Het blijft een ding

Niet kunnen praten over je gevoelens heeft voor iedereen een andere oorzaak. Behalve door een gebrek aan zelfvertrouwen kan het ook veroorzaakt worden door het feit dat je vaak eigenlijk niet goed weet wát je nu eigenlijk voelt. Ook gebeurt het vaak dat personen die in hun jeugd niet de ruimte hadden om over hun gevoelens en gedachten te praten, hebben geleerd hun gevoel weg te stoppen. Dit vormt de basis voor het niet kunnen praten over je gevoelens, maar ook voor moeite met het herkennen ervan.

Dit stukje las ik net ergens online. Eerlijk is eerlijk, ik haalde er wel even een verkeerde komma uit en voegde er een woord aan toe voordat ik het hier plaatste, haha.

Ik blijf het knetter moeilijk vinden om over gevoelens te praten. En ik herken heel erg het ‘niet goed weten wat ik voel’. Soms huil ik om niets en heb ik geen idee waar het vandaan komt. Is het dan vanwege een bepaald gevoel of zijn het gewoon mijn hormonen? Soms heb ik echt geen zin om bepaalde mensen te zien en duik ik weg achter een boom of marktkraam als ik ze zie lopen. Terwijl ik het leuke mensen vind. Zit daar een gevoel achter of ben ik gewoon raar? En hoe moet ik dan in hemelsnaam beschrijven wat ik voel? En een onderbuikgevoel, bijvoorbeeld iemand niet vertrouwen zonder tastbaar bewijs, hoe leg je dat uit?

Relaties groeiden in de afgelopen jaren soms scheef. Dat een kennis of vriend(in) steeds verder ging in een bepaald soort gedrag, ik daar verdrietig van werd, maar er telkens niets van zei. Omdat ik niet wist hoe ik het moest verwoorden en omdat ik bang was voor conflict. Bovendien kon ik het lekker bagatelliseren met ‘hij/zij is ook heel lief, begripvol, enthousiast, attent en stuurde pas nog een leuk kaartje’. Maar dan kwam er onvermijdelijk een punt waarop ik er niet meer tegen kon. Dan appte ik wat ik vond (stel je voor dat ik echt zou gaan praten) of ik liet gewoon niets meer van me horen. Wat ‘die ander’ dan logischerwijs niet begreep.

Ik wist honderd procent zeker dat ik geen kinderen wilde. Ergerde me groen en geel als ik een baby hoorde huilen. Werd er soms zelfs agressief van. Tot ik me ineens niet meer ergerde aan een huilende baby en ik zelfs het gevoel kreeg die baby te willen troosten. Een gevoel waar ik van schrok. Laat staan dat ik een idee had van hoe ik dat onder woorden moest brengen. (Inmiddels is het overigens helemaal goed dat er nooit een kind kwam).

Daar staat tegenover dat ik soms heel goed weet wat ik voel en hoe ik dat moet verwoorden compleet met alle emoties die ik doormaak en een omschrijving in superlatieven en metaforen. Ook dan houd ik (wijselijk?) mijn mond. Er zijn nu eenmaal mensen die nooit aan zelfreflectie doen en de schuld voor wat dan ook nooit bij zichzelf zoeken. Mensen waar ik wel nog heel vaak mee door één deur moet. Gevoelens aan dat soort mensen omschrijven, is totale tijdverspilling.

Wat ik nu eigenlijk wil zeggen? Geen idee. Dat ik dringend nog eens moet gaan wandelen met de ene coach en op de bank moet gaan zitten bij de andere coach, denk ik.

Hoe voel jij je vandaag?

Therapie #3

“Maar heb je dat ooit wél gedaan, met een partner gepraat?”, vroeg de therapeut toen ik vertelde dat ik het nog steeds zo moeilijk vind om met de leuke jongen uit de trein over zorgen en gevoelens te praten.
“Nee, ik besprak wel eens iets met vriendinnen, maar nooit met vriendjes.”
“Thuis praatten jullie ook niet over gevoelens, vertelde je. Dus dat heb je nooit geleerd.”
“Oh ja.”

