Elke week een schoon huis. Djuuh.

Poetsen. Er zijn maar weinig dingen waar ik zo’n hekel aan heb. Geen enkele klus is zo ondankbaar. En zo saai. Zo hard als ik studieontwijkend gedrag vertoonde toen mijn scriptie af moest, zo hard vertoon ik poetsontwijkend gedrag sinds het diploma binnen is.

De leuke jongen uit de trein heeft me al best goed opgevoed. Zo droog ik iedere ochtend de badkuip, de tegels en de douche. Iets wat ik nóóóóit zou doen als ik mijn huis niet met hem zou delen. Komaan, het is een huurhuis, en zo veel vlekken zie je niet op die lelijke beigebruine tegeltjes. 

Onkruid uittrekken, afval naar de container brengen, de vaatwasser uitruimen… ja zelfs aan boodschappen doen en strijken, heb ik een minder grote hekel dan aan poetsen. Ons huis is nogal stoffig van aard en drie dagen later kan ik mijn naam alweer op de vensterbank schrijven. Eén keer koken en het fornuis ziet er alweer uit of er een ontploffing is geweest.

Toch betrapte ik mezelf laatst met een vuilniszak in de ene en een vaatdoek in de andere hand. Vrijwillig. En niet eens in mijn eigen huis. Bij een goede vriend ging ik de knuffelkatten voeren. Zijn woonkamerkeukencombinatie was zo smerig (“Die lucht!!!”, hoor ik Gerard Ekdom nu zeggen) dat mijn brein mijn lichaam blijkbaar automatisch inschakelde.

Maar hier zit ik weer. Te bloggen. Facebook te checken. De krant te lezen. Alles om nog geen stofdoek, bleekmiddel of afwasborstel ter hand te nemen. 

Maandag had ik tijd. En dinsdag. Maar morgen ook…

 

Het was ook donderdag…

… 14 februari, 5 jaar geleden. Ongeveer op dit moment (18.00 uur) stapte ik uit de trein die mij van Roermond naar Maastricht bracht. De leuke jongen uit de trein zat er niet in, die nam meestal een trein eerder. Ik had mijn gedachten tot ik in de trein stapte redelijk makkelijk bij het onderwerp ‘mannen’ vandaan kunnen houden; op het reclamebureau waar ik werkte was genoeg gekkigheid gaande.

Nu moest ik gaan nadenken. Wat zou ik doen als zou blijken dat ik met de leuke jongen uit de trein ook heel goed pilsjes zou kunnen drinken aan de bar van mijn stamkroeg? Wat zou ik de jongen met de roze muren vertellen als die weer aan de telefoon hing om iets af te spreken? Het was me wél al duidelijk dat áls het iets zou worden met de leuke jongen uit de trein, het dan niet zoiets vrijblijvends zou worden als met de jongen met roze muren. Of zijn voorgangers.

Dat is bewezen. Vijf jaar later. Ik heb de goede keus gemaakt. Dat realiseer ik me zelfs op de zeldzame momenten dat we schreeuwend tegenover elkaar staan. Ik had de afgelopen vijf jaar voor geen goud willen missen. Had de afgelopen vijf jaar zelfs voor geen baan willen missen (en oh wat wil ik sodeju eindelijk eens een werkplek waar ik kan blijven). Wat een hoogtepunten! En dat waren voor mij vaak ‘simpele’ dingen: samen op de bank met een boekje, samen uitslapen, samen op een terras de voorbijlopende mensen van commentaar voorzien.

9 juni 09 Barcelona

Vanavond heffen we het glas. Op de komende vijf jaar wat mij betreft. Jammer dat onze stamkroeg vandaag gesloten is en de barman van destijds, voor wie we nog een valentijnsgedichtje op een bierviltje schreven, er niet meer werkt.

Is dit nu later als ik groot ben?

Ik ben het evenwicht kwijt tussen een goede vriendin zijn van de leuke jongen uit de trein, een goede vriendin zijn van mijn vrienden, een goed familielid zijn van het gezin dat ik op mijn achttiende verliet, een goede werknemer/ondernemer zijn en lief zijn voor mezelf. Ik zie iedereen te weinig en heb te weinig tijd voor mezelf.

De laatste keer dat ik een echt goed gesprek had met mijn mama of mijn zusje -glaasje wijn erbij en alles op tafel gooien- kan ik me niet precies meer herinneren. De laatste keer dat ik alleen iets met mijn broertje gedaan heb? Volgens mij woonde ik toen nog in Tilburg. 10 jaar geleden misschien?

