Voordat iemand denkt dat ik een negatieve zeurkous ben die alleen de vervelende dingen onthoudt: onze vakantie in Finland was fantastisch. FANTASTISCH! We sliepen op een prachtige plek met een heuvelachtig bos aan de ene kant en een grotendeels bevroren rivier aan de andere kant. Een plek waar de sneeuw maagdelijk wit bleef. We sliepen ook nog eens in hele fijne bedden. We hadden onwijs geluk met het weer. Iedere dag zon, behalve op de vertrekdag. We zagen twee avonden achter elkaar het noorderlicht. We aten goed. We hadden leuk contact met het personeel. We leerden ook nog eens van alles, in het museum en van de gidsen. Huskies, rendieren, sneeuwscooters (met de leuke jongen als chauffeur). Alleen maar genieten! Ik ga nog heel vaak met een grote glimlach aan deze vakantie terugdenken. Finland is een land naar mijn hart. Waar ze dol zijn op drop en waar ze straffe koffie drinken.
En toch deel ik ook dit:
“That’s the problem. Women who don’t accept help are the problem. You are the problem. Women who say they don’t need help ruin society. They have to die. I’ll be happy to exterminate those women.”
De man naast mij in het vliegtuig gaat door het lint als ik zeg dat ik zelf mijn vliegtuigtafeltje wel omhoog kan doen. Het is Internationale Vrouwendag en hij verkondigt steeds luider dat zelfstandige vrouwen dood moeten. We moeten de maatschappij aan mannen overlaten.
Ik duw hem opzij, want zijn vieze mond is veel te dicht bij mijn oor en wat hij zegt maakt me boos. Dan flipt hij helemaal. Hij schreeuwt dat ik hem mishandel. Dat hij bij aankomst de politie inschakelt als ik niet direct 100 euro boete betaal. Anders kom ik in de gevangenis, want de politie gaat zijn klacht zeker serieus nemen. Als ik niet reageer, zegt hij dat mijn ‘boete’ inmiddels is opgelopen tot 250 euro. Ik mag niet meer met mijn elleboog aan zijn kant van de leuning komen, “want anders…”
Hij roept de stewardess erbij. Wat hij in het Fins tegen haar roept, kan ik natuurlijk niet verstaan. Hij wijst ondertussen heftig op mij. Hij bereikt niet wat hij wil bereiken, want de stewardess spreekt me bezorgd aan. Vraagt of ik me nog wel veilig voel en of ik aangifte wil doen. Vraagt of ik business class wil gaan zitten. Ik wijs naar de lege stoel voor de gestoorde man en zeg dat het ook prima is als ik daar mag gaan zitten.
Dus ik verhuis. Maar krijg geen rust. Als een bezetene begint hij met alcoholdoekjes de achterkant van mijn stoel te poetsen. Dan begint hij met nieuwe doekjes aan de stoel waar ik eerst zat. Het meisje dat naast me zit, schrikt. Haar rugleuning gaat heftig heen en weer. Ze durft de gestoorde man niet aan te spreken. Hij gebiedt ondertussen de leuke jongen uit de trein onze “trash” die aan de leuning hangt, weg te gooien. De leuke jongen uit de trein zegt dat het geen afval is maar een tasje met eten en dat het blijft hangen waar het hangt. En zegt dat de man moet stoppen met het schoonmaken van de stoel die niet eens van hem is.
De stewardess ziet dat het uit de hand dreigt te lopen en brengt ons allebei met onze bagage naar de business class. Ondertussen blijft ze sorry zeggen en dat ze het zo vervelend voor me vindt.
In de business class gaat mijn hartslag langzaam omlaag. Ondanks dat daar de mensen ook niet helemaal normaal zijn.
