Over de deur die sluit en de andere die opengaat. Ook voor watjes.

Ik ben een watje. Een angsthaas. Een softie.

Ik laat vaak over me heenlopen. Of ik laat me overrompelen doordat ik iets met een goede bedoeling doe en iets anders terugkrijg. Op zo’n moment ben ik compleet verpopzakt, om er maar even een goed Limburgs woord tegenaan te gooien.

Lang geleden belde ik een vriend om hem uit te nodigen voor een feest. “Ik zou het heel leuk vinden als je komt”, zei ik enthousiast. “Ik ben heel benieuwd hoe het met je gaat.” Hij zegde de vriendschap op. Maanden daarvoor had ik volgens hem zijn vriendin beledigd. Hij wilde me nooit meer zien. Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee wat ik heb misdaan. Ik kan me geen belediging herinneren. Maar een weerwoord gaf ik niet. Ik zei sorry, beëindigde het gesprek, huilde, kreeg een knuffel van de leuke jongen uit de trein, en liet het erbij.

Er is sindsdien weinig verbeterd aan mijn verbale kwaliteiten. Neem die keer met kerst, na de koffie met gebak. We hadden het over leuke dingen gehad. Recepten. Vakanties. Plannen voor het nieuwe jaar. Ineens die opmerking over deze blog: ‘dat ik dom ben dat ik mijn vuile was buiten hang’. Dat zag ik niet aankomen. In plaats van een weerwoord te geven, zat ik met mijn mond vol tanden. Toen ik laatst spontaan besloot aan te bellen voor een kop koffie, gebeurde me precies hetzelfde. Ik ging met goede bedoelingen en zat even later verbouwereerd in de auto terug naar huis. Te bedenken wat ik allemaal had willen zeggen. Had moeten zeggen.

Ook als zzp’er laat ik me soms misbruiken of overrompelen. Nee zeggen tegen opdrachten die slecht betalen of tegen deadlines die nauwelijks haalbaar zijn, lukt me gelukkig steeds beter. Maar ik ben nog lang geen held. Met engelengeduld wacht ik op te laat betaalde facturen. Begripvol accepteer ik de ene na de andere smoes waarom een opdracht toch niet doorgaat. Braaf voer ik nog nog een extra correctieronde uit, zonder extra factuur te sturen. Opnieuw besluit ik niets te zeggen over het feit dat de deadline voor mij zo ongeveer gisteren was en de klant vervolgens maanden de tijd neemt om mijn tekst online te zetten.

Maar soms botst een klant op een grens. Gisteren was het (eindelijk!) zo ver. Na twee herinneringen kreeg ik een appje dat de facturen aan het eind van de week betaald zouden worden. Ik appte terug dat dat de laatste betalingen zouden worden. Ik had (en heb) vier facturen open staan bij deze klant, waarvan de eerste meer dan twee maanden geleden gestuurd. Het was niet voor het eerst dat mijn betalingstermijn werd genegeerd. Het was ook niet de tweede keer. Of de derde. Dit was het afgelopen jaar al minstens tien keer gebeurd. Met even zoveel beloftes dat het beter zou worden. De knop ging om. Ik stuurde na dat appje nog een e-mail dat ik niet meer beschikbaar ben voor wat voor opdracht dan ook. Vanmorgen belde ik er nog achteraan met extra tekst en uitleg en met een ‘bedankt voor de leuke opdrachten’. Zo lief ben ik.

Ik voel me opgelucht en trots. Dat ik eindelijk deed wat juist was. De opdrachten waren inderdaad leuk. Maar de frustratie stond al heel lang in geen enkele verhouding tot wat het werk opleverde. Toch bleef ik kwaliteit leveren. Waarom? Wat is het ergste dat er kan gebeuren? Ja, dat ik nu dus een aantal opdrachten kwijt ben. Maar ik ben ook verlost van heel veel negatieve energie. Mijn bedrijf bestaat potverdorie niet voor niets al vijftien jaar.

Waar de ene deur dichtgaat (omdat ik ‘m eindelijk zelf dichttrek), gaat een andere open.

