Mijn jaar in boeken

Ik las nog nooit zo weinig boeken als dit jaar. Ik begon met het beklemmende boek Diepte van Henning Mankell. Daarna las ik het boek dat ik op kerstavond 2018 kreeg: Het meisje uit de trein van Irma Joubert. Qua stijl niet helemaal mijn ding, maar wel een aangrijpend verhaal.

Serie Q

Dankzij de leuke jongen uit de trein begon ik in maart aan ‘Serie Q’ van Jussi Adler Olsen. Inmiddels ben ik bezig in deel 7. Dat boek krijg ik dit jaar nog net uit.

Serie Q is een meeslepende serie waarin je voortdurend op het verkeerde been wordt gezet. Ik houd van het soort ingewikkelde hoofdpersonen als Carl Mørck. Een intelligente, onaangepaste, soms luie, soms sociaal onhandige rechercheur die zijn bazen tot wanhoop drijft. Bij hem thuis is er voortdurend van alles aan de hand, met een verlamde collega die in zijn woonkamer woont en een lamme tak van een stiefzoon die ‘vergeet’ te vertellen dat hij maandelijks geld van zijn moeder krijgt.

Exen

Carl rekent op het ene moment de grootste crimineel van Denemarken in, het volgende moment gaat hij met hangende pootjes op bezoek bij zijn ex-schoonmoeder, vanwege een deal die hij met zijn ex-vrouw sloot. Die ex-schoonmoeder is een hoogbejaarde, kettingrokende vrouw met een obsessie voor seks. Sinds ze van haar kleinzoon een smartphone kreeg, wil ze vooral naaktselfies maken.

De drie collega’s van Carl zitten ook vol geheimen en obsessies. Genoeg personen met een hoekje af dus, gecombineerd met spanning en af en toe een stevige portie kritiek op politiek en bureaucratie.

Desondanks kom ik niet verder dan 9 boeken in een heel jaar, waar ik andere jaren makkelijk twee boeken per maand las. Dat voelt als een nederlaag.

Wat deed ik in 2019 met mijn vrije tijd? Zat ik al die tijd naar mijn laptop of telefoon te staren? Lag ik te slapen? Deed ik ‘sociale dingen’? Of had ik gewoon minder tijd? Ik weet het eerlijk gezegd niet. Maar het brengt me wel bij één van de weinig goede voornemens voor 2020: meer lezen!

 

 

In gesprek met ‘de ander’

adult art caution cold

Foto door Trinity Kubassek op Pexels.com

Mijn op 1 na best gelezen blog aller tijden ging over mijn frustratie dat niet ieder mensenleven even veel waard is en dat we nooit praten met mensen buiten onze ‘bubbel’. Ik sta nog steeds helemaal achter die blog en plaatste sindsdien vele berichten met dezelfde strekking. Maar de daad bij het woord voegen en een diepgaand gesprek voeren met iemand die fundamenteel anders denkt dat ik, dat kwam er nog niet echt van.

Mijn vrienden, mijn klanten, de mensen waarmee ik een werkplek huur, de mensen die in dezelfde kroegen en theaters komen als ik… denken ook grotendeels zoals ik. Geen van mijn vrienden stemt PVV of FvD, mijn familieleden zien net als ik het nut van een verenigd Europa, en in mijn werk omring ik mij veelal met mensen die het belang van duurzaamheid en eerlijke handel erkennen en zich er ook voor inzetten. Nogal logisch als projectleider van Fairtrade Regio Parkstad en tekstschrijver voor allerlei welzijnsorganisaties.

Dus heb ik me opgegeven voor Europe Talks. Op 11 mei ga ik in gesprek met iemand die tegenovergesteld heeft geantwoord op vragen over migratie, klimaat en Europa. Ik vind het eng, doodeng. Maar het is net als met stemmen. Je mag niet van alles roepen en over honderd en een dingen klagen als je niet zelf het goede voorbeeld geeft.

