Deze week begon met die oneindig lange maandag, die niet alleen in de schaduw lag van lange vergaderingen, haantjesgedrag en geldingsdrang, maar ook van mijn vaders verjaardag. Op dinsdag liep op het werk alles anders dan gepland. Ik zag het alweer 18.30 uur worden zonder dat ik iets had kunnen afronden. Op woensdag kwam het besef dat ik die twee zware onvoldoendes voor anderhalf ingeleverd werkstuk niet moet laten ligen tot na mijn stage en dat ik echt wel een probleem heb als ik geen studiepunten voor mijn stage krijg omdat mevrouw de stagebegeleidster mijn werkzaamheden niet van academisch niveau vindt. Dus daar wilde ik mee aan de slag. Maar dat ging natuurlijk niet, want na alweer zo’n lange werkdag, viel ik bij thuiskomst bijna meteen in slaap. Vandaag verzamelde ik genoeg moed en energie om na werktijd alsnog die werkstukken bij hun horens te vatten. Veel verder dan het herschrijven van een inleiding kwam ik niet. Zal het ermee te maken hebben dat ik vanavond eigenlijk met mijn lieve vriendin V bij een standupcomedyavond in Gent had moeten zitten? Ben helemaal klaar met deze week. Op naar de volgende!
Categorie archief: Blanco
Fantastisch vriendinnenweekend
We kunnen serieus en ernstig zijn. Onze zorgen uitspreken over de toekomst in het algemeen en die van onze broertjes in het bijzonder. En zo zaten we op vrijdagavond om half vier nog steeds aan de keukentafel.
We kunnen melig zijn. Uitgebreid proosten bij elk glas. Mensen uitvoerig van ons ongezouten commentaar voorzien. Voorwerpen trouwens ook. Wisten jullie bijvoorbeeld dat er harnassen bestaan met zwemvliesklompvoeten? En zo klommen we aan het begin van de zaterdagavond over een kast om vervolgens een paar hilarische uurtjes in de kroeg en op de dansvloer door te brengen.
We kunnen op zoek zijn. Naar een uniseks autopapieren-en-andere-autospullentasje in dit geval. Fanatiek stortten we ons op elk tassenkraampje. Maar de zilveren glitters, gouden knopen of geborduurde beertjes waren toch echt te vrouwelijk voor de vriend van A. En zo liepen we meer dan een uur over de markt in Zuid.
Het was een fantastisch weekend. Vandaag zou de saaiste dag in mijn leven zijn geweest als ik niet af en toe grinnikend terug had kunnen denken aan het 40+ koppel dat elkaar vond op de dansvloer en er helemaal zen yoga oefeningen deed, of aan de enorme berg friet met Andalousiesaus die we (op verzoek) naast in plaats van op onze enorme Turkse pizza kregen, of aan de verraste ober die ons uitvoerig bedankte voor onze fooi en vervolgens een glaasje jenever voor ons inschonk, of aan…
Bedankt meiden!
Brallerig Brussel
Of dat nu helemaal mijn ding is? Borrelen met al die jonge, ambitieuze, zichzelf bijzonder intelligent vindende, in pak gestoken, met hun Europese Commissiepas of hun Parlementstoegangskaart nog om de nek of op de borst, visitekaartjes uitdelende, luid brallende heren en dames? Ik weet het niet… Ik paste er alweer niet tussen.
Om nog maar eens een andere kant van Brussel te noemen.
Voel me nog steeds Alice in Wonderland en heb het hartstikke naar mijn zin (voor wie dat nog ontgaan zou kunnen zijn). Maar een beetje bezuinigen op borrelactiviteiten kan geen kwaad. Voel me niet echt lekker deze ochtend en vrees dat de combinatie van grote pullen Belgisch bier met Poolse kebab daar iets mee te maken heeft. Oef.
Duitse les… vrijwillig
Wie mij nog kent van de middelbare school gaat er heel hard om lachen. Wie mij nog langer kent, komt helemaal niet meer bij. Ik ga een cursus Duits volgen. Ja, jullie lezen het goed: DUITS.
