De maand ontploft

Het is bijna kerst.

Vrede op aarde.

Een knoop in mijn maag. Een brok in mijn keel. Lood in mijn schoenen. Geen idee wie die uitdrukkingen ooit heeft verzonnen, maar ze omschrijven doeltreffend wat ik voel.

Between a rock and a hard place past ook wel bij de situatie. Mensen waar ik van houd, zijn verdrietig. En wat ik nu ook doe, beter dan ‘iemand een beetje minder ongelukkig’ wordt het niet.

Ik droeg in mijn leven helaas vaak bij aan ongemakkelijke en ongelijkwaardige verhoudingen. Lang geleden had ik dingen anders moeten doen. Maar ik was een conflictvermijdende schijtluis. En ben dat nog steeds.

Ik was veel te vaak stil, op misschien wat zielig gesputter na. Ik bood te weinig weerwoord. Ik gaf grenzen niet aan, of veel te laat. Ik probeerde iedereen te vriend te houden en heb daarbij mensen beschadigd. Mezelf het meest. Ik vulde in voor anderen. Deed dingen zoals ik dacht dat anderen het zouden willen, zodat ik niets hoefde te vragen. Zodat er vooral geen strijd zou ontstaan. Daarmee maakte ik situaties niet altijd beter. Soms nam ik het niet op voor mensen die absoluut mijn verdediging verdienden.

Ik kwam ook nooit op voor mezelf. Niet tegenover collega’s. Niet bij familie. Niet in relaties.

Ja, die ene keer dat ik zei dat ik geen huisvrouw wilde worden om voor een kind te zorgen dat niet van mij was. Dat was dus meteen einde relatie. En die keer dat een gemeente me drie schalen lager wilde inhuren dan ze hadden betaald voor een eerdere, soortgelijke opdracht. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt.

Maar verder is het meestal slikken, inschikken en weer doorgaan. En vervolgens een keuze maken waarvan ik hoop dat die de beste is. Soms de beste voor mij. Soms de beste voor een ander. Nooit de beste voor iedereen. Op de één of andere manier kan ik die optie nooit aanvinken.

En wat ik ook kies. Het ontploft vaak in mijn gezicht.

Meestal in de maand december. Dan is het extra toepasselijk, zo’n ontploffing.

In mijn eigen bubbel #2

De dag na de verkiezingen.

Wilders is een paar zetels kwijt, maar uiterst rechts heeft in zijn geheel gewonnen. En in Limburg blijft de PVV “gewoon” de grootste. Juist in Limburg? De provincie met héél veel grenskilometers en dus gebaat bij goede internationale betrekkingen. De provincie die bekend staat om de bourgondische inslag, het vieren van carnaval (hét feest bij uitstek waarbij iedereen gelijk is) en de gastvrijheid.

Betekenissen van gastvrijheid:
1) Gulheid in het onthalen van gasten 2) Hartelijkheid 3) Warm welkom

En dus stemmen we in Limburg massaal op een niet-democratische partij die vooral veel mensen uitsluit? Een partij die eigenlijk geen partij is, omdat er geen leden zijn. Een partij die het volwaardige ziekenhuis in Heerlen zou behouden. Een partij die beloftes sowieso niet na kan komen, omdat veel voorstellen lijnrecht ingaan tegen nationale en internationale wetten. Limburg is zogenaamd gastvrij, maar stemt op een partij die vooral bloeit bij het zwartmaken van de ander.

Ik schreef een paar dagen geleden dat ik wil begrijpen hoe mensen kiezen wat ze kiezen. Dat ik open wil staan voor andermans argumenten en niet meteen wil oordelen. Zeker ook omdat ik een aantal vrienden en goede kennissen heb, waarvan ik weet dat ze voor uiterst rechts zijn gegaan.

Maar het stormt in mijn hoofd.

Limburgers worden vaak als dom, lui en langzaam neergezet in de media. Of althans, dat vinden we zelf. Ik wil niet denken wat ik denk, maar ik denk het toch. In dit geval is het predicaat ‘dom’ best wel terecht. We zijn in ieder geval niet al te slim als we zo massaal stemmen op een niet-democratische partij die inmiddels heeft bewezen niets voor elkaar te krijgen.

En gastvrij? Dan toch vooral voor mensen die zo veel mogelijk op ons lijken.

Wijzen met ons vingertje. Maar niet naar Netanyahu

Hoe dan?