UPDATE 9 mei: ‘de ander’ heeft afgehaakt. Geen gesprek dus met iemand die de wereld met hele andere ogen bekijkt dan ik. Gelukkig heb ik afgelopen zondag tijdens het Bevrijdingsfestival met heel veel mensen gepraat die ik in mijn ‘normale’ leven nooit zou hebben ontmoet.

Laat de limonade nu maar knallen

brown leather wallet using blue steel clap

Foto door Pixabay op Pexels.com

Ik ben niet de meest verantwoordelijke persoon als het om geld gaat (de leuke jongen uit de trein rolt met zijn ogen als hij dit leest). Meer geld uitgeven dan er binnenkwam was lange tijd gebruikelijk. Heb ik leuke dingen met dat geld gedaan? Zeker! Vele legendarische feestjes, culinaire maaltijden en adembenemende reizen staan nog op mijn netvlies gebrand. Geen spijt.

Maar dat kon niet eeuwig blijven duren. Dus werd ik soort van volwassen. Vooral dankzij de leuke jongen uit de trein heb ik meer overzicht en minder gat in mijn hand. Ik werk keihard om ervoor te zorgen dat de omzet van mijn bedrijf blijft stijgen, zonder dat evenredig meer uitgeef. Een echte geldheld zal ik nooit worden -ik kan al eens schrikken van een blauwe envelop- maar een heuse mijlpaal is bereikt.

Studieschuld afgelost!

Dat ene jaar dat ik maximaal leende bij de overheid om mijn studie communicatie- en informatiewetenschappen door te komen met een klein cateringbaantje, heb ik gisteravond tot op de laatste cent afgelost. Een paar maanden geleden betaalde ik de twee jaar collegegeld terug die de leuke jongen uit de trein voorschoot. Over dat voorschieten, deed hij niet moeilijk, want “met twee diploma’s op zak zou ik het grote geld binnentrekken.”

Dat grote geld kwam er nooit. Maar ik leef inmiddels wel het leven dat bij grote mensen hoort. Met verantwoordelijkheidsgevoel en een spaarrekening. Met een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en een werkplek buiten de deur. Met een gezamenlijke bankrekening waarop we beiden een even groot bedrag storten. Met soms een tikkeltje meer chaos en rondslingerende bonnetjes dan me lief is. Maar ook met een dubbele stijgende lijn: meer klanten en meer winst.

Proost

Dat grote geld durf ik niet meer te beloven. Rijk ga ik niet worden, dat heb ik inmiddels wel in de gaten. Voldoende verdienen om leuk van te leven, lukt heel aardig. Toch schiet de leuke jongen uit de trein nog wel eens iets voor als de nood aan de man is (zoals onlangs na enige miscommunicatie met de Belastingdienst). Vanavond proosten wij op blij en schuldenvrij (we laten de hypotheek even buiten beschouwing). Dat proosten doen we heel volwassen en verantwoordelijk met een glas limonade. Ik heb ‘pieperdienst’.

Studieschuld

Goedemorgen, heb ik u wakker gemaakt?

20180422_171452Terwijl ik mijn handen laat verdwijnen in de aarde om één van mijn planten een grotere pot te geven, hoor ik op de achtergrond een bel. Die negeer ik. Meestal hoor ik onze bel niet als ik in de tuin bezig ben. Het is vast bij de buren. Nog een keer de bel. Geen blaffende hond, dus voor de buren op links kan het in ieder geval niet zijn.

Toch maar eens kijken. Door het glas van de voordeur zie ik iemand staan. Ik heb alleen een onderbroek, topje en slippers aan. Ik zwaai door het dikke glas van de voordeur en hoop dat hij begrijpt dat hij even moet wachten. Ik sprint naar boven en verlies mijn slippers. Terwijl ik snel een jurkje over mijn hoofd trek, vraag ik me af waar ik mijn sleutel heb gelaten toen ik gisteravond thuis kwam. Die zit natuurlijk nog in mijn tas. Welke tas had ik bij me? Waar is mijn tas?