Spreek ik af met vriendin A in stad B, waar ook vriendin C en D wonen, voel ik me schuldig dat ik niet ook even bij C en D ben langs geweest. Prop ik alle vriendinnen in woonplaats B wel in hetzelfde weekend, voel ik me schuldig dat ik voor iedereen zo weinig tijd had.

Zijn de leuke jongen uit de trein en ik eindelijk eens een avond samen thuis, moet ik nog aan een opdracht werken, of hang ik uitgeteld op de bank.

Lukt het me om een weekend niets af te spreken, baal ik er na een halve dag al van dat de belangrijkste activiteiten in dat weekend ‘dus’ in de categorie ‘huishoudelijk geneuzel’ vallen.

Besteed ik tijd aan mezelf -met een goed boek onder mijn fleecedekentje op de bank, kaarsjes aan, pot thee binnen handbereik- dan betekent het dat ik de volgende dag toch echt mijn boekhouding moet doen, mijn computer moet opschonen, of die verzekeringskwestie moet regelen en kan ik het niet nalaten om te deken “had ik dat gister maar gedaan.”

Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet ongelukkig. Dat zou raar zijn met het liefste lief, de liefste vrienden, de fijnste familie en het leukste werk ter wereld. Maar iets makkelijker om alle ballen in de lucht te houden, zou het allemaal wel mogen zijn. Tips?

Moeders en jurkjes

Poging 386 om de spelfout uit mijn blogpost van 7 januari te halen, mislukte. Ook met ctrl F5. Stom systeem! Dan maar opnieuw te publiceren… Erg jammer dat ik dan ook de reacties kwijt ben 😦

Behalve hele lieve, heb ik vooral goudeerlijke vriendinnen, daar schreef ik al eerder over. Als we elkaars kleding beoordelen onder het genadeloze tl-licht van een pashokje worden er zware oordelen geveld: “Je lijkt net een postorderbruidje”, “Wat een oubollige tuttenjurk”, “In dat shirtje heb je enorme borsten”… Ook de leuke jongen uit de trein steekt zijn mening niet onder stoelen of banken: “Als je dat aantrekt, loop ik niet naast je” of “Dat heb je toch zeker voor  carnaval gekocht?”

Ik houd van die eerlijkheid. Als ik om me heen kijk in de stad, kan ik niet anders dan concluderen dat meer mensen wel wat eerlijke vrienden kunnen gebruiken. Indien zowel mijn kritische vriendinnen als mijn lief lovend zijn over de nieuwste aanwinst van mijn kledingkast, weet ik zeker dat het desbetreffende kledingstuk me goed staat. Dan stap ik zelfverzekerd de grote boze buitenwereld in. Kin omhoog, haren wapperend in de wind, glimlach om de lippen. Bij wijze van. Het jurkje dat ik tijdens ons feest droeg oogstte tientallen complimenten, ook van de meest kritische aanwezigen. Maar niet van mijn mama. Zij plakt standaard het etiket ‘te kort’ en/of ‘te strak’ op elk jurkje of rokje dat ik draag, dus ook op mijn feestkleedje.

Blijkbaar kan ik heel goed tegen kritiek en commentaar, behalve als het van mijn mama komt. Ik heb een fantastische mama: lief, zorgzaam, hip en avontuurlijk. Ik weet dat ze van me houdt (dat is wederzijds) en dat ze zich zorgen maakt over mijn overgewicht. Ik weet heel goed dat het op de lange termijn niet slim is voor mijn gezondheid om die overtollige kilo’s mee te slepen. Maar ik zit ondertussen prima in mijn vel en schaam me niet voor mijn lijf (waarmee ik 10 (!) kilometer kan rennen zonder dood neer te vallen). Of toch? Want als ik echt blij was met mezelf, dan zouden mijn mama’s etiketten me na al die jaren niets meer moeten doen. Ze doen me wel iets.

Opnieuw werd ik boos toen ik gister mijn überhippe groen-met-witte-stippen, superleuke, nieuwe jurkje liet zien dat ik korter had laten maken door mijn schoonmama. “Je hebt het toch niet té kort laten maken?”

Mens, erger je niet!