Op dit moment #19

De zomer
Is weer zichzelf
Niet langer vermomd
Als herfst

Ik ben op mijn best in de zomer. Tenminste in de zomer zoals die is bedoeld. De zomer sinds een paar dagen. Afgelopen maandag zat ik na afloop van een gezellig en smakelijk diner met vriendinnen nog even op een terras met uitzicht over een spiegelgladde Maas. Gisteren was het licht boven de velden tijdens mijn vroege ochtendwandeling betoverend. En ik knuffelde met een blije puppy. Gisteravond hadden we een verjaardag in een tuin. Dat is zo veel beter dan een verjaardag binnen op de bank.

Vanmorgen fietste ik na een superleuk interview terug naar huis. Dwars door Elsloo en langs het kasteel naar beneden. Daarna een prachtig stuk met de bosrand op links en het kanaal op rechts. En uiteraard maakte ik een omweg langs mijn ouderlijk huis. Ik genoot. Blote armen, blote benen. Zonnebril op. Eco-stand van de elektrische fiets aan en gaan! The summer is magic!

Waar ik nog meer blij van word: van spontane laatste moment afspraken. Zoals afgelopen zondag toen B besloot vanuit Weert naar Maastricht te rijden om even te komen borrelen. En zowaar kon R ook aanhaken. En dan te bedenken dat we normaal zo ongeveer drie maanden vooruit plannen en het dan soms alsnog niet doorgaat.
Van complimenten voor mijn werk. De wekelijkse nieuwsbrief die ik sinds kort voor een grote klant schrijf, is een feestje om te maken en de lezers laten me weten dat ze blij zijn met de inhoud.
Van de bloemen in de tuin, het gezoem van blije bijen en de frambozenstruik die maar blijft geven.

Waar ik blij op terugkijk: een strandtentbezoek met F gevolgd door een aantal geslaagde dagen in Breda met de leuke jongen uit de trein.

Waar ik naar uitkijk: naar mijn zakelijke feest overmorgen omdat Lieke Schrijft 15 jaar bestaat. Naar de verjaardagslunch met mama, broer en zus aanstaande zondag. Naar de vakantie in Ierland met de leuke jongen uit de trein over een paar weken en dat ik daar mijn fenomenale vriendinnen M en V ga zien. Naar een paar dagen Rome in oktober met mijn collega’s van het LINKS-project. En naar een dagje Leuven met vriendinnen in november. Maar het is niet alleen feesten en reizen waar ik naar uitkijk. Ik heb ook heel veel zin in in een aantal opdrachten die eraan komen en workshop die ik met collega’s ga geven.

Waar ik verdrietig van word: van empathieloze mensen, egoïsten en doordrammers. Mensen die geen enkele moeite doen zich in een ander te verplaatsen en precies doen waar ze zelf zin in hebben. Ik trof vorige week zo iemand in een werksetting. Hij deed van alles zonder overleg en dat ik de dag erna allerlei branden moest blussen, kwam niet bij hem op, of kon hem niet schelen. Werkgerelateerd kom ik er soms niet onderuit. Daarbuiten lukt het me steeds beter om bij dit soort mensen uit de buurt te blijven.
Ik ben heel blij met de elektrische fiets van mijn lieve schoonmama, maar ik ben tegelijk verdrietig dat ik ‘m kocht. Omdat het betekent dat zij niet meer fietst. Ik zou er héél, héél, megavetsuperboel veel voor over hebben als mijn schoonouders energiek en gezond oud worden. Zonder uitvallende oren, getikte evenwichtsorganen en andere ellende. En dat ze zonder al te veel moeite overal komen waar ze willen zijn.

Wat ik lees: Cultus van Läckberg en Fexeus. Ik begon dit jaar met deel 1, Box, en nu dan eindelijk deel 2. Ik smul van sektes, seriemoordenaars en stoïcijns kijkende rechercheurs. Ik ga er wel raar van dromen. Waarschijnlijk komt dat ook door de combinatie met wat ik kijk. Namelijk Karppi/Deadwind. In het boek zijn er al drie kinderen dood. In de serie legde pas één volwassene het loodje. Het ongemak spat er in het boek en op beeld vanaf. De ene schurende situatie na de andere van mensen die om elkaar heen draaien maar elkaar de waarheid niet zeggen. Ik houd ervan. Dat relativeert de ongemakkelijke situaties waar ik soms in terecht kom, zoals vanmorgen toen ik weer eens niet op iemands naam kon komen. Maar ik ga er dus wel raar van dromen.