Dat zit zo. Talencursussen kosten in Brussel nagenoeg niets. Tussen de 60 en 120 euro voor een half jaar en daar heb je dan 3 uur in de week les voor. Die ontdekking deed ik rijkelijk laat. Zodoende waren Spaans (1e keus) en Italiaans (2e keus) al vol. Arabisch leek me niet te doen (lees: te veel huiswerk). Frans ga ik binnenkort gratis volgen op de ambassade. En voor Engels heb ik al eens ooit een ‘proficiency degree’ gehaald, al was het met de hakken over de sloot en zou je het ook zeker niet zeggen als je me hoort praten. Soit. Bleef over… Duits.
Wat haatte ik die taal op de middelbare school. Ik vond het zo onvriendelijk klinken. En het zag er ook niet uit. Al die lelijke hoofdletters. Die onoverzichtelijke puntjes. Iedereen om mij heen kon die rijtjes met bijwoorden (of wat zijn het?) opdreunen en met de hulp daarvan de bijbehorende naamvallen achter woorden plakken. Ik kreeg het mijn hoofd niet in. Hoe hoger de klas waar ik in terecht kwam, hoe lager mijn cijfers.
Het samenstellen van mijn vakkenpakket was een hele puzzel, maar 1 ding wist ik zeker: Duits zou ik zo snel mogelijk laten vallen. Tot grote spijt van mijn vloeibaar Duits sprekende gezinsleden. Om maar te zwijgen over het Duitse deel van mijn familie. Mijn nichtjes hadden gelukkig voor mij een stuk minder moeite met Nederlands leren, dan ik met Duits.
En nu ga ik mij dus geheel vrijwillig op die rijtjes storten. Op die lelijke hoofdletters en op die puntjes. Dankzij een Duits vriendinnetje van een vriend kwam ik er laatst achter dat ik ondanks mijn vroegere afkeer van het Duits er toch een aardig woordje in kon babbelen. Dat gaf deze burger moed. En het enthousiasme van mijn eveneens Duits lerende huisgenoten maakt me vrolijk. Dus ik waag het erop.
Het zou toch mooi zijn als ik over een half jaar behalve met een pak werk- en levenservaring en een interessant netwerk ook nog gezegend ben met het kunnen kleppen en schrijven in vier talen 🙂
Es geht ihr/euch/ihnen gut!
Grumbl, moet ik dus toch ontvrienden
Geen zorgen, ik ben nog steeds helemaal blij in Brussel. Moet alleen even kwijt dat ik voor het eerst gebruik heb gemaakt van dat stomme tot woord van het jaar gekozen ‘ontvrienden’. Ik heb het toegepast op iemand die ik leerde kennen in een ver en vrijgezel verleden. Hij verklaarde mij toen de liefde en doet dat met grote regelmaat nog steeds.
Toen ik vrijgezel was, maakte hij al geen kans. Sinds een kleine twee (!) jaar, kan hij het helemaal op zijn buik schrijven. Ik ben naar hem toe meer dan duidelijk over de leuke jongen uit de trein. Ondertussen ben ik wel zo goed (zo stom dus eigenlijk) dat ik hem ben blijven helpen met het leren van de Nederlandse taal en het invullen van allerlei formulieren. Bovendien vertaalde ik de laatste tijd bijna elke week een sollicitatiebrief voor hem. Waarbij ik wel zo eerlijk (of zo bot) was om hem er telkens op te wijzen dat hij bij een gesprek onherroepelijk door de mand zou vallen, omdat zijn kennis van het Nederlands en het Engels veel te laag is voor een baan op niveau.
Dus. Kom ik net op facebook. Spreekt ie me aan. Dat hij me kinderachtig vindt omdat ik hem er telkens op wijs dat ik een vriend heb. "Alleen middelbareschoolmeisjes doen zoiets".
Grappig bedoeld of niet. Dat was de welkbekende druppel. De beste jongen is uit facebook en msn verwijderd. Mailtjes worden vanaf nu vakkundig genegeerd. Jammer dat het zo moet gaan; ik had ooit bedacht dat we best vriendjes konden zijn.
Dit hoort helaas ook bij Brussel
Verdriet, medelijden, angst of ergernis. En soms -als ik zie hoe een klein, lamgeslagen kind misbruikt wordt om wat extra centen binnen te halen- woede.
Vergeleken met wat ik uit Nederlandse steden gewend ben, heeft Brussel een hoog percentage bedelende medemensen. Je besluit doorgaans niet ineens om van de straat je huis te maken. De meeste zwervers zullen een hoop voor hun kiezen hebben gehad. Geboren in armoede. Psychische problemen. Maar ook mensen die ooit een huis hebben gehad, een baan, een toekomst. Misschien ging het mis door verkeerde vrienden, een verkeerde relatie, een verkeerde keuze. Of simpelweg geboren in het verkeerde land.
