken, om polsen. Maar toch subtiel.

Prima prijzen

Het hotel waar ik logeerde lag op een absolute toplocatie. Maar dan nog was 220 euro per nacht voor een postzegel aan de hoge kant (om het netjes te formuleren). De douche was zo klein dat ik altijd het douchegordijn, de muur of de kraan raakte, zelfs als ik stilstond. Op het toilet raakte mijn knieën nog net niet de muur. Ik had drie kleerhangers aan een rail, maar geen plank om iets neer te leggen, laat staan een kast. Geen stoel. Geen koelkast. Geen uitzicht.

Maar op het hotel na, vond ik de prijzen heel erg meevallen. Ik at en dronk elke keer voor 25 euro of minder. Voor de drie kleine bolletjes ijs betaalde ik 4 euro, voor de drie grote bollen 5 euro. Supermarkten waren heel betaalbaar. Mijn nieuwe lievelingsdrankjes (San Benedetto Ginger en Bitter Bianco) kostten nog geen euro en hadden bovendien een handig meeneemformaat van 0,75 liter. En wat zat ik op een fantastische (en daarom verschrikkelijke) plek om te winkelen. Er lagen twee grote vintagewinkels op een paar meter van het hotel waar alle items eerst 12 euro en twee dagen later 10 euro kostten. Verder zat het buurtje vol tassen- en sieradenwinkels. Doordat mijn koffertje op de heenweg al redelijk vol was, werd de terugweg flink proppen.

Alleen reizen

Veel mensen snappen het niet, maar ik vind het leuk, alleen op vakantie gaan. Al moest de leuke jongen uit de trein mij dus redden toen ik uit de trein stapte en geen internet aan de praat kreeg. Alleen eten voelt op de ene plek wat ongemakkelijker dan op de andere, maar het went snel. En het pleintje voor het hotel was perfect om met een glas wijn te gaan zitten tussen alle andere inwoners en toeristen die ook bij de fontein zaten.

Er was één plek waar ik er echt de pest in had dat ik alleen was. Op station Termini waar ik de trein terug naar het vliegveld moest nemen. Ik had er heel veel moeite om wijs te worden uit de kaartjesautomaat en om het goede perron te vinden (goed uit je doppen kijken is een kunst en het duurde een eeuwigheid voor ik de knop had gevonden waarmee ik de taal van de automaat kon veranderen). Ik was voortdurend bang dat ik zou worden gerold omdat het er godvergeten druk was. Achttien jaar geleden was dat precies wat me gebeurde, terwijl ik toen niet eens alleen was.

Een derde keer?

Ik hoefde niet noodzakelijkerwijs terug naar Rome. Ik was er al geweest en had er niet de beste herinneringen aan. Maar nu ik er voor werk heen mocht, zei ik natuurlijk geen nee. En ik sluit niet uit dat ik nog een derde keer ga. Want ondanks mijn gemiddelde van 20.000 stapjes per dag, valt er nog genoeg te ontdekken.

Nog even terugblikken op die fantastische reis

Het is maandag, de eerste werkdag van de derde werkweek na die bizar mooie vakantie. Mijn hoofd zit vol moleculaire beeldvorming, elektronenmicroscopie en operationele managementsystemen. De trefwoorden van twee grote opdrachten waar ik nu mee bezig ben. Ik had zin om weer te gaan werken en die zin is nog niet overgegaan. Ik werk met fantastische mensen die mij helpen om onderwerpen waar ik weinig van snap begrijpelijk op papier te zetten. Maar zodra mijn werk het toelaat, dwalen mijn gedachten weer af naar Canada. Of althans, naar dat kleine stukje wat we van dat grote land hebben gezien.

In willekeurige volgorde een paar dingen die ons het meest opvielen aan Vancouver:

  • Vriendelijke en beleefde mensen. Die netjes in de rij wachten voor de bus. Vrolijk goedendag zeggen tegen de buschauffeur bij het instappen en dankjewel roepen bij het uitstappen. Die hun stoel afstaan zodra een ouder iemand of iemand met een stok of rollator in de bus of de metro stapt. Het is ons maar één keer gebeurd dat er al mensen instapten terwijl we de metro nog niet uit waren. Die stukken ongeduld waren geen Canadezen maar toeristen.
  • Vriendelijke en beleefde mensen. Ja, ik zeg het nog een keer maar dan met andere voorbeelden. In iedere winkel vragen hoe het met je gaat en -als het niet te druk is- waar je vandaan komt en hoe je in Canada bent terechtgekomen. En tips geven waar je kan vinden wat je zoekt, ook al is dat bij de concurrent. In de kroeg heb je gemakkelijk aanspraak, ook als mensen nog niet doorhebben dat je een toerist bent. Aan de bar in The Raven (Cathedral Cove) bood iemand ons spontaan een lift terug naar het centrum aan waar we dankbaar gebruik van maakten.
  • De kassières in de supermarkten zijn gemiddeld vele jaren ouder dan in Nederland. In Canada ben je blijkbaar niet te duur zodra je achttien wordt. Bovendien zijn de medewerkers super vriendelijk (ja, ik zeg het nóg een keer) en nemen ze de tijd voor een praatje. Waarover niemand in de rij zich opwindt.
  • Boodschappen doen is een beleving op zich, alleen al door de omvang van de gemiddelde supermarkt. Verhoudingsgewijs zijn flessen frisdrank van twee liter veel goedkoper dan flessen van een liter. Een pot pindakaas van 500 milliliter is maar een paar cent goedkoper dan een pot van een liter. Maar die producten kun je in elk geval nog in een ‘handige’ maat krijgen. Bij veel andere producten zit er niets anders op dan voor groot gaan. Broodjes per 12 in een zak. Blikjes per 24 in een kartonnen doos. Melk in een container van een paar liter. Prima als je in Canada woont in een huis met een grote voorraadruimte. Onpraktisch als je in een Chevrolet Spark (met wifi!) met enkel een rugzak en een klein rolkoffertje van locatie naar locatie trekt op Vancouver Island. De gemiddelde hotelkoelkast is geen match voor de gemiddelde verpakking.
  • Spandex en andere leggings zo ver het oog reikt. Waardoor de ogen van de leuke jongen uit de trein nog wel eens afdwaalden. Dwars door alle lagen van de bevolking en alle leeftijden heen dragen de meeste vrouwen in Vancouver leggings. Van effen zwart tot alle kleuren van de regenboog. En dan niet met een lange bloes of een jurkje eroverheen. De voorkeur gaat naar korte shirts en tops. De meeste vrouwen kunnen het overigens goed hebben. Nergens ter wereld zagen we zo veel sportscholen en yogastudio’s per vierkante meter als in Vancouver.
  • Over kleding wordt sowieso heel anders gedacht. Praktisch gaat in bijna alle gevallen voor mooi. Waar we in Maastricht telkens de grootste lol hebben als we weer iemand op hakken over de kinderkopjes zie struikelen, zagen we in Canada hoogst zelden iemand op hakken. Sneakers, sneakers en nog eens sneakers. Zoals de vrouwen voor leggings kiezen, gaan de mannen voor joggingbroeken en slobberige jeans. Zelfs in het restaurant, in het theater en in de rij voor een grote première op het filmfestival zagen we maar weinig opsmuk.
  • Vlagvertoon. Geen straatbeeld zonder ergens de maple leaf te zien. Op gebouwen en pleinen. Bij monumenten en onderwijsinstellingen. Op vrachtwagens en boten. Zouden ‘wij’ dat ook doen als we zo’n mooie vlag hadden?
  • In sommige opzichten liggen de Canadezen mijlenver op de Nederlanders voor als het om natuur en milieu gaat. Bermen en omheiningen zijn vaak een groen kunstwerk op zich. Parkeerplaatsen, tankstations en winkelcentra zijn omzoomd door goed onderhouden bomen en planten. Veel (openbare) gebouwen hebben een daktuin. Op veel plekken in de stad zijn ‘watertjes’ aangelegd. Van kleine fontein tot grote vijver met waterplanten. Voor de horeca in Vancouver is het de normaalste zaak van de wereld om vooral lokale, biologische producten aan te bieden en een grote keuze vegetarisch of zelfs veganistisch. Om de paar meter staan prullenbakken en dan meestal ook nog drie naast elkaar om de verschillende soorten afval te scheiden. Bij veel bankjes staat een emmertje om sigarettenpeuken weg te gooien.
    Tegelijkertijd worden nog overal gloeilampen gebruikt. Benzine is goedkoop. Huizen zijn niet of nauwelijks geïsoleerd (houten muren, enkel glas). En terwijl er aan wind geen gebrek is, zagen we niet meer dan een handvol windmolens.
  • De back alley. Ik kende het fenomeen alleen uit films, als de plekken waar lijken tussen het vuilnis worden gedumpt en ratten heen en weer schieten. Je voordeur kan prima aan een aangeharkte stoep met bomen en bloembakken liggen terwijl je achterdeur uitkomt op een strook asfalt tussen raamloze muren. Niet altijd lelijk trouwens, graffiti maakt van sommige back alleys bijzondere kunstwerken.
  • Wat zij koffie noemen, vinden wij geen koffie. Zelfs van een grote mok vol koffie kun je de bodem zien. Slappe hap dus.
  • Geen stinkende urinoirs. Geen gezeik dat vrouwen het maar zelf uit moeten zoeken. Je hoeft nergens lang te zoeken voor een openbaar toilet. En die zijn gratis én schoon. De potten hangen heel laag, waardoor ik na een dag wandelen soms maar moeizaam overeind kwam. Tja, je kunt niet alles hebben.
  • De adembenemende natuur.

Kortom, Canada is een totaal ander land dan Nederland.
Ik zou er wel kunnen wonen.

 

Vancouver Island #2

20190921_141449.jpg

Morgen verlaten we het eiland. Terug naar de stad. En dat doet een beetje pijn. Want wat is Vancouver Island bizar mooi. Wat zijn de mensen vriendelijk. En hoe groot is de kans dat ik nog eens terugkom?

De natuur is overweldigend. “Mooi hè?!”, is mijn vaakst uitgesproken volzin van afgelopen week. We zagen twee imposante adelaars zweven boven de baai in Nanaimo. We zagen reusachtige bomen van honderden jaren oud in Cathedral Grove. We zagen de zon verdwijnen achter een grillige bergketen in Port Alberni. En vandaag keken we met ingehouden adem hoe een mamahert met twee jongen een straat overstak in Parksville, terwijl een automobilist geduldig wachtte. Een uur later stonden we weer oog in oog met een hert dat rustig stond te kauwen terwijl we hem/haar fotografeerden.

De grote dieren – eland, walvis, beer – hebben we nog niet gezien. Maar dat kan zomaar nog gebeuren. Onze gastheer in Port Alberni liet ons een filmpje zien van een beer die onder het huis van de buren uit kroop na zijn winterslaap. In de maanden daarvoor had niemand gemerkt dat het dier daar lag, ook de honden en katten niet. De beer had ook geen enkele haast om terug het bos in te gaan. Maf!

Morgen zien we de baai van Nanaimo steeds kleiner worden en de wolkenkrabbers van Vancouver steeds groter. Ik zal alweer geen boek nodig hebben. Kijken, kijken, kijken. Als een blij ei.

20190922_165734.jpg

Vancouver Island

20190917_140304.jpg

We hebben met een ferry de oversteek naar Vancouver Island gemaakt. Prachtig om tussen Horseshoe Bay en Nanaimo (zelfs de plaatsnamen zijn hier mooi!_ de wolkenkrabbers steeds kleiner en het wateroppervlak steeds groter te zien worden. Van Horseshoe Bay naar Nanaimo. Mijn boek is tijdens die anderhalf uur niet uit mijn tas geweest, ik had het te druk met naar buiten kijken.

De stad Vancouver is groen, ‘de overkant’ is nog veel groener. En dat is volkomen begrijpelijk, want het weer in Nanaimo en omstreken is knudde met een rietje. Nat, natter, natst. Dus er zit weinig anders op dan de voortreffelijke etablissementen voor spijs en drank opzoeken.

Misschien huren we morgen een auto om verder te reizen, misschien ook niet… Het is hier ondanks de regen bijzonder goed toeven.

20190917_164717.jpg

 

 

 

Ik hartje eten

Toen ik werd geboren, woog ik nog geen twee kilo. Ik was twee maanden te vroeg, kwetsbaar en nog niet helemaal af. Ik werd bijgevoederd door mijn neus. Binnen een jaar ‘lag ik op schema’ en sinds de laatste klas van de basisschool hoor ik bij de dikste helft. De oorzaak was nooit weinig beweging (buitenspelen, fietsen, turnen, zwemmen, dansen, fitness, badmintonnen…), maar altijd te veel eten.

Wat smerig was, werd lekker

Dat ik graag eet, is een understatement. Zoet, hartig of een combinatie van de twee. Het is niet zo dat ik vanaf het begin een alleseter ben, maar wel een veeleter. Sommige producten heb ik leren waarderen. Als kind lustte ik geen kaas en geen champignons, twee ingrediënten die ik nu in bijna ieder gerecht stop. Erwten uit blik of pot, zeker als daar ook worteltjes bij zaten, vond ik niet te hachelen. Mijn eerste kop koffie vond ik smerig, net als mijn eerste glas bier. Soms heb ik wel eens spijt dat ik heb doorgezet…

Proberen

Ik ben nooit bang voor eerste keren. En ben ik ‘elders’, dan pas ik me aan lokale gebruiken aan. Gefrituurde insecten, gefermenteerde groenten, gekookte muskusrat, gegrilde kippenpoot (en dan bedoel ik echt de poot en niet het vlees) en huisgestookte palmwijn. Ik proef bijna alles. Al is het soms met mijn ogen dicht. Kluiven, pulken, alleen de rechterhand gebruiken, ik vind het allemaal prima.

Vetrandjes

Er zijn een aantal dingen die ik liever niet (meer) in mijn hoofd stop. Omdat mijn toenmalige baas op een duur etentje trakteerde, proefde ik ooit foie gras. Vies! En wegens zielig voor de beestjes, hoef ik het ook niet te leren eten. Oesters blijven voor mij happen zeewater met glibber. En wegens belachelijk duur, hoef ik die ook niet te leren eten. Aan schapenvlees hoort geen huid meer te zitten. Geitenvlees is alleen te doen als het bijna van het bot valt. Vetrandjes aan koteletten, of aan boterhammenvlees, daar blijf ik van gruwelen.

Staart

Op de foto bij deze blog staat een van de smerigste dingen die ik ooit at. De saus ging nog wel, maar het vlees dat aan deze staart zat, kokhalzen, brrrrr.

Benin_staartBen jij een avontuurlijke eter? Wat lust je echt niet? Wat zou je nooit proberen en waar ben je juist heel benieuwd naar?