Het gaat goed. Maar toch, soms…

DSCN1853
Met mij gaat het goed. De vakantie heeft me een energieboost gekregen waar ik blij van word. Voordat we vertrokken was ik ontzettend moe. Nu voel ik me topfit en koester ik mijn bruine velletje. Afgelopen week sportte ik maar liefst drie keer en het koste me nauwelijks moeite.

Op werkgebied gaat het goed. Vanmorgen had ik een gesprek met een bevlogen en gepassioneerde vrouw. Ze had een wervingsmail die ik twee jaar geleden verstuurde al die tijd bewaard, omdat ze mijn tekst zo mooi vond. Tot nu toe had ze geen budget voor een communicatiemedewerker. Nu heeft ze ergens een potje gevonden en kan ik structureel voor haar aan de slag. Een andere vereniging waar ik één avond in de maand voor werkte als notulist, kan me sinds kort een dag per week bieden. Over een week start ik bovendien in deeltijd bij de klantendienst van een warenhuis. Deze drie ‘baantjes’ bij elkaar opgeteld, gaan me eindelijk voldoende basisinkomen opleveren om elke maand mijn vaste lasten te betalen. Alle opdrachten die ik extra binnenhaal, zijn vanaf nu voor “extra” dingen. Wat een luxe.

Op relatiegebied gaat het goed. De leuke jongen uit de trein is na de vakantie ook een stuk energieker dan ervoor (al moet ik even afwachten hoe lang dat nog duurt, vandaag was zijn eerste werkdag). Mijn lief heeft me de afgelopen week enorm verwend met culinaire hoogstandjes waar sommige deelnemers aan Master Chef nog een puntje aan kunnen zuigen. Voortreffelijke goulash. Smeuïge risotto. Crème brûlée en lemon curd meringue taart. Omdat ik bijna elke avond moest werken, hadden we nauwelijks tijd om samen te eten, maar dat mocht de pret niet drukken. We zitten sinds de vakantie allebei in de knuffelmodus en gedragen ons af en toe als verliefde pubers. Heerlijk.

Niets te klagen dus.

Maar toch.

Maar toch was er vorige week een ochtend waarop ik verdrietig wakker werd. En toen ging ik malen:
Ik ben 34 en wat heb ik nou helemaal bereikt? Ik ben een vrouw met overgewicht, onhandelbaar haar en een studieschuld; een vrouw zonder vaste baan en zonder eigen huis. Ik heb nauwelijks een carrière en barst van de in de ijskast gezette dromen en vervagende ambities. Ik vind nooit genoeg werk en nooit genoeg zekerheid omdat ik niet goed genoeg ben in wat ik doe. Het is mijn schuld dat de leuke jongen uit de trein geen ambities meer heeft. Hij zou gaan studeren en hij zou zangles nemen. Maar hij vindt dat daar geen geld en tijd voor is. Omdat ik niet genoeg binnen breng waardoor hij niet minder kan gaan werken. Grote beslissingen gaan we uit de weg. Over het kopen van huizen, het wel of niet willen van kinderen, het afsluiten van een samenlevingscontract. Als er met één van ons iets gebeurt, heeft de ander niets en verdomme ik weet hoe snel er iets kan gebeuren. We hebben werkelijk niets geregeld, we hebben niet eens een gezamenlijke bankrekening.”

Als ik zo lig te malen, word ik jaloers op vriendinnen bij wie allerlei dingen aan zijn komen waaien (zo lijkt het dan in elk geval). Vriendinnen die hooguit drie sollicitatiebrieven schreven in hun leven en de ene na de andere promotie krijgen aangeboden. Vriendinnen die zonder met hun ogen te knipperen een hypotheek konden afsluiten en ook nog geld over hebben om vier keer per jaar op vakantie te gaan. En dan word ik boos op mezelf. Want als ik iets haat is het jaloezie. Ik gun mijn vriendinnen het allerbeste en ben super blij voor voor ze als het goed met ze gaat.

Na een halve dag somberen, is zo’n bui meestal weer voorbij. Mijn problemen zijn slechts luxeproblemen. Peanuts.

Maar toch, soms… Ik zou wel wat vaker willen lezen dat iemand met dezelfde dingen worstelt als ik. Dat achter al die prachtige foto’s en blije berichten op Facebook ook mensen schuilgaan die soms twijfelen aan zichzelf en soms stiekem jaloers zijn op de mensen die het beter voor elkaar lijken te hebben.

Hardnekkige mannen. Ieks.

“I’m a lucky man. I see you. A beautiful woman. A beautiful angry woman. I’m so lucky.”

Station Sint Niklaas, 17.00 uur. Ik heb net een sollicitatiegesprek achter de rug om groepsbegeleider te worden voor een uitwisselingsproject met een land in West-Afrika. Inmiddels twijfel ik eraan of dat verstandig was. Ik wacht op de trein naar Luik. Naast mij op het bankje zit een man, uit Ghana of Nigeria of een ander Engelstalig land in die buurt. Hij achtervolgt me al twintig minuten en blijft tegen me praten ook al zeg ik al vijftien minuten niets meer terug.

Zonder een hele groep mannen over één kam te willen scheren, kan ik na 34 jaar wel concluderen dat ik bijzonder in de smaak val bij mannen van West-Afrikaanse afkomst. Dat heeft niets met mijn inhoud te maken (het zal ze worst wezen of ik intelligent ben of gevoel voor humor heb), maar alles met mijn verpakking. Meer specifiek: de omvang van mijn achterwerk.

Hij komt naast me lopen in de winkelstraat. Niet op gepaste afstand, maar in mijn ‘comfort zone’. Hij begint te orakelen over hoe mooi ik ben. Ik vraag hem vriendelijk om weg te gaan. Dat helpt niet. “If you want, I follow you everywhere.” Nee, dat wil ik dus niet. Ik loop het station binnen en koop een treinkaartje. Hij staat zo dicht achter me dat ik bang ben dat hij mijn pincode kan lezen. Ik schreeuw tegen hem dat hij op moet rotten. Hij is niet onder de indruk. De man achter het loket lijkt het wel grappig te vinden.

Ik neem de trap naar het perron, in de hoop dat mijn belager geen trek heeft in de trap en zijn achtervolging staakt. Helaas. Terwijl ik de treden tel, voel ik zijn ogen branden. Ik kijk niet achterom, maar ik wed dat hij verwoede pogingen doet om onder mijn jurkje te kijken. Met een kleine ‘hijg’ in zijn stem hoor ik hem zeggen “You’re a strong woman.”

Het is niet de eerste West-Afrikaan die ik probeer af te schudden, wel de hardnekkigste. Ik besluit om niets meer tegen hem te zeggen. Ik ga op het perron zitten en pak de krant. Ik lees, maar versta jammer genoeg perfect wat hij allemaal zegt. “You have something all African men want. They want to touch. I want to touch.” De haren in mijn nek gaan rechtop staan en ik heb zin hem een klap in zijn gezicht te geven. Maar het perron is nagenoeg leeg en misschien slaat hij wel terug. Ik sla de bladzijde om. Hij loopt weg. Opgelucht haal ik adem. Al durf ik nog niet te bewegen. Kwam die trein nu maar!

Zo veel geluk heb ik natuurlijk niet. De trein laat op zich wachten en even later zit hij weer naast me. Ik kijk niet opzij en doe alsof ik verder lees. Hij legt een papiertje op mijn schoot. “Call me. Please call me. You can allways call me. At night, in the morning. Please.”

De trein komt. Zonder om te kijken stap ik in. Omdat ik goed ben opgevoed, neem ik het papiertje mee om het in de trein in de prullenbak te gooien. Verwacht hij echt dat ik na deze onplezierige ontmoeting nog een woord (of andere dingen) met hem wil wisselen? Dan heeft hij geen plank voor zijn kop, maar een complete betonnen bunker.

Zin in een man waar je nooit meer vanaf kom? Bel Amin op +32 466105381.

Zoals dat gaat

“Je ziet er leuk uit, je bent goed gebekt, je bent intelligent en je kunt goed schrijven. Dat moet toch goed komen.”

Ik was even terug bij de gemeente waar ik in augustus de telefoon opnam. Ik had een afspraak voor mezelf versierd op de communicatieafdeling. Mijn ‘telefooncollega’s’ hadden er alvast alle vertrouwen in.

Maar ik fietste naar huis met slechts de belofte “Als we veel te schrijven hebben, dan denken we aan jou.” 

Die heb ik vaker gehoord.

Terugblik op de zomer

Nog een paar nachtjes slapen, ongeveer 10, en dan stappen we als het goed is in een vliegmachientje richting Corsica. Ik kijk er al maanden naar uit. Maar wie denkt dat we dus ook al maanden geleden geboekt hebben, heeft het mis. Reserveren is laatste moment werk, net zoals alles in mijn leven pas gebeurt als de deadline me op mijn hoofd slaat.

De zomer is nog niet voorbij, maar dat voelt wel een beetje zo. Nu de zon nog slechts sporadische pogingen doet om te bewijzen dat het echt nog geen herfst is. Nu zelfs de mensen uit het onderwijs weer zijn begonnen en iedereen het drukker lijkt te hebben dan ooit. Inclusief ikzelf. Dus vind ik dit een mooi moment om terug te kijken (lees: om werkontwijkend gedrag te vertonen). Daartoe aangespoord door Tales from the Crib:

Genoten van: twee uitstapjes naar Brussel. De eerste keer met de leuke jongen uit de trein. Vijf nachten in het Sheraton (dat een stuk minder decadent is dan het lijkt, wie op het allerlaatste moment boekt, heeft soms geluk) waardoor we de dag begonnen met zwemmen op de 30e verdieping. We aten elke dag de lekkerste dingen, van een ordinaire puntzak frietjes tot een uitgebreid verjaardagsmenu. Als ik aan die dorade op een bedje van bladerdeeg en tomatensaus denk, loopt het water me in de mond. Of gepocheerde peer met amandelmelkijs. Mjam! Het Brussels Summer Festival was wederom een feestje, ook al snappen ze er nog steeds niet hoe je een bar effectief moet bemannen. 
Het tweede uitstapje naar Brussel was met de voltallige schoonfamilie. Ik heb de leukste schoonfamilie van de wereld, dus dat moest wel gezellig worden. We sliepen in een hotel dat door de leuke jongen uit de trein zeer zorgvuldig gekozen was en dat uitstekende bedden en een smakelijk ontbijt afleverde. Dankzij de schoonouders die een ‘hop on hop off bus’ een ideale manier vinden om een stad te zien, ontdekten de leuke jongen uit de trein en ik weer stukken van Brussel die we nog niet eerder hadden gezien en waar we de volgende keer zeker naartoe gaan, te voet of met de metro. 

IMG_0013

Volop bezig met: schrijven, schrijven en nog eens schrijven. Twee nieuwsbrieven over schoenen, een persbericht over schoenen (gevaarlijk, want daardoor zie ik ook voortdurend leuke schoenen), een aankondiging voor een bootcamp, een voorstel voor een fairtradeproject en notulen van een bestuursvergadering. Dat ik stiekem ook nog een schoolopdracht voor een vriendin uitwerk, ssssjt. 
In augustus zat ik aan de telefoon bij een gemeente op de perfecte fietsafstand van Maastricht (elke dag in totaal 27 kilometer afgelegd op mijn roestige tweewieler, door het mooie Zuid-Limburgse land: genieten!). Ik verwachtte er niet veel van, maar werd er best blij van. De werkplek was prima in orde en de collega’s waren zeer de moeite waard. Leuke, gezellige vrouwen die ook bij de meest bizarre telefoontjes kalm en correct bleven. Ik voelde me er snel thuis. Jammer dat het na vier weken weer voorbij was. Uiteraard heb ik wel even mijn visitekaartje op de communicatieafdeling achtergelaten, je weet maar nooit…

Uitkijken naar: vakantie op Corsica. Het is er mooi. Het is er warm. De zee is er altijd dichtbij. En het allerbelangrijkste: er moet niets.

Lezen: Een Varken in het Paleis van Tessa de Loo. Ik weet verdomd weinig van Lord Byron, maar de reis die Tessa de Loo in zijn voetsporen maakt, zou ik meteen over willen doen. Onverwachte ontmoetingen, gastvrijheid met ongemakkelijke kantjes, overvallen worden door het donker of een onweer, genieten van adembenemende landschappen. Ik teken ervoor! 
Het was op boekengebied sowieso een Nederlandse zomer. Ik las Volmaakte Verdwijning van Derwent Christmas en Het Grote Baggerboek van Ilja Pfeijffer. Die laatste kostte me erg veel moeite vanwege het afschuwelijke taalgebruik van de hoofdpersoon. Toch moest het boekje uit. Ik had me verheugd op een zomer van boekjes lezen in de zon, het werd vooral boekjes lezen in bed. 

Luisteren naar: de eerste handeling die hier ’s morgens wordt verricht, na het met veel tegenzin terugslaan van de deken, is het aanzetten van de radio. Afhankelijk van het tijdstip is dat 3 FM of Studio Brussel. Maar tijdens het poetsen, heb ik behoefte aan het hardere werk. Deze week gingen Ill Nino en Watcha op vol volume, ik moest ze tenslotte nog boven de stofzuiger uit kunnen horen. Ik was verbaasd hoe veel van Ill Nino nog kon meezingen (brullen), had die cd al jaren niet meer opgezet. Aangezien onze buren Duitste studentes zijn die nog nooit een woord tegen ons hebben gezegd, zelfs niet als wij ze vriendelijke goedemorgen wensen, durfden ze nu ook niet te klagen.

Kijken naar: ik ben niet echt een televisiekijker in tegenstelling tot de leuke jongen uit de trein. Ik zit net zo lief met een boek of een tijdschrift op de bank, of aan de keukentafel bij een vriendin. Maar voor ‘dooie mensen’ heb ik meestal wel tijd, ook in de zomer: Criminal Minds, Law and Order, NCIS. Favoriet van het moment heeft vooral met ‘dooie dieren’ te maken, The Taste. Ik ben groot fan van het programma No Reservations waarin Anthony Bourdain in de meest obscure restaurantjes de meest obscure dingen in zijn hoofd stopt. Dus toen ik een aankondiging zag waarin hij samen met de vrolijke lekkerbek Nigella Lawson gerechten proeft, wist ik dat ik moest kijken. Een heerlijk programma. 

De zon komt bijna op

Het wordt bijna licht buiten. Want het was veel te gezellig. En dus zit er te veel alcohol in deze bibberige vingers op dit plakkerige toetsenbord. Maar het moet gezegd. Ik was een beetje bang. Ik bedoel, ik kreeg deze kamer via-via. En misschien zouden die andere twee mij (dus) helemaal niet leuk vinden. Of ik hen niet. Maar ik denk -kan het natuurlijk mis hebben- dat het net als tussen mij en Utrecht ook tussen mij en mijn huisgenoten wel goed komt. We hebben hetzelfde tempo van alcohol achterover gieten. Dezelfde wegwerpgebaartjes als er een vervelende kerel aan komt zeilen. En we zijn allemaal (iets te) open over intieme zaken. En dan terug fietsen, ik achterop, met mijn neus tussen mijn knieen en toch nog goed thuis komen. Dat zegt ook iets. Blindelings vertrouwen enzo. Klein meisje in de grote stad, holladieeeeeee!!!

En die tapas. Nou, voor een heel leger dus. Iemand een gehaktbal of een olijf???