Onschuldige mensen sterven van de honger. Baby’s. Kinderen. Vrouwen. Mannen. Hulpverleners. Journalisten. Terwijl er vrachtwagens met voedsel en medicijnen aan de grens staan.

De machtige mensen die Israël zouden kunnen tegenhouden, doen niets.

En ik doe ook niets. Anders dan berichten liken en delen die dit onrecht laten zien en af en toe een bedrag overmaken naar een organisatie waarvan ik hoop dat hun hulp ooit bij de juiste mensen terecht komt.

Mensen die uitgeput op voedsel wachten, worden neergemaaid. En als ze het wel overleven en daadwerkelijk met een zak meel bij hun gezin aankomen, zijn de gezinsleden misschien al te ver verhongerd om nog normaal te kunnen eten.

Natuurlijk. Er zijn meer “conflicten” die we voorbij laten gaan. In Somalië bijvoorbeeld. Of in Congo. Dat praat ik zeker niet goed. Maar die conflicten zijn minder zwart-wit. Geen bovenliggende partij die de macht heeft om de onderliggende partij van de kaart te vegen. Geen partij die zo open en bloot, zonder enige schaamte en in het volle zicht van camera’s, een ander land en alles erin met de grond gelijk maakt.

Roepen dat landen zich aan universele verdragen en mensenrechtenwetten moeten houden, kunnen we heel goed. Het wijzende vingertje. Sancties tegen Rusland. Sancties tegen Iran. Producten weren uit China. Maar voor Netanyahu en co gelden blijkbaar geen regels.

Soms huil ik als ik naar het journaal kijk of de krant lees. Toch kan ik me een uur later weer druk maken over mijn onvindbare sleutels. Of vloeken omdat ik mijn kleine teen stoot tegen de poot van het bed. Of blij worden van een zingende merel. Zo werkt dat blijkbaar in mijn hoofd. En misschien maar goed ook. Van blijven huilen wordt de wereld ook niet beter. Maar het knagende gevoel van onmacht, van kwaadheid om het onrecht, ligt dag en nacht op de loer. Ik droom mezelf soms in de oorlog.

Merel Morre schreef een heel mooi en pijnlijk gedicht. Waarin zij veel beter schetst in veel minder woorden wat ik bedoel.

wanneer een golf land overspoelt
wanneer de grond begint te beven
wanneer een grote bosbrand woedt
dan gaan wij hulp geven

en nu mensen worden vermoord
nu kinderen sterven zonder eten
nu bestaansrecht wordt gesmoord
nu zouden we het niet weten?


En dan zit je op Internationale Vrouwendag naast een vrouwenhater met een poetstic

Voordat iemand denkt dat ik een negatieve zeurkous ben die alleen de vervelende dingen onthoudt: onze vakantie in Finland was fantastisch. FANTASTISCH! We sliepen op een prachtige plek met een heuvelachtig bos aan de ene kant en een grotendeels bevroren rivier aan de andere kant. Een plek waar de sneeuw maagdelijk wit bleef. We sliepen ook nog eens in hele fijne bedden. We hadden onwijs geluk met het weer. Iedere dag zon, behalve op de vertrekdag. We zagen twee avonden achter elkaar het noorderlicht. We aten goed. We hadden leuk contact met het personeel. We leerden ook nog eens van alles, in het museum en van de gidsen. Huskies, rendieren, sneeuwscooters (met de leuke jongen als chauffeur). Alleen maar genieten! Ik ga nog heel vaak met een grote glimlach aan deze vakantie terugdenken. Finland is een land naar mijn hart. Waar ze dol zijn op drop en waar ze straffe koffie drinken.

En toch deel ik ook dit:

“That’s the problem. Women who don’t accept help are the problem. You are the problem. Women who say they don’t need help ruin society. They have to die. I’ll be happy to exterminate those women.”

De man naast mij in het vliegtuig gaat door het lint als ik zeg dat ik zelf mijn vliegtuigtafeltje wel omhoog kan doen. Het is Internationale Vrouwendag en hij verkondigt steeds luider dat zelfstandige vrouwen dood moeten. We moeten de maatschappij aan mannen overlaten.