Omdat ik al sinds mijn eerste relatie (die van dat huwelijksaanzoek) weet dat je je lief niet kunt veranderen en dat ook niet moet willen, wil ik van een bepaalde ergernis af. Als iemand me kan helpen, graag!

Ik ben niet gehecht aan spullen en goed in weggooien. Kledingstukken die niet meer passen of die ik een jaar niet meer gedragen heb, gaan naar vriendinnen of de kledingcontainer. Spullen die ik dubbel heb gekregen of die ik toch niet ga gebruiken, worden omgeruild of weggegeven. Ik geef mensen graag cadeautjes. Eén keer per jaar loop ik mijn volledig administratie door; garantiebewijzen die niet meer geldig zijn of bankafschriften en jaaropgaven die de wettelijke bewaartermijn voorbij zijn, gaan vervolgens door de versnipperaar.

Toen ik Brussel verliet, gingen pannen, bestek en servies naar een collega en de helft van mijn meubels liet ik in mijn appartement staan voor het meisje dat er na mij kwam wonen. Er zaten best mooie spullen tussen, maar omdat ik ging samenwonen met de leuke jongen uit de trein en het nut van alles in tweevoud hebben niet zag, deed ik er afstand van. Zo was het ook logisch dat ik de cd’s weggaf die we dubbel bleken te hebben toen onze muziekcollecties met elkaar werden verenigd. Dat deed overigens wel een beetje pijn, aan mijn cd’s bleek ik toch meer gehecht dan ik dacht.

De leuke jongen uit de trein bewaart ALLES en dat is zijn goed recht. Gek word ik ervan. En daar wil ik vanaf. Het slaat namelijk nergens op, dat ik me zo aan zijn verzamelwoede erger. Het is niet handig dat zijn spullen zo veel ruimte in beslag nemen, maar eigenlijk heb ik geen last van zijn bewaarfetisj, zo lang we niet gaan verhuizen.

Wat maakt het mij nou uit dat er in zijn oude tas onleesbare bonnetjes, lege boterhamzakjes, snoeppapiertjes en pakjes zakdoekjes aan zijn agenda van 2011 vastplakken? Dat zijn ‘muziekspullen’ (verkreukelde setlists) in een rugzak zitten waar alle hengsels vanaf zijn gescheurd, zou me evenmin iets uit moeten maken, want heel veel plaats neemt het halfvergane ding niet in. Ik heb er geen last van dat hij al zijn basketbaltenues van de jaargangen 1992 – 2002, compleet met sportsokken, heeft bewaard. Ze zijn door mij netjes opgevouwen in een doos gestopt. Ik heb er ook geen last meer van dat er een stapel van 15 korte broeken in zijn kledingkast ligt, waarvan meer van de helft hem al te klein is zo lang ik hem ken. Ik heb sinds kort mijn eigen kledingkast, dus ‘who cares’? Nou… ik dus.

De enige reden dat ik me zo erger, is -denk ik- dat ik het niet snap. Ik kan zijn bijna autistische drang om ieder weekend ons huis van onder tot boven te poetsen, totaal niet rijmen met zijn gewoonte om de pasta die zijn ouders ooit meebrachten uit Italië, of de chocolaatjes die hij zelf ooit uit Canada meebracht, tot ver voorbij de houdbaarheidsdatum in de kast te laten staan. Ik kan zijn gulheid (hij trakteert mij regelmatig op van alles en nog wat en tijdens het stappen is hij de koning van de rondjes) niet rijmen met het bewaren van dubbele boeken (twee identieke exemplaren staan naast elkaar in onze boekenkast) en van cd’s die zelfs nog in het plastic zitten en die hij nooit gaat luisteren. Daar kan hij toch iemand anders blij mee maken? Maar hij zal er ongetwijfeld een goede reden voor hebben. Die ik dus niet begrijp.

Van mijn papa en mama heb ik geleerd om mensen te accepteren zoals ze zijn. Om van verschillen te leren. Om niet te veroordelen wat ik niet begrijp. In dit specifieke geval houd ik toevallig ook nog eens hartstikke veel van de persoon die zo van mij verschilt. Ik ben van plan (als hij dat goed vindt) nog héél lang met hem onder hetzelfde dak te wonen, misschien wel voor altijd. Dus ik wil van dat totaal nutteloze gevoel van ergernis af. Ik zeur veel te veel aan zijn kop en dat verdient hij niet. Hij begrijpt niet waarom ik me erger en ik begrijp het zelf ook niet. Dus daar schieten we allebei niets mee op.