Ik merk dat ik het ‘valt wel mee’, ‘schiet eens op’ en ‘stel je niet aan’ uit mijn jeugd gemakkelijk overneem. Dat ik bijvoorbeeld bij mijn lieve nichtje A snel de neiging heb zo’n opmerking te maken, als ze – in mijn ogen – zeurt, jammert of huilt om niets. Terwijl ik natuurlijk ook gewoon kan proberen te luisteren, door te vragen, te troosten (en dan misschien alsnog te vinden dat ze zich aanstelt).

Ik heb een hele liefdevolle opvoeding gehad. Kom van een thuis waar iedereen altijd welkom was. Een thuis waar veel werd gelachen. Waar altijd muziek was. Maar het was ook een thuis van niet lullen maar poetsen. Van vallen, opstaan en weer doorgaan. Ik heb er veel van geleerd, ben er geen slechter mens van geworden. Alleen is het niet altijd handig of lief om met mijn grote voeten op dezelfde manier over de gevoelens van een ander heen te lopen.

En tegelijkertijd. Er zijn ook volwassen dramabouwers en aandachtvragers die helemaal opleven als ze hun leed met je delen. Als jij net iets persoonlijks hebt verteld waar je echt verdrietig om bent, hebben zij altijd iets meegemaakt wat minstens even erg is. (Terminaal konijn!) Met dat soort mensen zal ik nooit leren omgaan. En daar gaat geen therapie bij helpen.

Foto door Pixabay

Iedereen wil luisteren, maar dan moet je wel iets vertellen

Het heeft er geen f*ck mee te maken dat niemand luistert.

Mijn papa en mama vertelden altijd dat we ze alles konden vertellen. Dat alles bespreekbaar was. En ik wist dat ze het meenden. Maar ik praatte niet. Niet echt. Niet met mijn ouders, niet met mijn vrienden, niet met mijn partner. Als ik echt ergens mee zat, schreef ik het in mijn dagboek.

De Lieke-manier

Dus schreef ik over het vriendje dat helemaal niet in mij geïnteresseerd bleek, maar alleen seks wilde. En me – toen ik niet snel genoeg meewerkte – inruilde voor een meisje dat ouder en meer ervaren was. Over de vriendin die niet meer naar me omkeek en zelfs mijn verjaardag vergat toen ze een vriendje had. Over mijn ‘vlucht’ naar die camping in Zuid-Frankrijk omdat ik niet wist wat ik met mijn toenmalige relatie aan moest. Het baanaanbod dat er op dat moment ook lag om twee maanden voor de economieredactie van De Limburger te schrijven. Wat rationeel gezien de betere optie zou zijn. En waar ik dus nee tegen zei. Ik besliste zulke dingen wel even zelf. Op de impulsieve Lieke-manier. Niet nadenken maar doen, dat kan ik goed. Nee zeggen op dat huwelijksaanzoek die zomer en daarmee de relatie om zeep helpen, in plaats van bespreken dat die vraag voor mij totaal onverwacht kwam, en dat ik niet voor niets op die camping in Zuid-Frankrijk zat.

Niet te diep

Uren bellen met mijn beste vriendin over welk jurkje we naar dansles aan zouden trekken, of naar een feestje. Dat wel. Wat voor cadeautje we voor jarige vrienden zouden kopen, wat we in het weekend gingen doen, dat we iets niet mochten van onze ouders, of dat we de ouders van sommige vrienden zo raar vonden. Dat we een bepaalde jongen leuk vonden ook nog wel. Heel misschien dat we ergens onzeker over waren. Maar we doken niet te diep onder de oppervlakte.

Een mededeling (geen vraag, geen overleg)

Fast forward naar 20 jaar later. “Niet samenwonen, niet trouwen, geen kinderen.” Ik wist het zeker op het moment dat ik dat tegen de leuke jongen uit de trein riep. Tot het uit praktische overwegingen toch verdomd handig was om wel te gaan samenwonen. En ik natuurlijk ook al lang had bedacht dat we het heel leuk hadden samen, ook al zagen we elkaar meestal alleen in het weekend. In het weekend moesten we zo veel – zeker als ik naar Maastricht kwam – dat we te weinig tijd hadden voor elkaar. Maar dat werd dus een mededeling: “Ik kom over een paar weken definitief terug naar Maastricht, jouw appartement is te klein, dus we moeten even iets voor ons samen zoeken.”