Ik duw hem opzij, want zijn vieze mond is veel te dicht bij mijn oor en wat hij zegt maakt me boos. Dan flipt hij helemaal. Hij schreeuwt dat ik hem mishandel. Dat hij bij aankomst de politie inschakelt als ik niet direct 100 euro boete betaal. Anders kom ik in de gevangenis, want de politie gaat zijn klacht zeker serieus nemen. Als ik niet reageer, zegt hij dat mijn ‘boete’ inmiddels is opgelopen tot 250 euro. Ik mag niet meer met mijn elleboog aan zijn kant van de leuning komen, “want anders…”

Hij roept de stewardess erbij. Wat hij in het Fins tegen haar roept, kan ik natuurlijk niet verstaan. Hij wijst ondertussen heftig op mij. Hij bereikt niet wat hij wil bereiken, want de stewardess spreekt me bezorgd aan. Vraagt of ik me nog wel veilig voel en of ik aangifte wil doen. Vraagt of ik business class wil gaan zitten. Ik wijs naar de lege stoel voor de gestoorde man en zeg dat het ook prima is als ik daar mag gaan zitten.

Dus ik verhuis. Maar krijg geen rust. Als een bezetene begint hij met alcoholdoekjes de achterkant van mijn stoel te poetsen. Dan begint hij met nieuwe doekjes aan de stoel waar ik eerst zat. Het meisje dat naast me zit, schrikt. Haar rugleuning gaat heftig heen en weer. Ze durft de gestoorde man niet aan te spreken. Hij gebiedt ondertussen de leuke jongen uit de trein onze “trash” die aan de leuning hangt, weg te gooien. De leuke jongen uit de trein zegt dat het geen afval is maar een tasje met eten en dat het blijft hangen waar het hangt. En zegt dat de man moet stoppen met het schoonmaken van de stoel die niet eens van hem is.

De stewardess ziet dat het uit de hand dreigt te lopen en brengt ons allebei met onze bagage naar de business class. Ondertussen blijft ze sorry zeggen en dat ze het zo vervelend voor me vindt.

In de business class gaat mijn hartslag langzaam omlaag. Ondanks dat daar de mensen ook niet helemaal normaal zijn.

“You’re going to sit here? I’ve paid for that chair to stay empty.

Oké, ik ga niet naast die man aan het raam zitten met twee lege stoelen naast hem, maar laat een plek vrij. De leuke jongen uit de trein gaat naar een andere rij. De man, die verder heel vriendelijk is, vertelt dat hij van Amsterdam via Helsinki naar Malaga vliegt om de volgende dag weer terug te vliegen naar Helsinki. Hij gaat niets doen in Malaga, alleen eten en slapen. Maar hij “moet” vliegen om zijn vliegvoordelen te behouden. Hij verheugt zich erop om morgen weer in Helsinki te zijn, waar hij dan in een hotel met een sauna overnacht. Met open mond kijk ik hem aan. Vliegen om het vliegen?

De leuke jongen uit de trein bestelt een koffie. Ik een cola. Te goed opgevoed om voor de champagne te gaan. De stewardess komt nog eens sorry zeggen en biedt een gebakje en een chocolaatje aan. De rest van de reis verloopt rustig. Maar ik haal pas echt opgelucht adem als ik het vliegtuig uit ben.

Het glas bier dat we op het vliegveld in Helsinki drinken kost 14 euro en is iedere cent waard. Het smaakt hemels.

De volgende vlucht is een eitje.

Vermist, kwijt, verstopt

Ik heb nauwelijks meer hoop. Maar aan het einde van de werkdag liggen ze ineens wel op de balie bij het zwembad: mijn jas en mijn sjaal.

Spullen kwijtraken is een van mijn slechte eigenschappen. Ik verlies al dingen zo lang ik me kan herinneren. De keren dat ik van de basisschool thuiskwam met nog maar één handschoen of zonder broodtrommel zijn niet te tellen. Op de middelbare school raakte ik vooral pennen en schriften kwijt. Mijn ouders werden er gek van. Soms werden ze boos (en dat snapte ik dan ook nog). Soms moest ik van mijn eigen geld nieuwe spullen kopen. Of dat hielp? Nee, geen zak.

Inmiddels ben ik 44. Verbetering? Noppes. Gisteren liet ik mijn jas en sjaal in het kleedhokje bij het zwembad hangen. Ik merk na het zwemmen dat die spullen dus niet in mijn kluisje liggen en ga zoeken. Ik maak alle kluisjes en kleedhokjes open. Geen jas. Ik ga naar de balie waar de gevonden voorwerpen liggen. Geen jas. Ik kijk bij de wasbakken en föhns. Geen jas. Ook al weet ik zeker dat ik mijn jas mee naar binnen nam, ik controleer voor de zekerheid mijn fietstas. Geen jas.