Wat ik luister: De leuke jongen uit de trein sloeg in Breda weer zijn slag bij een muziekwinkel, dus zijn er nieuwe cd’s om naar te luisteren. Zoals een oude live cd van Portishead. Op mijn werkplek staat Sublime FM aan, thuis Kink (boven) en NPO2 (beneden) en in de auto overdag Studio Brussel en ’s avond NPO 2. Toen ik vorige week thuiskwam van een nachtelijk avontuur in de crisiscommunicatie was de non-stop programmering op 2 een zegen. Als ik niet zo nachtblind was, was ik volledig zen thuisgekomen.

Er waren een aantal pijnlijke situaties de afgelopen weken. Ik werd eerder ongesteld dan verwacht (en houd de details verder voor me). Zeer recent joeg iemand me op de kast (ken je dat, dat je voelt dat je wangen rood worden en je spieren verstijven?) en mijn boosheid zakt maar langzaam. Ik ontdekte dat de standaard van mijn e-bike een soort van voetverbrijzelend slag- en steekwapen kan zijn. En vanmorgen bleken er vlekken in de rug van mijn shirt te zitten. Hoe dan?

Maar al met al ben ik een ontzettende geluksvogel. Ik heb zo veel mooie mensen om me heen. Zo veel om me op te verheugen. Zo veel geluk met mijn gezondheid. En kijk die blauwe lucht!

Hoe gaat het met jou?

Het gaat best goed. En toch (geen) tijd voor tranen

Ik zit gelukkig niet waar ik een jaar geleden zat. Omdat ik het een hele tijd qua werk vrij rustig had. Omdat ik bijna elke dag met een wandeling begin. Omdat ik gezonder leef, althans zeker in de zomer als het een minder grote opgave is om water te drinken en fruit te eten. Omdat ik weet dat bepaalde mensen het beste voor me willen, hoe onaardig sommige dingen ook uit hun mond komen. Omdat ik me er (bijna) bij heb neergelegd dat ik mijn familie nog vooral op begrafenissen zie en dat de band die ik graag had willen houden met sommige ooms, tantes en nichtjes er niet meer is of misschien zelfs nooit is geweest. Jammer dat er daardoor minder mensen overblijven om mee over papa te praten, maar het is wat het is.

Mijn coach leerde me om af en toe bewust aan papa te denken op een plek die of met een voorwerp dat ik met hem associeer. In mijn hoofd had ik een vijver of een haardvuur nodig. Tot ik de link legde tussen de enorme platanen in de speeltuin tegenover mijn huis en de vakanties in Frankrijk met mijn ouders. Zo simpel kan het zijn. Daar stond ik laatst, op het pad in de speeltuin, starend naar een boom, denkend aan hoe mijn papa net zo kon staren vanaf zijn campingstoel. Nu is het soms al genoeg om even te knikken naar de bomen. Ik denk dat ik ‘dit’ redelijk onder controle heb.

Kennen jullie dat boekje uit de brugklas nog? A l’ombre des platanes.

Toch begon ik de dag vanmorgen met huilen. Ik heb het op dit moment druk met werken, drukker dan ik had verwacht. Blijkbaar gaan mijn klanten niet meer in het hoogseizoen op vakantie, maar net als ik daarna. Het zijn vooral leuke opdrachten waarvoor ik enthousiaste mensen mag interviewen, dus dat is fantastisch. Laatst plande ik zes interviews achterelkaar en de een kon nog smakelijker vertellen dan de anders. En wat een fijne en onderwerpen! Zoals het terugdringen van plastic afval en het verbeteren van werkplekken. Maar het zorgt ervoor dat ik weinig vrije tijd heb. En dan komt dat knagende gevoel de kop weer opsteken. Dat gevoel op alle fronten tekort te schieten.

Dan word ik wakker en weet ik het zeker:
Ik ben geen goede dochter.
Geen goede zus.
Geen goede partner.
Geen goede vriendin.