Hoe ver moet je gezonken zijn om andere mensen een kartonnen bekerje in hun gezicht te duwen? Hoe klein is je eigenwaarde of hoe groot is je honger als je mensen zelfs achterna loopt en aanklampt? Verdrietig word ik ervan.
Maar die moeders die hun kinderen op voorbijgangers afsturen. En die moeders die met veel te stille, bewegingsloze (gedrogeerde?) kinderen op schoot midden in de winkelstraat gaan zitten. Die maken me kwaad. Het zal niet allemaal perfect geregeld zijn, maar er zijn sociale voorzieningen genoeg, zeker in Belgie, om ervoor te zorgen dat een kind kan leven als een kind. Met een dak boven zijn hoofd. Eten. Onderdak. Wat ben je voor moeder als je je kind zijn jeugd afneemt?
En wat ben je voor man en vader als je je vrouw en kinderen de straat op stuurt?
Goede genen
De eerste dagen op een nieuwe werkplek, zijn de dagen van de vragen. ‘Waar kom je vandaan’, ‘waar woon je’, ‘hoe bevalt ’t in Brussel’ en dat soort dingen. Halverwege vorige week ontstond het volgende gesprek tussen mij en mijn kantoorgenoot:
"Wat studeert ge eigenlijk?"
"Ik heb eerst journalistiek gestudeerd en nu…"
"Journalistiek? Dat is in Nederland toch ook vier jaar?"
"Ja dat klopt. Ik ben in 2003 afgestudeerd. Daarna heb ik vijf jaar gewerkt en nu studeer ik CIW."
Tegenover mij worden de ogen zo groot als schoteltjes en de kin zakt op het bureau.
"Hoe oud bent ge dan?"
"29"
Stilte.
En daarna:
"Wauw, dan hebt ge echt goede genen. Daar gaat ge later nog veel profijt van krijgen!"
Alice in Wonderland
Ik voel me Alice in Wonderland. Ik woon in een stad. Voor het eerst in mijn leven. Ik hoor de tram voorbij rijden als ik in bed lig. Sirenes loeien de hele dag. In het portiek aan de overkant staan altijd een paar hangmannen. De belwinkel is altijd open. Achter scheefgezakte, rotte kozijnen, achter smerige, gerafelde glasgordijntjes, maar ook achter het strakke kunststoffen venster in een barokke omlijsting; overal wonen mensen.
Waar ik naar binnen kan kijken, zie ik ontelbare voorbeelden van creatief omgaan met ruimte. Het ene opbergrek boven het andere. Het ene bed boven het andere. Waslijnen buiten het raam. Maar ook op straat wordt efficient met ruimte omgegaan. Auto’s geparkeerd op de oppervlakte van een postzegel.
Tussen de woningen wemelt het van de soms prachtige, soms obscure zaakjes waarvan ik me voortdurend afvraag hoe ze kunnen bestaan. Neem nou de parapluwinkel een paar deuren verder. Of ‘RnB’, iets wat aan de schijnwerpers boven de deur te zien ooit een discotheek was, maar waar ik nog nooit licht heb zien branden.
Eten en drinken lijkt hier de hoofdzaak. Het vistapasstraatbarretje is altijd bemand. Met een muts op, een sjaal om en een plastic schort voor staat er de hele dag, ook bij -10, iemand in een grote ketel vissoep te roeren. Het is niet ongewoon dat er om 11 uur ’s ochtends iemand gefrituurde inktvisringen en een glas cava naar binnen slurpt. De handschoenen op het barretje. De handen om het plastic bakje geslagen. Wat ik een schitterend gezicht vind.
Ruwweg tussen 12 en 2 zitten alle eettentjes in de buurt (en dat zijn er heel veel) stampvol. Het lijkt of er niemand hoeft ‘over te blijven’ in troosteloze bedrijfskantine’s. Voor het middageten wordt tijd gemaakt, en de portemonnee getrokken. En er wordt niet zuinig met drank omgesprongen tijdens die lunch, zo halverwege de werkdag.
Voor mensen die al hun hele leven in een stad wonen, zijn dit waarschijnlijk overduidelijk de observaties van een wereldvreemd dorspmeisje (waarvan ik echt niet dacht dat ik dat was). Dat maakt me niet uit. Ik hoop hier nog lang verwonderd rond te blijven lopen.