Eén meevaller: mijn sleutels en mijn telefoon zitten niet in mijn jas. Al helpt dat mijn humeur verder niet. Dus vertrek ik verdrietig naar een klant. Extra verdrietig dit keer omdat het een hele fijne jas is, gekregen van mijn lieve schoonmama.

Op de terugweg, rond 18.00 uur, besluit ik nog even langs het zwembad te rijden. Met weinig hoop, ik heb immers overal gekeken.

Ik loop door de schuifdeur en zie ze meteen op de balie liggen: mijn jas en mijn sjaal.

Na 44 jaar snap ik nog steeds niet hoe ik het voor elkaar krijg. Meestal is kwijt ook echt kwijt. Dit keer word ik op wonderbaarlijke wijze herenigd met mijn bezittingen. Pjiew!

Kwijtraken en vergeten liggen dicht bij elkaar. Toch gaat het zakelijk gezien bijna nooit mis. Ik kom 99 van de 100 k eer op tijd bij afspraken en haal mijn deadlines. Maar vraag me niet waar mijn sleutels liggen. Ik moet dus wel eerder beginnen met me klaarmaken voor een afspraak dan een ‘normaal’ mens, omdat ik al weet dat ik iets moet gaan zoeken.

Ben jij team super georganiseerd en nooit iets kwijt? Of ben jij team chaos?

Mag ik je ogen lezen?

De leuke jongen uit de trein staat al een eeuwigheid in de Duitse supermarkt. En gelijk heeft hij. Hij kan niet kiezen uit de bijzondere smaakjes Schweppes die we in Nederland niet hebben. Ik sta buiten de winkel, bij de speeltoestellen in het sfeerloze overdekte winkelcentrum in Aken. (Hoe mooi een stad ook is, winkelcentra, brrrrr). Aan mijn voeten een tas vol tandpasta, bodylotion en andere belachelijk goedkope producten uit de DM. Lang leve wonen in de grensregio en voordelig inkopen doen.

Met ferme pas komt ze op me af. Ik wil niet denken wat ik denk, maar doe dat toch. Ik voel wantrouwen. Ze is klein en heeft lang, donker haar. Ze draagt een strakke jurk en goudkleurige sieraden. Haar uiterlijk doet me denken aan de vrouwen in Brussel die bedelen met een gedrogeerd kind op schoot. Aan de meisjes die me in Barcelona probeerden wijs te maken dat ik mijn ring had laten vallen in de hoop dat ik me zou bukken en zij mijn zakken konden rollen. Ik wil dit niet denken. Ik wil mensen niet op basis van hun uiterlijk in een hokje zetten. Maar het is bizar hoe mijn hoofd soms werkt.

Ze staat voor me en kijkt me aan. Een vriendelijke blik. Maar ik ben nog steeds op mijn hoede.

“Mag ik je ogen lezen?”

Ik stamel in mijn beste Duits dat dat niet hoeft en dat ik waarschijnlijk toch niet alles ga begrijpen wat ze zegt.

“Ik wil je toch wat zeggen. Het is positief. Je bent een krachtige vrouw.”

“Dankjewel”, zeg ik. En speur over haar heen de winkel in om te kijken waar de leuke jongen blijft.

“Jij bent iemand die heel goed aanvoelt of mensen deugen of dat ze slecht zijn. Je bent sterk. Maar de laatste twee jaar gaat het zozo.”

De laatste zin onderstreept ze door een golfbeweging te maken met haar hand.

Ze geeft me nog een compliment voor de kleurrijke rok die ik aanheb en loopt weg.

Niets aan de hand dus. Wantrouwen voor niets. Dus ik vraag me af of ze gelijk heeft. Zo goed voel ik mensen blijkbaar niet aan. En wat was twee jaar geleden dan de aanleiding voor ‘zozo’?

Het drama van de conflictvermijder

And nothing ever happens, nothing happens at all
The needle returns to the start of the song
And we all sing along like before

– Del Amitri

Ik laat me afschepen, om de tuin leiden, onder de tafel lullen, uit het veld slaan. En iedere andere uitdrukking die er bestaat voor een conflictvermijder. Een onhandige karaktertrek voor een ondernemer, maar vooral lastig in mijn ‘normale leven’.