Dan voel ik een soort paniek over hoe lang ik sommige mensen niet meer heb gezien. Dan voel ik me schuldig omdat ik zo weinig deel met mijn directe familie. Dan krijg ik kortsluiting omdat ik mijn verjaardag wel-niet-wel-niet wil vieren en het in mijn hoofd nooit voor iedereen goed kan doen. Dan denk ik dat de leuke jongen uit de trein beter af is met iemand anders.

Dan schiet me ineens te binnen dat ik ben vergeten te vragen hoe de operatie van haar vader is gegaan, dat ik alweer geen kaartje naar haar jarige zoon heb gestuurd, dat ik te weinig belangstelling heb getoond in haar samenwoonplannen en in zijn zieke moeder. Dan breekt mijn hart omdat F geen visum kreeg. En oh ja, die dag dat ik naar die ene vriendin zou gaan, is dat niet diezelfde dag dat ik met die andere vriendin naar dat festival zou gaan? Weer iemand teleurstellen…

Dus huilde ik vanmorgen toen de leuke jongen uit de trein vroeg om alles eruit te gooien. En zoals niemand anders dat kan, was hij praktisch en lief tegelijkertijd. Toen zag de dag er meteen iets beter uit.

Voel jij je wel eens schuldig omdat je te weinig tijd aan mensen besteedt? En hoe los je dat op?

Schoenen

Schoenen die niet wisten waar ze heengingen
Spoelen aan op Griekse en Italiaanse stranden

Vluchteling zijn is een beetje sterven
Ook als je de overkant haalt
Een vluchteling is ontworteld
Met of zonder schoenen

In een ideale wereld blijft iedereen in zijn thuisland wonen
Maar een thuisland is soms angst, vernedering, pijn of honger
En dan vluchten mensen op zoek naar een beter leven
Of gewoon naar een leven, of iets dat op een leven lijkt

Wie de overkant niet haalt
Blijft vaak naamloos en zonder gezicht
Vijf miljonairs die vastzitten in een onderzeeër
Spreken veel meer tot onze verbeelding

En geen brokstuk, zelfs geen schoen
Blijft achter

Ze komt

Schooljaar 1997/1998.

Wat had ik een geluk met F. als ‘koppelgenoot’ tijdens mijn ‘uitwisselingsjaar’ met Benin. F. was de assertiefste, avontuurlijkste en meest geïnteresseerde deelnemer van de zes Beninezen die meededen, vond ik. En ze woonde op de leukste plek, ver buiten de chaotische stad waar je met gevaar voor eigen leven straten zonder verkeersregels moest oversteken. Drie maanden woonde ik bij haar en haar moeder, oma, tante, neefje en afwisselend tussen de 1 en 3 broers en zussen en soms een stiefvader. Die laatste had meerdere vrouwen en moest zijn tijd een beetje verdelen.

We woonden in een dorp met hoog gras langs de stoffige, rode paden. Een dorp opgebouwd rondom een eenvoudig kerkje dat meerdere keren per week bomvol zat. Op het kerkplein stond een reusachtige boom waaronder meubelmakers eenvoudige bedden en kasten maakten. Een dorp waar de ‘fietskippen’ (zoek dat maar op) onder de palmbomen scharrelden. Een dorp waar om 19 uur de olielampjes aangingen, want elektriciteit was er niet. En ’s ochtends haalde je water uit de put om te kunnen “douchen” (= uit een grote emmer water scheppen met een kommetje en dat kommetje over je hoofd gooien). Ik leerde er het principe kennen van ‘het dorp dat een kind opvoed’. Dat een familie er alles aan doet om geen gezichtsverlies te lijden en daarom ieder ander familielid beschermt. En ik leerde er in in sneltreinvaart Frans spreken. Ik had er de tijd van mijn leven. Maar eerlijk is eerlijk, wél omdat ik wist dat het tijdelijk was.

De drie jaar oudere F. woonde daarna ook drie maanden bij mij, mijn ouders, broertje en zusje. Ook in een dorp. En daar houdt de overeenkomst op. Zij leerde dat we onze grootouders niet in huis nemen, maar in een bejaardenhuis laten wonen (die bestonden toen nog). Zij leerde dat onze kranen niet van goud zijn, dat we niet iedere week in een vliegtuig stappen en we niet allemaal een chauffeur hebben. Dat was in Benin een beetje het beeld van de westerse wereld, omdat ze er naar Dallas keken op televisie. Maar natuurlijk zag ze ook hoe ongelofelijk goed we het hier hadden. Zelfs de armste mensen hadden een inkomen, schoon drinkwater en elektriciteit. Onze huisdieren verkeerden in een luxere positie dan sommige van haar buren. En we hadden niet allemaal een chauffeur, maar in ieder geval wel een auto en een paar fietsen.