“You’re going to sit here? I’ve paid for that chair to stay empty.“
Oké, ik ga niet naast die man aan het raam zitten met twee lege stoelen naast hem, maar laat een plek vrij. De leuke jongen uit de trein gaat naar een andere rij. De man, die verder heel vriendelijk is, vertelt dat hij van Amsterdam via Helsinki naar Malaga vliegt om de volgende dag weer terug te vliegen naar Helsinki. Hij gaat niets doen in Malaga, alleen eten en slapen. Maar hij “moet” vliegen om zijn vliegvoordelen te behouden. Hij verheugt zich erop om morgen weer in Helsinki te zijn, waar hij dan in een hotel met een sauna overnacht. Met open mond kijk ik hem aan. Vliegen om het vliegen?
De leuke jongen uit de trein bestelt een koffie. Ik een cola. Te goed opgevoed om voor de champagne te gaan. De stewardess komt nog eens sorry zeggen en biedt een gebakje en een chocolaatje aan. De rest van de reis verloopt rustig. Maar ik haal pas echt opgelucht adem als ik het vliegtuig uit ben.
Het glas bier dat we op het vliegveld in Helsinki drinken kost 14 euro en is iedere cent waard. Het smaakt hemels.
“Hee, ik heb jou ook al een paar keer heen en weer zien lopen. Moet jij ook naar Monaco?” De lange blonde jongen kijkt me hoopvol aan. “Nee, de stad in met bus 12, maar die vind ik nergens. Ik heb net wel een Flixbus gezien, misschien gaat die naar Monaco?” “Nee, ik hoorde net dat de laatste bus om 8 uur is vertrokken. “Oei, succes!” “Ja, jij ook.”
Waarom vind ik op reis gaan leuk? Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk? Ik heb het organisatietalent van een driejarige, maar dan zonder het schattige koppie waarmee je toch alles gedaan krijgt. Het richtingsgevoel van een baksteen. En handig ben ik ook al niet.
Hoe ver kan het zijn?
Ik moest dus bus 12 hebben, uitstappen bij het ziekenhuis, dan een klein stukje lopen. Zo had ik thuis opgezocht voor vertrek. Die bus zou rond 22.00 uur voor het laatst rijden, ruim na mijn landing. Op het vliegveld stond het busstation keurig aangegeven. Daar was geen bus 12. Daar waren ook geen bordjes waarop een 12 stond. Het hoogste getal was 10. Ik liep een paar keer heen en weer. Was er aan de andere kant van het vliegveld misschien nog een busstation? Er was niemand bij de bussen, dus ik vroeg naar bus 12 aan mensen die op de tram stonden te wachten. Zij hadden geen idee. Ik vroeg het nog eens aan iemand in het vliegveld. ‘Je ne sais pas.’
Bus 12 vond ik niet. Ik gaf het op. Ik nam een (veel te dure) taxi. Ik had de taxichauffeur al 3 x gezegd dat ik op Avenue Aimée Martin 39 BIS moest zijn. Dat BIS bleek hij telkens niet te verstaan en toen hij bij 39 stopte, dacht ik ‘Ach, hoe ver kan het zijn?’. Nou… In een straat die in een soort U-vorm loopt en alleen bestaat uit enorme, ommuurde appartementencomplexen, kunnen de nummers 39 en 39 BIS zo’n 500 meter uit elkaar liggen en niet eens aan dezelfde kant van de weg. Dus op zoek in het donker. Aan de enige levende ziel op straat vroeg ik of ze wist hoe de huisnummers liepen. Ze had geen idee en wees in de richting waar ik net vandaan kwam. ‘Je ne sais pas’ leken de meest memorabele en meest gehoorde woorden van mijn week in Nice te worden.
Donker
Het volgende obstakel diende zich aan. Ik had extra geld betaald omdat ik na 20 uur aankwam en de congiërge dus langer moest blijven. Er was desondanks niemand te bekennen om me binnen te laten. De congiërge stuurde een filmpje waar ik het zakje met de sleutels uit de struiken moest vissen. Ik vond de sleutels én de juiste ingang tot het enorme complex, om in een knetterdonkere hal te belanden. Wie mij kent weet hoe nachtblind ik ben, dus ik durfde me niet te bewegen. Voor hetzelfde geld staat er ergens een plantenbak. Lang leven mijn mobiele telefoon met zaklampfunctie. Met een een doodenge, schokkerige lift waarvan ik me afvroeg of iemand me zou horen als ie vast zou blijven hangen, ging ik naar de tweede verdieping. Ik had liever met de trap gewild, maar de deur naar het trappenhuis kon ik zo snel niet vinden.