Krijg ik kritiek, doe ik harder mijn best. Tenzij de kritiek echt nergens op slaat.

Krijg ik iets niet waar ik recht op heb, laat ik het vaak lopen. Geen zin in gedoe. Of nee, erger: angst voor gedoe.

Toen ik vandaag na twee mislukte pogingen, want geen gehoor, de meubelzaak bereikte waar we een fantastische bank kochten (zie mijn vorige blog) had ik mezelf dus al voor de derde keer opgepept.
‘Je niet gewonnen geven Lieke, je staat in je recht, ze zeiden zelf dat je altijd mocht bellen, we hebben ‘in house service’ bijgekocht, dus volhouden’.

Het probleem. De bank schuift iedere keer dat je erin gaat zitten, maar de viltjes blijven staan. Waardoor we iedere avond de bank op zijn kant moeten leggen om de viltjes opnieuw vast te plakken. Kan niet de bedoeling zijn.

Lief als ik ben, begin ik met “De superleuke paarse bank die vorige week werd geleverd… ” om vervolgens voor mijn doen redelijk ferm en volhardend te melden dat ze toch zeker wel een andere oplossing hebben dan viltjes en dat het volgens mij bij de service hoort om niet alleen een bank maar ook vloerbescherming te leveren. Plus dat de mannen die de bank kwamen leveren, zeiden dat we altijd mochten bellen en er voor ieder probleem een oplossing was.

Nadat de vrouw aan de andere kant drie keer heeft gezegd dat het beschermen van de vloer volgens haar niet bij de service hoort, dat alleen voor stoelpoten bepaalde dopjes bestaan maar niet voor banken, en dat er echt geen andere oplossing is behalve zelf ergens antislipmateriaal aanschaffen (ze noemt zelfs het bedrijf waar we dat kunnen doen), hang ik toch op.

Om nog twee minuten verbijsterd naar mijn telefoon te kijken.

Kan ik dit niet omdat ‘kinderen die vragen worden overgeslagen’ één van de rode draden was in mijn jonge leven? Kan ik dit niet omdat mijn hele familie kampioen is in zich niet uitspreken? Waar komt de angst vandaan? De knoop in mijn maag?

Zelfs toen ik ontslag nam op een plek waar de leidinggevende mild gezegd een slecht betalende hornox eerste klas was, had ik buikpijn. Bang dat er een discussie zou ontstaan. Bang dat er verwijten zouden komen over dat ik het team in de steek liet. Terwijl ik doodongelukkig was op die plek.

En dan heb ik het nog niet over die relatie waar ik veel te lang in bleef hangen. Hij bracht geweldige muziek op mijn pad (zie ook het begin van deze blog) en de seks was goed, maar verder was er geen bal aan. Hij maakte me onzeker, wilde me veranderen, was jaloers.

Nu baal ik dus weer van mezelf. Maar ik boek vooruitgang. Een paar jaar geleden had ik waarschijnlijk na een minuut al opgehangen. Nu bleef ik toch wel tien minuten aan de telefoon. Helaas met hetzelfde resultaat: nada, noppes, niks.

Ik ben veel tegelijk, maar kan niet veel tegelijk

Als een kind in de snoepwinkel zo blij ben ik met de nieuwe, paarse bank die vanmorgen is geleverd. De paarse bank die perfect kleurt bij de donkergroene muur erachter. Ik ben een sucker voor kleur. Het leven is te kort voor saai. Compleet met badeendjes in mijn oren, Snoopy veters in mijn schoenen en jurkjes in meer kleuren dan de regenboog.

Ik functioneer goed bij kleur en bij verandering, want ik word onrustig van eentonig en saai. Zit er een donkerblauw kostuum of een grijs mantelpak tegenover me, moet ik veel beter mijn best doen om bij het gesprek te blijven dan als er een statement tegenover me zit. Dus kom maar op met kleur. Met die nieuwe opdracht. Die nieuwe werkplek. En joepie, vanmorgen dus met die nieuwe bank.

Tegelijk schreeuwt mijn hoofd op dit moment dat ik nondeju gebaat ben bij routine en herhaling. En bij het halen van tijdwinst door niet mijn armbandjes en oorbellen te willen matchen met mijn schoenen. Baat bij bewust dingen doen en spullen op een vaste plek leggen.

De afgelopen week was het weer vaker bonanza dan anders. In een wachtdienst week zonder laptop de deur uit en dus terug naar huis moeten. Fietsensleutel verliezen van de ‘werkplekfiets’ die nu dus afgesloten op de markt staat. Een afspraak vergeten met de leuke jongen uit de trein (op dezelfde dag!) om een ijsje te gaan eten. Terwijl je mij kunt wakker maken voor ijs. Van de voordeur teruglopen naar de auto omdat ik niet meer weet of ik heb afgesloten. En continu mijn huissleutels en telefoon kwijt. Lang leve verandering én lang leve routine. Al moet ik voor dat laatste dus echt beter mijn best doen.

Ik houd van veel dingen tegelijk.

Ik ben veel tegelijk.

Ik ben de spring in het veld die vreugdedansjes doet bij leuke vooruitzichten, maar ik ben ook rustig en bedachtzaam.
Ik ben tevreden en bij vlagen ronduit gelukkig, maar zwem daarnaast in een grote vijver verdriet.
Ik ben goed in koetjes en kalfjes, maar verlang vaak naar diepgang.
Ik ben oersterk, maar ook onzeker en kwetsbaar.
Ik lach veel, maar huil ook snel en om van alles.
Ik kan vaak meer dan ik denk, maar denk vaak te veel.
Ik ben super leergierig en gemotiveerd, maar ben vaak niet vooruit te branden.

Ik heb het knetterdruk en nog twee deadlines opstaan, maar ik schrijf een blog…

Met dank aan de kleurrijke Wieteke van Diggele die iets soortgelijke plaatste op LinkedIn en mij daarmee inspireerde voor het einde van deze blog. Ga haar vooral volgen op LinkedIn als je van vrolijke foto’s en spontaniteit houdt!

Dode journalisten

Live in een uitzending kreeg cameraman Samer Abu Daqqa in oktober te horen dat bij een Israëlisch bombardement zijn vrouw, een zoon, een dochter en een kleinkind waren omgekomen. Maar hij werkte door. Tot die fatale reportage over een door Israël gebombardeerde school. Waar “toevallig” een raket insloeg toen hij klaar was met filmen. Samer had in België kunnen zijn, maar besloot in Gaza te blijven tot de oorlog voorbij was.

Ik had journalist kunnen zijn
Onderzoeker. Correspondent. Oorlogsverslaggever
Maar ik koos de makkelijke weg
Die van de minste weerstand
Ik schrijf commerciële stukjes
Interviews voor bladen die geen steen verleggen
Een persbericht, een aankondiging, een blog
Want we hebben allemaal zo veel “belangrijks” te zeggen

Soms een gratis tekst voor een goed doel
Fairtrade, duurzaamheid, of een sympathiek buurtinitiatief
Kan ik mezelf weer een schouderklopje geven
Kijk mij goed bezig zijn
En ondertussen klagen over mijn ‘eerste wereld leven’

Het regent
Alweer

Ik huilde lang en hard vanmorgen
103 journalisten en mediamedewerkers gedood sinds 7 oktober
Tranen drupten op de schouder van de leuke jongen uit de trein
Tranen drupten op de krant
Het venster van de wereld op Gaza wordt steeds kleiner, las ik in NRC
Mijn kop koffie in de hand

PRESS op hun helm
PRESS op hun scherfvest
Dat moet bescherming bieden
Maar maakt doelwit
Schietschijf voor wie de waarheid niet wil weten
Schietschijf voor wie hoopt
Dat we ook deze oorlog weer vergeten

Auto geraakt door een granaat
Huis geraakt door een bom
Collateral dammage?
Vette pech?
Natuurlijk niet
Maar de daders komen ermee weg

Videojournalist Issam Abdallah werd op 13 oktober 2023 gedood toen hij samen met andere journalisten Israëlische bombardementen filmde in Zuid-Libanon. Onderzoek wijst uit dat de granaat afkomstig was van een Israëlische tank aan de andere kant van de grens.

Hoe een meisje dat doorgaans stevig in haar schoenen staat geen nee durft te zeggen tegen totaal irrelevante voorstellen

 

Ik heb professionele hulp nodig. Denk ik. Vannacht sliep ik er zelfs slecht van. Drie afleveringen van een spannende serie, haalden mijn hoofd niet uit de maalstand.

“Nee, geen interesse en wilt u voortaan alstublieft geen contact meer met mij opnemen.”

