Bellen

Uren hingen we aan de lijn. De vaste lijn. Ik zat dan meestal op de zoldertrap. Vaak hadden we elkaar vlak daarvoor nog gezien. Desondanks was “Trek jij straks een jurkje aan naar dansles?” een vraag waar we het nog uren over konden hebben.

Twintig jaar later bel ik nog maar zelden. Zelfs haar bel ik niet, behalve als afspreken via Whatsapp niet opschiet. Of als ze jarig is.

Ik haat bellen. Stiekem heb ik nog steeds liever dat mijn mama mijn kappersafspraak maakt. Of de dokter belt. Of een klantenservice. Een knoop in mijn maag en alles erop en eraan. Vooral bij onbekenden. Lastig als je tekstschrijver bent en je werk grotendeels bestaat uit het maken van interviewafspraken met onbekenden.

Zodra ik het nummer heb gevonden (lees: het mailtje heb geopend waarin de opdrachtgever het nummer heeft vermeld), heb ik eigenlijk geen excuus meer om niet te bellen. Dan moet ik wel. Dus het opzoeken van het nummer, schuif ik alvast een paar uur voor me uit. Eerst dat andere interview nog even uitwerken en die ene factuur versturen. En dan toch ook eerst nog even heel goed lezen waar ik die persoon eigenlijk over wil spreken. *Ik kan zijn LinkedIn profiel wel even opzoeken. Oh hij ziet er heel anders uit dan ik dacht. Hij schrijft blogs, wat leuk, even lezen.* En het is zo weer een uur verder.

Mister Deadline tikt zachtjes op mijn schouder “Als je nu niet belt om een interviewafspraak te maken, komt het nooit meer goed.”Ik toets het nummer in. Dat gaat uiterst nauwkeurig, met een controle na ieder cijfer. Want ik wil absoluut niet het verkeerde nummer draaien om vervolgens nóg een keer te moeten bellen.

De telefoon gaat over. En nog een keer. Ik voel sterk de drang om op het rode knopje te drukken. *Ik kan toch veel beter een e-mail sturen?* En nog een keer tooooeeeet. *Pfjoew, lang genoeg gewacht, ik mag ophangen.*

“Goedemiddag, met…” *Ai, waar belde ik ook alweer voor? En namens welk bedrijf?* “Ja hallo met Lieke van Lieke Schrijft, maar ik bel nu eigenlijk voor X, want daar maak ik een personeelsblad voor en ik had uw naam gekregen van…”

Ik begin meteen te ratelen.

Uiteindelijk komt alles goed. Zoals altijd. En met een hartslag van 160 noteer ik de interviewafspraak in mijn agenda.

 

Bellen

Vroeger wilde ik door zo veel mogelijk mensen vriendin genoemd worden, het liefst beste vriendin. Ik wilde een uitnodiging voor elke ‘fuif’ en ik wilde bij de stoere mensen horen.

In die tijd, de tijd van de telefoon met draaischijf en later van het eerste modelletje waarmee je door het huis kon lopen, wist ik met gemak dertig telefoonnummers uit mijn hoofd. Bellen was mijn grootse hobby. Uuuuuuuren hing ik met vriendinnetje B aan de lijn. Welk jurkje we aan zouden trekken naar de dansles, was een van de favoriete onderwerpen. En jongens. We hadden het veel over jongens.

Nu weet ik het nummer van de leuke jongen uit de trein niet eens. Ik ken nog twee telefoonnummers uit mijn hoofd: het vaste nummer van mijn mama dat nog hetzelfde is als toen we een huis deelden, en het vaste nummer van vriendinnetje A dat nog thuis woont en wiens nummer evenmin veranderd is in de laatste twintig jaar.

Ik houd helemaal niet meer van bellen en vermijd het zo veel mogelijk (niet handig als je callcenterwerk doet – maar gebeld worden is minder erg dan naar buiten bellen). Veel minder mensen noemen me vriendin. Ik ben vaker collega, studiegenoot of kroegmaatje. En dat is prima. Voor iedereen is plek in mijn telefoon.