Er zou een sticker met de naam van de verhuurmaatschappij op de deur van mijn appartement zitten. Met mijn telefoon als zaklamp en met mijn rollende rolkoffertje dat in de lege gang van de tweede verdieping klonk als een helikopter, schuifelde ik langs alle deuren. Tot een vrouw haar hoofd om de hoek stak en wees waar ik moest zijn. “C’est celui!” “Merci.” De enige woorden die ik met iemand in het complex heb gewisseld. Ik zag er een week lang niemand. Alleen de boodschappentas die soms wel en soms niet voor één van de deuren stond, impliceerde dat er in minstens één van de appartementen iemand woonde.
Dorst
Natuurlijk had ik niets te eten of drinken bij me, maar ik ging ervan uit dat de basics wel aanwezig waren in het appartement. Dat ik op zijn minst een kop thee kon zetten. Niet dus. Wel een waterkoker, maar geen theezakjes. Wel een koffiezetapparaat, maar geen koffie of koffiefilters. Ik had geen zin om in het donker op zoek te gaan naar een winkel, ik had mijn portie donker wel gehad. Ik kroop in bed na een glas kraanwater, dat in Frankrijk niet half zo lekker is als bij ons. Een fantastisch bed met heerlijke kussens, dat dan weer wel.
De volgende ochtend was ik vroeg wakker, super uitgeslapen, vol energie én hongerig. Snel onder de douche. Waar ik met mijn ogen dicht stond te genieten van de knetterharde straal (want ik hoef de douchewand niet af te drogen, zoals thuis wel elke ochtend het geval is). Toen ik mijn ogen weer open deed, bleek de complete badkamer overstroomd. De glazen wand die het bad afsloot, had zijn taak niet erg serieus genomen. Nu was ik zéker toe aan koffie. En ik moest opschieten met op en neer gaan naar de supermarkt, want om 9 uur had ik de eerste vergadering via Teams en daarna moest ik op zoek naar ondernemersverhalen voor WijLimburg. Al snel had ik de tweede overstroming van de dag te pakken: het bakje van de koffiefilter bleek verstopt.
Mijn eerste werkdag was begonnen…
Nice: kleurrijke, levendige stad
Waarom vind ik op reis gaan leuk? En waarom Nice?
Om alles wat na het ongelukkige begin kwam. Ik stond knettervroeg op om te werken zodat ik ook op tijd kon stoppen om op ontdekking te gaan. En ik werd niet moe van dat vroege opstaan.
Om het prachtige uitzicht vanaf mijn balkon. Uitzicht op de bananenbomen op het balkon onder dat van mij. Op de palmbomen in de gezamenlijke tuin. Op de zee, in de verte, maar toch duidelijk zichtbaar. Als je dan toch ergens moet werken, is dit de perfecte plek. Die luxe heb je als zzp’er.
Om de mooie wandeling die ik moest maken om de berg af te komen en zelfs om de wandeling terug naar boven, die absoluut niet meeviel. De eerste keer stond ik te hijgen als een sledehond.
Om het kijken naar de azuurblauwe zee met de bergen in je rug. Golven blijven toch iets magisch.
Om de prachtige stad met zijn gele gebouwen, groene luiken, overdadige ornamenten. De pompeuze musea. De was aan de balkons. De bloemen in alle kleuren. De citroen- en sinaasappelbomen in de voortuintjes. De muziek door de openstaande ramen.
Om de vele parken en speelpleintjes. Ik hoefde nooit lang te zoeken waar ik mijn lunch zou eten, want om iedere derde hoek lag wel een keurig onderhouden park vol weelderig groen.