Handenbinder, geldverslinder… Of?

Het moment dat mijn totale aversie tegen baby’s (wat moet je ermee, hulpeloze wezens, handenbinders, geldverslinders en de wereld is al overbevolkt genoeg) omsloeg naar twijfel, deelde ik niet. Ik schrok ervan. In stilte. Een huilende baby ging me altijd op mijn wekker, ik kon dat geluid niet horen zonder onwijs slechte zin te krijgen. En als ik een peuter zag stampvoeten in de supermarkt dacht ik: “Dit nooit!” (En dat lijkt me nog steeds een hel). Tot ineens soms het gevoel naar boven kwam dat ik een huilende baby best wilde troosten. Tot ik mezelf soms, als ik iets heel grappigs meemaakte of juist iets heel stoms deed, betrapte op de gedachte: “Dit is een leuke anekdote/wijze les om later aan mijn kind te vertellen.” Tot ik merkte dat ik een vertederde blik in een willekeurige kinderwagen wierp.

Dus dropte ik na een tijdje de bom: “Ik wil misschien toch een kind.” Een mededeling zonder uitleg. Het was een gevoel. Een gevoel dat ik niet kon verworden. Rationeel gezien leek (en lijkt) het me nog steeds helemaal niet handig om een kind te hebben. In mijn totaal ongeorganiseerde en spontane leven dat van laatste moment beslissingen aan elkaar hangt. “Oh ik moet voor een opdracht daar en daar heen, even bellen of die en die thuis is, kunnen we misschien samen eten, hee kijk een vogel! … Oh wacht, ik heb nog ergens een kind bij de opvang.”

De leuke jongen uit de trein had zich er al lang bij neergelegd dat er geen kinderen zouden komen en had daar inmiddels vrede mee. Sterker nog, hij weet het inmiddels hartstikke zeker. Het gesprek waarom hij juist wél graag kinderen wilde, wat in het begin van onze relatie dus zo was, hebben we nooit gevoerd. Waarschijnlijk omdat ik zo stellig was in mijn anti zijn. De pogingen om te bespreken waarom ik het een aantal jaar later wél wilde, bleven pogingen. “Het is een gevoel.”

Niet nadenken is genieten

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Over dingen die gebeurden en waar ik iets van vond. Of iets bij voelde. Opmerkingen die ik liet passeren. Voorvallen waar ik lekker zelf op ging zitten broeden. Of die ik wegstopte om er niet meer over na te denken. Wat ook een vorm van genieten is, dat wel. Want dat ik in mijn weekje Nice nauwelijks verder dacht dan welke hoek ik om zou slaan, daar werd ik ontzettend blij van. Ik kwam serieus een stuk uitgeruster thuis dan dat ik vertrok.

Niet praten is, ehm… mijn default setting

Maar dat niet praten… Het zou wel eens een belangrijke bijdrage kunnen zijn aan de staat waarin ik mij bevind, de staat van onrust, chaos en vergeetachtigheid. Natuurlijk in combinatie met het ‘simpele’ feit dat ik veel te veel opdrachten heb aangenomen en me ook verantwoordelijk voel voor een hoop vrijwilligerswerk omdat ik de goede doelen erachter zo mooi vind. Hoe vaak ik ondertussen ook denk: “Ik lijk wel gek dat ik dit nu zit te doen, terwijl ik ook nog dat en dat en dat moet doen.”

Dus prik maar, duw maar, trek maar. Leg je vinger op de zere plek (ook al heb ik je nooit verteld waar het pijn doet). Rammel aan me, schud me door elkaar. Vraag door zoals ik dat zelf in interviews doe. Stel dezelfde vraag op een andere manier. Misschien huil ik, maar daar hoef je niet van te schrikken. Por me, steek me, sleur het uit me. Zet die knijpvingertjes waar mijn papa me soms mee de trap op joeg gerust in mijn nek. Ik denk dat het goed voor me is.

Maar niet altijd.

Soms.

Moeten we in stilte een wijntje drinken.

Of besluiten dat we er verdomd leuk uit zien in dat ene jurkje.