Wat dan weer een beetje van de drie werkmannen in de woonkamer afhangt die momenteel groot materieel inzetten om ook de rest van het plafond naar beneden te halen…
Als het regent in de woonkamer
"Dat is wel heel gevaarlijk. Ge moet aan uw veiligheid denken. En ge moet echt die familiale verzekering afsluiten. Ik ga een offerte voor u opstellen. Ge moogt ook gerust weten, dien situatie is een reden om het volledig af te trappen met uwen huisbaas. Tenzij ge hier graag woont natuurlijk."
De man van de verzekering trekt een ernstig gezicht. Zijn ogen dwalen telkens van zijn papieren naar het verontrustende gat in het plafond. Zijn thee wordt koud. Hij zucht nog eens diep: "Ge moet echt aan uw veiligheid denken. De rest van het plafond komt subiet naar beneden als ze hierboven gaan dansen."
Hij komt sympahtiek op ons over, al kan dat ook een slimme verzekeringsmenerentruc zijn. We vragen hem om nog even te blijven om de loodgieter te woord te staan. Hij maakt ongetwijfeld meer indruk als hij in zijn degelijke verzekeringsmenerenfrans zijn verhaal doet, dan twee meisjes die vooral veelbetekenend naar het gat in het plafond en de waterschade op de grond kunnen wijzen.
De loodgieter mompelt in het Waals over de douche van de bovenburen, dat het komt omdat er geen tegels onder liggen of omdat ze geen douchegordijn gebruiken. Dat de twee meisjes sputteren dat het vooral lekt als de wasmachine draait en dat de douche helemaal niet op de door de man veronderstelde plek ligt omdat het dak daar schuin loopt, negeert hij gemakshalve. Gelukkig staat de verzekeringsmeneer ons bij. Ook de loodgieter trekt een ernstig gezicht en zegt dat er snel iets moet gebeuren. "Mais je ne decide pas".
Nee, de beslissing is aan de huisbaas. Hij wordt sinds een maand nauwkeurig, compleet met beeldmateriaal, op de hoogte gehouden van eerst een scheur, toen een gat en toen een plaatselijke regenbui. Tot nu toe voelt hij zich nog niet geroepen een kijkje te komen nemen.
De beslissing is aan de huisbaas. De beslissing voor de reparatie die inhoudt dat woonkamer en keuken in het gunstigste geval drie dagen onbruikbaar zijn omdat er over een lengte van 5 meter, precies tussen zitgedeelte en keuken in, een strook plafond uit moet (lees: door vocht aangevreten gipsplaten en alle gruis dat zich in de loop der jaren daarop verzameld heeft), een nieuw plafond erin, en dat moet dan ook nog geschilderd. Althans, dat is het oordeel van de loodgieter die denkt dat de douche het lek veroorzaakt…
Dacht ik eindelijk verlost te zijn van mijn logeerpartijtjes, kan ik weer op zoek naar tijdelijk onderdak. Al zal dat nog wel even duren…
Ontdekkingsreis in Brussel
Zoals ik in mijn eerste week in Utrecht door Lombok struinde, met grote ogen en wijd opengesperde neusvleugels, zo zwierf ik vanmorgen door Molenbeek (zonder kaart!). De aan het spit draaiende kippetjes, de grote hoeveelheden kleurrijk fruit, de geur van vers gebakken Turks brood; ik werd er weer blij van.
Toch voelde ik me (waarschijnlijk onterecht) niet helemaal op mijn gemak. In Lombok weten naast de inwoners van de wijk ook studenten en plat dialect pratende, geboren en getogen Utrechters de weg te vinden naar ‘Slagerij Rif’ of ‘Koning Kebab’, zodat je er eigenlijk nooit opvalt. In Molenbeek voelde ik me als een verdwaalde toerist. Iedereen leek er rond te lopen met een doel. Tamelijk gehaast, ondanks het verraderlijke laagje ijs op de stoepen. Dat rare meisje dat om de paar passen plotseling stilhield om met open mond naar de prachtige vergane glorie gevels van oude panden en de glas-in-lood ramen van grijs uitgeslagen kerken te staren, paste niet in dat straatbeeld.
Maar heb ik ooit ergens volledig tussen gepast? Ik houd nu al van Brussel.