Om de lokale keuken. Uiteraard om de keuken. Want lekker eten is altijd een goed idee. Vers stokbrood en croissantjes. Verse vis. Alle typische streekgerechten: salade niçoise, socca en pissaladière (daar kan nooit te veel ansjovis op zitten). Maar ook de vele zalige zoetigheid uit de Noord-Afrikaanse winkeltjes. Tijdens de ramadan zijn de stapels chebakia overal torenhoog. Gunstige bijkomstigheid in Nice: uiteten hoeft niet duurder te zijn dan boodschappen doen. Op de meest toeristische plek waar ik zat, had ik een voor- en hoofdgerecht, wijn en koffie voor 32 euro.
Om de levendigheid. Dansers en muzikanten op straat. Jongeren (en een enkele oudere) die stunts oefenen op skateboards, skeelers, eenwielers. Jongeren met hun drankjes op het strand. Ouderen met hun krasloten op de terrassen van de Bar Tabac.
Om mijn geliefde taal te kunnen spreken en te merken dat ik die nog steeds redelijk onder de knie heb.
Waarom vind ik alleen op reis gaan leuk?
Omdat het heel rustgevend is om een tijdje alleen op jezelf aangewezen te zijn. Mijn hoofd was al snel leger dan in de maanden voor mijn vertrek. Ik moet toegeven dat de onbevangenheid die ik op mijn achttiende in Benin en op mijn 22e in Senegal had er wel een beetje af is. Daar stortte ik me zonder nadenken in allerlei avonturen. Nu let ik toch wat meer op. Zijn mijn sleutels veilig weggestopt? Is de rits van mijn tas goed dicht? Ziet dit steegje er misschien iets te donker uit? Wat als die kerel die net naar me siste en ‘Hello madam’ riep me achterna komt?
Alleen eropuit trekken, is ultiem genieten, vind ik. Leven uit mijn koffertje, want waarom zou ik mijn kleren netjes in de kast hangen? Mijn schoenen uitschoppen bij binnenkomst en ze laten liggen waar ze terecht komen. Mijn gedragen kleding over de eerste de beste stoel slingeren. De afwas laten staan tot de laatste dag. Een boek lezen in een café of op een terras. Kletsen met het horecapersoneel, dat sowieso geïnteresseerd is in waarom je alleen bent. Niemand die een hartverzakking kreeg of op me vloekte toen ik de pan waarin ik eieren wil bakken met een enorme klap op de grond liet vallen, omdat de steel niet goed vast bleek te zitten. Dat ik in het appartement aankwam en 1 ei inmiddels kapot bleek te zijn, was ook alleen mijn eigen probleem.
Met mijn verstand op nul aan een wandeling beginnen en wel zien waar ik uitkom (en dan op een gegeven moment mild in paniek raken omdat ik wel erg ver van huis ben en geen idee meer heb waar dat huis ligt). Trots zijn op mezelf als ik die half gescheurde kurk toch uit de fles krijg. Ongegeneerd wijn nemen bij het ontbijt, want het is zonde dat die fles nog niet leeg is voordat ik vanmiddag terugvlieg. En concluderen dat ie zelfs beter smaakt dan de avond ervoor. Voor me uit staren zonder dat iemand aan me vraagt waar ik aan denk.
Niet nadenken
En heel eerlijk. Vaak dacht ik maar heel weinig. Of mijn croissantje nog in mijn tas zat. Of ik mijn shirt nog een keer aankon (even ruiken!). Dat het niet heel handig was om de zee over mijn schoenen te laten klotsen. Veel dieper gingen mijn gedachten niet. Dat had misschien wel gemoeten. Want mijn reis naar Nice was ook bedoeld om erachter te komen waarom het de laatste tijd niet zo goed met me gaat. De dansende letters op het scherm, de ontsteking achter mijn oor, de extreme moeheid waren er natuurlijk niet zomaar.