“Heb ik u wakker gemaakt?”, vraagt de man geamuseerd als ik eindelijk de deur open doe. Op blote voeten, onopgemaakt, met piekend haar en in een scheef zittend jurkje staar ik hem aan. Ondertussen zet hij met twee gereedschapskisten en een trapje een stap naar binnen. “Waar moet ik zijn?”

“Wat is het plan?” vraag ik, terwijl de radartjes in mijn hoofd als een dolle draaien. Heb ik iets gemist? Is het misschien de schilder die ik laatst heb gevraagd om te komen kijken en is zijn bevestigingsmail in de spam terecht gekomen? Heeft de leuke jongen uit de trein nog iets gezegd toen hij de deur uit ging?
“De ketel en de verwarming”, zegt de man en zet een stap richting de trap. “Op zolder, neem ik aan?”

“Wat goed dat mijn vriend een afspraak heeft gemaakt”, zeg ik. “Ja de ketel hangt op zolder. We hebben inderdaad geen onderhoudscontract en hij heeft zich al een hele tijd geleden voorgenomen om dat te regelen.” Ik glimlach verontschuldigend en doe een stap opzij. Om meteen daarna te denken dat de leuke jongen uit de trein echt niets heeft gezegd en dat dat niet kan. In tegenstelling tot mezelf vergeet hij nooit een afspraak.

“Wil je even nakijken of je bij dit huis moet zijn?”
“Oh sorry, er staat 237.”
“Doe de buurvrouw de groetjes.”

Zen zonder zen-activiteiten?

Kikker yogaOverpeinzing op de dinsdagmorgen:

Yoga om in balans te komen, meditatie om in contact te komen met je onderbewustzijn, magnetisme om je geblokkeerde energiebanen te openen, stiltewandelingen op blote voeten om je hoofd leeg te maken, bewustzijnstherapie om te komen tot je kern van vrijheid, coaching om jezelf in je kracht te zetten, intuïtief schilderen om je creativiteit te laten opbloeien, tai chi tao om één te worden met het universum, lachtherapie om negatieve gedachten uit te bannen, natuurlijke oliën voor rust in je hoofd en stenen die gecombineerd met bepaalde kruiden een helende werking hebben voor zo ongeveer alles.

Mijn tijdlijn op Facebook loopt er vol mee. En dat is best wel grappig, want ik sta totaal niet open voor dit soort dingen. Terwijl ik het vaak heel goed kan vinden met de mensen die werken in deze ‘branche’ (er is natuurlijk niet echt een verzamelnaam voor wat ik hierboven allemaal noem). Goede vriendinnen en zakenrelaties zijn yogadocent of tai chi adept en gaan af en toe op stilteretraite in een klooster. Dat verklaart de berichten op mijn tijdlijn.

Is mijn hoofd vol, dan ga ik een stuk hardlopen of baantjes zwemmen. Zijn mijn hoofd en agenda overvol, dan krijg ik buikpijn, huil ik een keer en zeg ik vervolgens een paar activiteiten af, zoals te lezen was in mijn vorige blog. Heb ik geen inspiratie, dan helpt het meestal om te brainstormen met mijn mede-flexwerkers of om even mijn oordopjes in te doen en naar fijne muziek te luisteren.

Mooi dat we allemaal op een andere manier voor onszelf zorgen. Wat doen jullie om je zen te voelen?

Dat heb ik weer

Kleine Weerd
Foto: Beeldbank Rijkswaterstaat

Donderdagavond onder de douche bij het zwembad:
“Moeten we een melding doen van huiselijk geweld, of ga je ons nu vertellen dat je tegen een deur bent aangelopen?”
“Het was een paard.”
“Wow, mishandeld door je huisdier.”
“Ehm ja, zoiets.”

Donderdagochtend, in kekke sportoutfit in de buitenlucht:
S en ik lopen hard (niet zo heel hard, maar het is zeker geen slenteren), want we zijn goed bezig. Die 10 kilometer in juni gaan we met gemak nailen. “Hee kijk, er staan beestjes”, roep ik enthousiast, vlak voordat we natuurgebied Kleine Weerd betreden. Die beestjes zijn magere paarden met klittende manen en een hoop stront in hun staart, maar verder zien ze er wel lief uit. Ze lopen op het pad waar wij overheen willen rennen. We gaan van het pad af om ze met een ruime boog in te halen. Ze komen ons achterna. We krijgen een hartverzakking. Eén paard steigert en kletst met een hoef tegen mijn bovenbeen. We gaan er vandoor.

Ik heb al heel wat blauwe plekken opgelopen in mijn leven (een verbouwing van een maand of acht wil wel helpen), maar deze slaat alles, zowel in omvang als in het aantal kleurschakeringen. In tegenstelling tot paaltjes en stoepranden die ik wel eens over het hoofd zie en de tafelhoeken en deurposten waar ik dagelijks mee bots omdat ik mezelf smaller inschat dan de werkelijkheid, heeft dit exemplaar bijzonder weinig met mijn eigen lompigheid te maken, vind ik. En toch overkomt mij dit en niet iemand anders…

blauwe plek

Droefenis

Sinds ik mag stemmen (ik werd 18 in 1998) kleurde ik altijd een bolletje rood bij PvdA, GroenLinks, of D66. Toen ik studeerde; toen ik een goede baan, een mooi appartement en een auto had; toen ik minder dan het minimum loon verdiende met een nul uren contract bij een callcenter en daarnaast vijf sollicitatiebrieven in de week schreef; toen ik stage liep bij de Nederlandse ambassade in Brussel en gisteren – inmiddels zzp’er.

Omdat iedereen die in Nederland woont mee mag profiteren van ‘onze’ welvaart. Omdat iedereen die in Nederland woont gelijke kansen moet krijgen. Omdat vluchtelingen welkom zijn. Omdat de Europese Unie -ondanks de idioterie van op twee plekken vergaderen, bureaucratie en gebrekkige communicatie – een goede zaak is. Omdat investeren in onderwijs belangrijk is. En omdat iedereen, ook in de volgende generaties, recht heeft op schone lucht, schoon water, bloemetjes in de tuin, vogeltjes in de lucht en wilde dieren in het wild.

Ik woon in een stad waar het in de meeste wijken goed gaat. Een stad met weinig werkeloosheid en veel voorzieningen. Een stad met een groot cultureel aanbod. Een studentenstad. Maar in tegenstelling tot Nijmegen, Amsterdam, Utrecht, Wageningen… werd hier de PVV het grootst.

Een stad waar we net een huis kochten.

Oh Maastricht.
Oh feest van de democratie.

 

 

 

Die vanzelfsprekendheid

money
“Iedereen kan 10% van zijn inkomen beleggen.”
“Ik zou die auto nemen, lekker ruim, mooi design.”
“Heb jij een studieschuld? Had je dat niet anders kunnen regelen?”
“Waarom heb je niet een deel van je hypotheek bij je ouders geleend?”

Een aantal opmerkingen uit de afgelopen weken, gemaakt door mensen die zich nog nooit een seconde hebben afgevraagd of de maand misschien langer zou duren dan hun geld.

Wij anderhalfverdieners zonder kinderen hebben het ab-so-luut niet slecht. Integendeel, ik schrijf dit vanuit een gehuurde werkplek, die ik me als zzp’er sinds een jaar kan veroorloven, terwijl ons nieuwe huis ondertussen voor veel geld wordt verbouwd. Ik moet in deze tijden van dubbele lasten bezuinigen op etentjes en dagjes weg, maar het feit dat we momenteel voor twee huizen kúnnen betalen, zegt al hoe goed we het hebben.

Maar die vanzelfsprekendheid waarmee mensen ervan uitgaan dat je ouders je een smak geld kunnen lenen, omdat ze toevallig toch een bedrag over hebben met minimaal vier nullen, daar kan ik niet zo goed tegen.

 

Oma vertelt

skateboard

Niet alle flessen hadden kindersluiting, er zaten geen haakjes op de kasten en geen beschermkapjes over de stopcontacten. Van sommige dingen bleef je af. Punt.