Ik ben twee keer terug geweest. Nu is het haar beurt een bezoek aan Nederland te brengen. Ik wil het nu even niet hebben wat voor een ongelofelijk koud en ongastvrij land Nederland is voor mensen die vanuit een niet-Schengen land willen komen, want dat is een blog op zich waard. Wat ik wel wil delen, is de onrust die steeds groter wordt naarmate het zekerder is dat ze haar visum krijgt. Ik ben blij dat ze komt, dat ze de kans krijgt de mensen die ze hier leerde kennen, nog eens te zien. Ik vind het leuk dat we herinneringen kunnen ophalen aan onze avonturen als jongvolwassenen, wonend bij onze ouders, terwijl we nu zelf een grote mensen leven hebben. Of iets wat daarvoor doorgaat 😉 Ik vind het fantastisch dat ik haar mijn huis, mijn stad, mijn leven kan laten zien.

Maar het gevoel is dubbel. Ik kan de gastvrouw niet zijn die ik wil zijn. Ik voel me nu al tekort schieten. Terwijl ik enorme stapels papier heb ingevuld, de gemeente heb betaald voor een handtekening en regelmatig geld naar haar heb overgemaakt dat ze kan bijleggen voor haar ticket. Ik kan haar niet al mijn aandacht geven. Ik moet werken als ze hier is. Onze vakantie is pas half september. Ik kan het me niet veroorloven om in de maand juli vrij te nemen. De leuke jongen uit de trein moet ook werken, al heeft hij af en toe een snipperdag voor een spannende bergetappe in de Tour.

Laat ik haar alleen als ik voor een interview de deur uit moet? Redt zij zich met een OV-chipkaart en een simkaart en kan ze zelf eropuit? Voelt zij zich nog welkom als ik regelmatig weg ben? Is het stom of ongastvrij als ik met haar in het huis van mijn zusje ‘woon’ in plaats van in mijn eigen huis, waar de leuke jongen uit de trein dan ook zijn privacy moet inleveren? Kan ik het maken om haar daar af en toe een nacht alleen te laten slapen? Kan ik haar uitleggen dat ik met alle liefde de boodschappen voor haar betaal, graag een keer op mijn kosten met haar ga winkelen, maar dat het me niet lukt om daarnaast nog allerlei uitstapjes te betalen? Of zou ze dat ook helemaal niet verwachten?

Ik heb er vaker last van tegenover vrienden en familie, dat gevoel om tekort te schieten. Dan vind ik dat ik te lang niet heb gebeld. Of dat ik niet vaak genoeg heb aangeboden om ergens mee te helpen. Maar bij F is het gevoel erger. Buikpijngevender. De kans dat ze nog eens naar Nederland komt, is klein. De kans dat ik in de komende jaren naar Benin ga ook. Misschien is het de laatste keer dat we elkaar zien. In ieder geval is het de laatste keer dat ze ‘bekenden’ uit de generatie van mijn ouders gaat zien. Daar wil ik bij zijn. Om te brengen en te halen. Om te horen hoe ze herinneringen ophaalt met mensen die ze sinds 1998 niet meer zag. Om te vertalen waar nodig.

Maar hoe doe ik dat zonder mezelf voorbij te lopen, zonder mijn relatie te verwaarlozen en zonder haar tekort te doen?

Geen stap verder

Ik maak mijn ochtendwandeling. Zij slaat achter mij met haar auto de zandweg in. Licht geïrriteerd stap ik opzij. Er mogen geen auto’s komen. En ondanks dat ze langzaam rijdt, veroorzaakt haar auto na weken zonder regen een enorme stofwolk.

Ze steekt haar hoofd uit het raam: “Sorry voor het stof. Heb jij ergens een hond gezien?”
Ik moet lachen: “Ik ben heel veel honden tegengekomen.”
“Een hond liggend in het veld?”
“Nee.”
“Ik werd net gebeld. Onze hond weigert op te staan.”
Ze rijdt langzaam verder. Ik loop aan het einde van de stofwolk achter haar aan.

Na de bocht zien we allebei een man zwaaien en gebaren. De auto moet zo veel mogelijk naar rechts op het smalle pad, de hond ligt blijkbaar links. Door het hoge graan, kan ik de hond niet zien.

Ik ben net te ver weg om de gezichtsuitdrukking van de man te ontwaren, maar ik meen moedeloosheid en frustratie te herkennen in zijn houding. Hoe lang zou hij daar al staan? Trekkend aan de riem terwijl hij de hond bemoedigend toespreekt.

De auto stopt. De man doet de klep open.

Wild kwispelend springt een enorme herdershond achterin.

Drie vaders

Drie weken. Drie vaders. Van drie mooie vrouwen.
Drie vaders die stopten met leven.

Ik weet niet hoe zij zich voelen. Ik vraag het wel, maar weet dat het antwoord moeilijk te geven is. Iedereen rouwt op een eigen manier. En verwoordt het anders.

Een aantal dingen zijn universeel. En van alle tijden.

De mensen die zich geen houding weten te geven. De mensen die niet durven te vragen hoe het met je gaat. En dat heus niet slecht bedoelen. De mensen die je niet mee naar een feestje vragen, omdat ze voor jou denken dat je daar nog niet aan toe bent. Een hork of twee, die over een tijdje vindt dat je lang genoeg verdriet hebt gehad. “Je maakt vlekken met je mascara.” Of de muts die gaat vergelijken met ander verdriet.

Na de crematie van mijn vader hebben mijn huisgenoten er met geen woord meer over gerept. Niemand vroeg hoe het met me was. Op de eerste sterfdag van mijn papa schreef ik in ons beruchte ‘wc-schrift’: “Bedankt voor de steun het afgelopen jaar.” Ik was boos toen ik dat schreef. Teleurgesteld. Want ik voelde maar weinig steun. Terwijl ik vlak voor het overlijden van papa dezelfde fout had gemaakt, toen het broertje van een ex-huisgenoot stierf bij een verkeersongeluk.

Het wakker worden met de gedachte dat er iets vervelends is gebeurd, maar niet meteen weten wat. Het huilen als het je te binnen schiet. De verbazing dat je toch nog kunt lachen om de flauwe opmerking van een collega. De verbazing dat je toch gewoon in slaap valt aan het eind van de dag.

Ik sliep probleemloos in het bed waarop mijn papa opgebaard had gelegen. Maar dat is misschien heel typisch mij. Slapen is geen probleem, hoe slecht het ook met me gaat. Slapen is alleen ondoenlijk nadat ik wakker ben geworden van een mug of van gesnurk.

Iets lezen, horen of meemaken en dan denken: “Dat moet ik papa straks vertellen”, om je daarna te realiseren dat papa er niet meer is. Ik herinner me dat mama haar moeder wilde bellen om te vertellen dat papa dood was en toen bedacht dat oma eerder dat jaar gestorven was. Dubbele klap. 2002 was bepaald geen jaar om in te lijsten.

Het nadenken over de dood. De liedjes waar je nooit meer met droge ogen naar kunt luisteren. Het telkens opnieuw onbegrijpelijk vinden dat je iemand nooit meer ziet. Iemand die zo vanzelfsprekend in jouw leven was. Vanzelfsprekend als festivals in de zomer. Als handschoenen in de winter. (Geen idee, ik moet aan Winter van Tori Amos denken. I put my hand in my fahter’s glove [..] You have to learn to stand up for yourself, cause I can’t always be around).

Ik had nog heel lang het gevoel dat papa elk moment kon binnenlopen. Zeker als ik in het weekend bij mama was. Ik zag voor me hoe hij door de achterdeur naar binnen kwam. Mama een kus gaf. En doorliep naar het fornuis om de deksel van de pan te tillen zodat hij zich kon verheugen op het eten.

De verbazing hoe het gewone leven weer doorgaat. Bij anderen meer dan bij jou. Hoe er zo veel en tegelijkertijd niets verandert. Je staat gewoon op, want je kinderen moeten naar school. (In het geval van de drie mooie vrouwen waar ik nu over schrijf). Je maakt je bed op, smeert een boterham, doet boodschappen. Dagelijkse handelingen. Op eeuwige herhaling. Ook nu er iemand voor eeuwig weg is uit je leven.

Het blijft een ding

Niet kunnen praten over je gevoelens heeft voor iedereen een andere oorzaak. Behalve door een gebrek aan zelfvertrouwen kan het ook veroorzaakt worden door het feit dat je vaak eigenlijk niet goed weet wát je nu eigenlijk voelt. Ook gebeurt het vaak dat personen die in hun jeugd niet de ruimte hadden om over hun gevoelens en gedachten te praten, hebben geleerd hun gevoel weg te stoppen. Dit vormt de basis voor het niet kunnen praten over je gevoelens, maar ook voor moeite met het herkennen ervan.

Dit stukje las ik net ergens online. Eerlijk is eerlijk, ik haalde er wel even een verkeerde komma uit en voegde er een woord aan toe voordat ik het hier plaatste, haha.

Ik blijf het knetter moeilijk vinden om over gevoelens te praten. En ik herken heel erg het ‘niet goed weten wat ik voel’. Soms huil ik om niets en heb ik geen idee waar het vandaan komt. Is het dan vanwege een bepaald gevoel of zijn het gewoon mijn hormonen? Soms heb ik echt geen zin om bepaalde mensen te zien en duik ik weg achter een boom of marktkraam als ik ze zie lopen. Terwijl ik het leuke mensen vind. Zit daar een gevoel achter of ben ik gewoon raar? En hoe moet ik dan in hemelsnaam beschrijven wat ik voel? En een onderbuikgevoel, bijvoorbeeld iemand niet vertrouwen zonder tastbaar bewijs, hoe leg je dat uit?

Relaties groeiden in de afgelopen jaren soms scheef. Dat een kennis of vriend(in) steeds verder ging in een bepaald soort gedrag, ik daar verdrietig van werd, maar er telkens niets van zei. Omdat ik niet wist hoe ik het moest verwoorden en omdat ik bang was voor conflict. Bovendien kon ik het lekker bagatelliseren met ‘hij/zij is ook heel lief, begripvol, enthousiast, attent en stuurde pas nog een leuk kaartje’. Maar dan kwam er onvermijdelijk een punt waarop ik er niet meer tegen kon. Dan appte ik wat ik vond (stel je voor dat ik echt zou gaan praten) of ik liet gewoon niets meer van me horen. Wat ‘die ander’ dan logischerwijs niet begreep.

Ik wist honderd procent zeker dat ik geen kinderen wilde. Ergerde me groen en geel als ik een baby hoorde huilen. Werd er soms zelfs agressief van. Tot ik me ineens niet meer ergerde aan een huilende baby en ik zelfs het gevoel kreeg die baby te willen troosten. Een gevoel waar ik van schrok. Laat staan dat ik een idee had van hoe ik dat onder woorden moest brengen. (Inmiddels is het overigens helemaal goed dat er nooit een kind kwam).

Daar staat tegenover dat ik soms heel goed weet wat ik voel en hoe ik dat moet verwoorden compleet met alle emoties die ik doormaak en een omschrijving in superlatieven en metaforen. Ook dan houd ik (wijselijk?) mijn mond. Er zijn nu eenmaal mensen die nooit aan zelfreflectie doen en de schuld voor wat dan ook nooit bij zichzelf zoeken. Mensen waar ik wel nog heel vaak mee door één deur moet. Gevoelens aan dat soort mensen omschrijven, is totale tijdverspilling.

Wat ik nu eigenlijk wil zeggen? Geen idee. Dat ik dringend nog eens moet gaan wandelen met de ene coach en op de bank moet gaan zitten bij de andere coach, denk ik.

Hoe voel jij je vandaag?

Suffe sok

De paniek, de flitsen, de hartkloppingen. Ze zijn gelukkig verleden tijd. Geen werkweken meer van 45+ uur. Niet meer bij het horen van de wekker meteen denken “shit, volgens mij ben ik gisteren vergeten die e-mail te beantwoorden” of “deadline, error, stress, control-alt-delete”. Een vorm van chaos houd ik altijd, maar ik sta niet meer drie keer per dag in een ruimte zonder te weten wat ik er kom doen.

Langzaam gingen mijn werkweken van te veel naar te weinig uren. In januari en februari genoot ik daarvan. Dankzij mijn boekhoudprogramma weet ik dat die maanden altijd stil zijn, dus niets om me zorgen om te maken. Ik verheugde me op carnaval en op een weekje Alicante. Ik freubelde veel en maakte de ene na de andere vriendin blij met een armbandje of een paar oorbellen. Ik genoot van mijn ochtendwandelingen ook al deed ik ze volledig in het donker. Ik besteedde wat meer tijd aan het avondeten dan ‘een simpele pasta’ of ‘wraps met roerbakgroenten’. Ik stak tijd in luisteren naar vriendinnen die het op dat moment wat moeilijker hadden. Ik bood regelmatig aan om dingen te regelen of om de chauffeur te zijn. En ik las en las en las (en genoot daar enorm van). Vlak voor kerst begon ik aan een boek van 640 pagina’s, op 4 januari had ik het uit. En op 17 januari had ik het volgende boek alweer uit.

Andere jaren – de coronatijd niet meegerekend – trok het werk altijd aan in maart. Dit jaar niet. Ik besteedde wat meer tijd aan mijn vrijwilligerswerk voor fairtrade en voor een buurtpark. En ik maakte me nog steeds geen zorgen. Ik verhoogde in januari mijn uurtarief , dus met minder uren werken, bleven mijn inkomsten gelijk. Wat een luxepositie! Of toch niet?

Het genieten ging er steeds meer vanaf. De maaltijden werden weer makkelijk. Vriendinnen konden niet meer altijd op me rekenen. En in plaats van mijn ‘extra tijd’ nuttig te besteden aan het uitzoeken van nieuwe wandelschoenen (geen overbodige luxe als je iedere dag wandelt en je favoriete schoenen zo lek zijn als een mandje), het inscannen van bonnetjes, het uitmesten van mijn bureaula, het zoeken naar een interessante cursus of het bijwerken van mijn kilometerregistratie, deed ik… ehm… tja… minder nuttige dingen. Meer lezen. Meer freubelen. Meer wandelen.

Maar met minder lol.

Ergens in april werd ik boos. Op de suffe sok die ik was geworden. En om de taken die ik liet liggen. Om hoe ik zonder deadlines verander in een duffe doos met doffe doppen. Gecombineerd met een soort van eeuwige herfst (het voorjaar viel dit jaar op een donderdag) is dat helemaal niet goed voor mijn humeur. Tijdens een stevige wandeling met Laura ontstond onder andere het K-Klussenlijstje. Hier moet ik minstens één klus per week van uitvoeren. Dankzij dat lijstje zijn mijn kilometers bijgewerkt en staan de foto’s van Canada (2019!) eindelijk op mijn laptop. Maar de lijst is lang en mijn motivatie nog lang niet wat ie moet zijn.

Voor sommige klussen ben ik afhankelijk van anderen. Van mensen die het wél knetterdruk hebben met hun werk. Zoals mijn boekhouder. En de leuke jongen uit de trein. Ik wil mijn boekhouder niet opjagen. Ik wil de leuke jongen uit de trein niet aan zijn kop zeuren om ergens naar te kijken of iets met me uit te zoeken. Maar dat is natuurlijk wel lekker makkelijk, want dan hoef ik mezelf niet de schuld te geven. Terwijl het de grootste onzin is; er staan nog genoeg K-Klussen op de lijst voor only me, myself and I.

Ik wil tevreden zijn met hoe het gaat, met hoe bevoorrecht ik ben ( zes van de zeven vinkjes!) en ‘gewoon’ met wie ik ben. Ik weet dat ik niets te klagen heb. Ik ben gezond, heb lieve mensen om me heen, woon in een leuk huis en kan prima rondkomen, zelfs nu ik nauwelijks de 30 uur aantik. En we hebben een nestje koolmeesjes in de tuin, hoe leuk is dat!

Dus tamme tak, suffe sok, luie leeuw, duffe doos: ACTIE! Schouders eronder en gaan! En weet je wat? Je hebt vandaag een deadline! Yes!