Waarom kan ik die zin bijna nooit uitspreken?

Neem gisteravond. Iemand aan de deur die een Ziggo-aanbieding wil doen. In plaats van bovenstaande zin vlot uit mijn mond te laten rollen, begin ik te vertellen dat ik geen idee heb wat voor abonnement we hebben, omdat de leuke jongen uit de trein daarover gaat (ik noemde hem in dit gesprek niet zo, haha). Dat ik alleen maar weet dat we extra sportpakketten hebben. Dat ik denk dat mijn lief tevreden is met ons huidige abonnement, maar dat hij helaas nu niet thuis is dus ik kan het hem niet vragen.

Waarom vertel ik dat allemaal? Het is niet dat het die jongen aan de deur iets aangaat. Een simpel ‘nee, dankjewel’ was voldoende.

“Oh, dan kom ik misschien nog een andere keer terug als hij er wel is”, reageert de jongen.

En alweer zeg ik niet wat ik moet zeggen. Ik vertel alleen dat ik hem weinig kans geef op het afsluiten van een ander abonnement.

Waarom zeg ik niet gewoon kort en duidelijk dat hij niet meer terug hoeft te komen? Nu is de kans groot dat hij deze week nog eens aan de deur staat. Ik weet hoe volhardend deze types zijn en hoe ver ze gaan voor hun commissie.

Gisteravond beging ik echt niet mijn domste actie. Al die keren dat ik vriendelijk bleef tegen die mensen die me telefonisch lastigvallen omdat ik nu eenmaal sta ingeschreven bij de KvK. Zelfs als ze ronduit brutaal waren of overduidelijk een poging deden om me op te lichten. Al die keren dat ik welwillend iets in de collectebus liet vallen van het meisje of de jongen die aan de deur stond, ook als het doel me totaal niet aansprak.

Drie keer per jaar op vakantie, tuurlijk joh

Een keer heb ik me bijna een of ander reisabonnement aan laten smeren. Het sloeg helemaal nergens op, want het kostte iets van € 300 per jaar om vervolgens een bepaald percentage korting te krijgen op reizen die ik dan ook nog alleen kon boeken via de organisatie van de beller. Het was pas lucratief als je minimaal drie keer per jaar op vakantie ging. Zelfs pre-corona was dat geen haalbare kaart. Bovendien vond ik de meeste bestemmingen die ze aanboden niet eens interessant. Waarom ik toch bijna ja had gezegd? Joost mag het weten.

Ja joh, kom maar langs

Ook heb ik ooit een afspraak gepland met iemand die vrijblijvend langs zou komen voor weet ik veel wat voor energieaanbieding. Het kostte vervolgens knetter veel moeite om die afspraak alsnog af te zeggen. Want natuurlijk wist ik al lang dat ik geen ander energiecontract nodig had. En ik was bang dat ik mijn handtekening ergens onder zou zetten als ik de afspraak liet doorgaan.

Zakelijk kan ik het wél (eindelijk)

Het enige vlak waarop ik vooruitgang heb geboekt, is bij het vasthouden aan mijn zakelijke uurtarief. Ontelbare keren en jarenlang heb ik werk aangenomen voor veel minder dan mijn “normale” prijs. En neem die keren dat ik al riep dat ik wel iets van mijn uurprijs af kon doen als het een grote of een terugkerende opdracht was, nog voordat de klant daar zelf over begon. Dat doe ik niet meer. Ik wijk nog wel eens van mijn prijs af, als het bijvoorbeeld voor een goed doel is, of als ik al weet dat er ergens niet veel budget is en ik het wel een hele leuke opdracht vind. Maar ik kan zakelijk gezien inmiddels nee zeggen tegen opdrachten die te weinig opleveren.

Het ligt niet aan mijn opvoeding

Buiten Lieke Schrijft ben ik dus een slappe zak, een vriendelijke softie, een angsthaas met telefoonpaniek. Ik weet niet waar het vandaan komt. Ik ben niet zo opgevoed. Dat we voor onszelf op moesten komen, was één van de dingen die we van huis uit meekregen. Dat het niet erg is om af en toe nee te zeggen en dat je niets tegen je zin moet doen, behalve naar school gaan en naar je ouders luisteren.

Herkent iemand wat ik schrijf bij zichzelf of een ander? Bestaat er een therapie die deze stoornis verhelpt?