Tot we zelf lange afstanden konden fietsen, gingen we achterop. Op een kussentje met een stang in de rug, zonder helm. Ik kwam een keer met mijn voet tussen de spaken, omdat ik achterstevoren wilde gaan zitten. Een stunt die ik maar een keer uithaalde.

Achterin de auto droegen we geen gordels en ons Renault 4-tje bood sowieso maar weinig bescherming tegen wat dan ook. Niet dat we vaak in de auto zaten. We liepen of fietsen naar school, geen gezeik met brengen en halen. Ook als het regende, ook als het nog donker was.

In het weekend trok ik ’s ochtends de deur achter me dicht en speelde de hele dag buiten. Alleen, met mijn zusje, of met vrienden en vriendinnen. We liepen door elkaars achterdeur naar binnen, of begonnen voor het huis al te gillen ‘Kom je buitenspelen!?’ We bouwden hutten, klommen in bomen, speelden tussen de hooibalen van de achterburen en mochten soms op één van hun tractors rijden.

Ook stoepranden, touwtjespringen en vooral heel hard fietsen met iemand achterop waren favoriet. De steel van een kapotte schop werd een honkbalknuppel (om mee te honkballen), we verstopten ons in het mais of we balanceerden over de stenen langs het kanaal. Als er een boot langs kwam, klotste het water over onze voeten.

Soms viel er iemand uit een boom of van zijn fiets. Soms kreeg iemand een opsodemieter van het schrikdraad. We speelden met modder, zand, wormen en gras (heksensoep) en we werden vies. We dronken uit dezelfde bekers of rechtstreeks uit de buitenkraan. We bliezen pijltjes door oude pvc-buizen. En vers geplukte peren stopten we rechtstreeks in onze mond.

En zo lang we buiten speelden waren we niet te bereiken…

Het lijkt een wonder dat we allemaal onze jeugd hebben overleefd.

Aanval en verdediging

2016-05-05 17.34.04
G en ik zitten aan de bar in afwachting van pizza’s, kapsalons en ander voedzaams voor de vrijwilligers die zich de hele dag het schompes hebben gewerkt op het zeer succesvolle, zonnige Bevrijdingsfestival. We weten dat het lang kan duren, want toen ik belde klonk er een licht gestreste mededeling dat ik de bestelling op zijn vroegst over anderhalf uur kon komen halen.

Hangend op barkrukken voorzien we de handelingen van de vier mannen in de keuken van commentaar. Het gaat er nogal rommelig aan toe, met veel heen en weer geloop en bijna botsingen. “Zou er achter die deur een vrouw zitten voor de afwas”, vragen we ons af. “Zes handen aan één pizza is niet per se heel handig”, is een van onze conclusies. We bedoelen het niet gemeen, vragen niet waar onze bestelling blijft en nemen op ons gemak ook nog uitgebreid de dag door.

“Jullie zijn vuile lafaards. Wat denken jullie wel. Als ik doorheb dat jullie die mannen belachelijk aan het maken zijn, dan hebben zij dat heus ook wel door. Jullie moeten je schamen!” De vrouw naast ons aan de bar is erbij gaan staan. Haar vuisten ploffen op de bar. Ze loopt rood aan en er komt nog net geen stoom uit haar oren. “En dadelijk als de bestelling komt, doen jullie zeker poeslief. Dat is achterbaks en schandalig en -ze kijkt daarbij G aan- op uw leeftijd zou u beter moeten weten!”

Heel mooi en nobel dat ze het opneemt voor het personeel. Maar we vinden toch niet dat we deze uitbarsting verdiend hebben. “We wilden niemand beledigen”, probeer ik. “We waren de mannen niet belachelijk aan het maken, we waren gewoon een beetje aan het flauwekullen.” Dat helpt voor geen meter, want er barst meteen een nieuwe tirade los.

“Jij zit ons af te luisteren en luistert bovendien ook nog eens selectief, dat vind ik ook niet erg netjes”, probeert G. Dat werkt wel. De vrouw gaat zitten en zwijgt.

Een pizza heeft zelden zo goed gesmaakt.
2016-05-05 18.09.11