Overigens vond ik mijn verbazing wél terecht toen de leuke jongen uit de trein vroeg of hij alle vier de lades in alle twee de nachtkastjes mocht hebben… Mijn droomhuis van twee blogs geleden, heeft een enorme zolder 😉

Nooit keuzevakantie

Vakantie is voor mij niet hoeven kiezen. Tegelijkertijd is het idee van de leuke jongen uit de trein, dat ik vakantie heb als hij me laat beslissen wat we gaan doen. Winkelen of naar het museum? Belgische kost of wereldgerechten? Ingewikkeld!

We hadden desondanks een heerlijke vakantie in Antwerpen. Ik zou de dag altijd wel willen beginnen met een uitgebreid ontbijtbuffet en een uurtje zwemmen in een privébad 🙂

We hebben genoten van gezellig terrasjes en bruine kroegen. Van museumstukken en nieuwe kledingstukken. Van prachtige gebouwen en afzichtelijke panden. Van mooie mensen en plaatselijke mafketels. Deze manier van vakantie vieren is helemaal goed en voor herhaling vatbaar.

Als ik maar niet hoef te kiezen waar de reis dan naartoe gaat.

Rampzalige allemansvriend

Hij heeft gelijk, de leuke jongen uit de trein, zo ongeveer elke keer als hij vraagt “Waarom vraag je het mij dan?!” In dit geval riep hij dat naar aanleiding van mijn vernieuwde lijst met wie ik allemaal voor ons feest heb uitgenodigd dat op 11 augustus gaat plaatsvinden. Een feest ter gelegenheid van (onder andere) mijn afstuderen, ons samenwonen, mijn verjaardag. Een feest als bedankje aan iedereen die ons ooit hielp met klussen of verhuizen en een feest omdat we toch nooit gaat trouwen. Een feest dat we, als het aan de leuke jongen uit de trein ligt, helemaal niet hoeven te geven. Maar ik kan een enorme zeur zijn…

Mijn grote mond wint het te vaak van mijn verstand. En ik houd me altijd aan mijn woord, behalve tegen de leuke jongen uit de trein blijkbaar. Of het nu gaat om “Volgend jaar ren ik de 10 kilometer” of om “Als je meewerkt aan mijn afstudeeronderzoek, mag je op mijn feestje komen.” Waarom heb ik niet gewoon en boekenbon verloot onder de deelnemers aan mijn scriptiegeneuzel? Bovendien, de meeste mensen kunnen zich mijn afstudeeronderzoek niet eens meer herinneren, zo lang is het geleden. Dus als ik mijn woord gebroken zou hebben, zou het lang niet iedereen zijn opgevallen.

Maar dus. Ik netjes overleggen met de leuke jongen uit de trein over het aantal gasten (feestruimte en feestbudget zijn ten slotte beperkt) en dan vervolgens toch veel meer mensen uitnodigen. Allemaal aardige mensen natuurlijk, maar de leuke jongen uit de trein kent ze niet eens. En het is ook ZIJN feest. Ik ben onverbeterlijk.

Blinde kip

Ik was eigenlijk alweer vergeten dat ik zo nachtblind ben als een kip, toen ik afgelopen weekend, midden in de nacht, in een heftige onweersbui, knallende regen en striemende wind in de auto stapte om mezelf en mijn lief veilig thuis te brengen vanaf Dusseldorf. Dat ik sowieso al geen held ben in de auto, en in het afgelopen jaar nooit verder ben gereden dan naar mijn mama of de Gamma hielp ook al niet.

Klamme handjes, verhoogde hartslag, lichte paniek. Mijn verstand weet dat ik het bord met ‘Ausfahrt’ links voorbij ga rijden, immers ik rijd vlakbij de nauwelijks zichtbare middenstreep. Mijn ogen zeggen tot vlak voor het bord, dat ik er recht doorheen ga rijden. Lichtweerkaatsing van een lantaarnpaal op de weg, wordt door mijn ogen geregistreerd als een obstakel waarvoor ik de neiging heb om te remmen. Van een onderbroken streep zie ik hooguit twee ‘witjes’, dus dat ik ruim van te voren zie dat er een bocht aankomt, nee…

De leuke jongen uit de trein en ik zijn min of meer veilig thuis gekomen. Misschien moet ik eens langs een opticien. En kippen gaan niet voor niets op stok zodra het donker wordt.