Moet ik mijn werk anders aanpakken? Moet ik een stagiaire nemen? Moet ik nog energie steken in bepaalde relaties of moet ik gewoon leren omgaan met hoe die relaties nu zijn? Ga ik nog eens in mijn verleden peuteren op zoek naar bepaalde antwoorden, of laat ik het rusten? Voor die vraagstukken moet ik nu dus tijd maken. Gelukkig heb ik in Nice nieuwe (zonne-)energie opgedaan. Ik kan er in ieder geval weer even tegen.
Mart Hovens schreef een tijdje geleden op Afrikanieuws.nl het artikel dat ik ook wilde schrijven. Een soortgelijk verhaal zat al een tijdje in mijn hoofd. Maar wat andere mensen beter kunnen, moet je gewoon erkennen. Dus heb ik een beetje leentjebuur bij Mart gespeeld, omdat hij sommige dingen zo mooi formuleert dat ik het niet beter kan zeggen. Dankjewel Mart.
Nu ik op het punt sta voor de derde keer naar Benin te gaan, merk ik weer hoe veel mensen spookbeelden in hun hoofd krijgen als het over Afrika gaat. Waar komt deze angst vandaan? Komt het doordat onze media vooral aandacht besteden aan negatief nieuws en niet aan positieve ontwikkelingen? Of leidt onze welvaart tot de illusie dat het leven maakbaar is en we geluk zelf in de hand hebben? Begrijpen we de minder fortuinlijken daarom niet? Volledige veiligheid of bescherming tegen onheil bestaat niet en daar moeten we ons bij neerleggen. Risico’s zijn te verminderen maar niet uit te sluiten. Ook niet met de steun van religie, inlichtingendiensten, (reis)verzekeringen, heuptasjes, credit cards, veiligheidscamera’s, desinfecterende zeep, gekookt water of steriele naalden.
Heel Afrika wordt als eng en gevaarlijk beschouwd. Waarbij veel mensen standaard vergeten dat Afrika geen land is en dat de verschillen tussen Marokko en Botswana minstens even groot zijn als tussen Spanje en Letland. Waarbij de meeste mensen ironisch genoeg wel een positief beeld hebben van Zuid-Afrika, waar de criminaliteitscijfers tot de hoogste van de wereld behoren. Nagenoeg alle Afrikaanse landen krijgen van Buitenlandse Zaken code geel (let op, veiligheidsrisico’s) of erger. Maar wat zijn de feiten?
Ja, de ‘leden’ van Al Shabaab en Boko Haram vermoorden onschuldige mensen. Joseph Kony is nog steeds niet gevonden. Kindsoldaten worden nog steeds geronseld. Verkrachting wordt soms ingezet als oorlogswapen. Maar in het grootste deel van het continent heb je even weinig kans om een terrorist in de ogen te kijken als in een Nederlandse polder. Kreeg Parijs code geel na de aanslag op Charlie Hebdo? Natuurlijk niet.
Ja, ebola is een dodelijke ziekte. Tegelijkertijd zijn er maar een paar landen door getroffen en is het risico voor toeristen nihil. De afstand tussen Liberia en Benin is pak ‘m beet 1334 km. Vergelijkbaar met de afstand tussen Maastricht en Barcelona. Malaria komt in veel meer landen voor, is vele malen besmettelijker en eist veel meer slachtoffers, zowel onder de plaatselijke bevolking als onder reizigers, maar je leest er zelden iets over. Tegen beide ziekten had wellicht al lang een afdoende en betaalbaar medicijn op de markt kunnen zijn, als er maar genoeg aan te verdienen zou zijn geweest.
Ik snap er maar weinig van hoe “wij” denken. Hopelijk kan ik met mijn reis naar Benin en de verhalen die ik erover ga schrijven, de angst voor het onbekende bij een paar mensen wegnemen. Of misschien moet ik het houden bij een paar mooie foto’s van kleurrijke mensen, goudgele stranden en mangrovebossen in vijftig tinten groen. Want een beeld zegt meer dan 1000 woorden: