Als de kat van huis is…

Mijn tas ergens neergooien, de muziek hard aanzetten, mijn sleutels laten slingeren, de ene pot thee na de andere zetten en twee koekjes tegelijk in mijn mond stoppen terwijl ik in mijn papieren rommel die ik over de hele tafel heb uitgespreid. Gerechten in elkaar steken waar de leuke jongen uit de trein niet van houdt, een puinhoop van de keuken maken en alles gewoon laten staan. Een hele avond geen televisie aan, maar opgekruld onder een fleecedekentje met een boek op de bank. Als mijn ogen dichtvallen naar bed strompelen, daar uit mijn kloffie stappen, alles op de grond laten vallen en vervolgens diagonaal, overdwars en in alle richtingen gestrekt het bed in. En de volgende ochtend niemand die me voor gek verklaart als ik de wekker zet om te gaan sporten.

Ik houd er zo veel van om een paar dagen het rijk voor me alleen te hebben, dat ik me soms -heel eventjes- afvraag of ik wel genoeg van de leuke jongen uit de trein houd.

Van de andere kant, als hij morgenavond tegen me aan ligt op de bank en we luidkeels het één of andere televisieprogramma van commentaar voorzien, dan voel ik me pas echt thuis.

Niets doen

Ik hoef geen twee keer dezelfde fout te maken, want ik heb keus genoeg.

en

Een dag niet naar buiten is een dag niet geleefd.

Je zou het mijn twee lijfspreuken kunnen noemen. Daar zit ik dan. Op de bank. Binnen. De fout om na een operatie te snel weer aan de slag te gaan, heb ik nog niet eerder gemaakt. Ik krijg er de kans niet voor, want met liefdevolle haviksogen ziet de leuke jongen uit de trein erop toe dat ik blijf zitten waar ik zit. Naar buiten gaan, zit er dus voorlopig ook niet in. Opstaan uit de bank doet pijn. Een bh dragen trouwens ook en zonder dit kledingstuk durf ik de deur niet eens uit.

De lieve berichtjes op mijn telefoon en de leuke handgeschreven kaartjes (een van de kleine dingen die mijn hart doen zingen) maken veel goed. De leuke jongen uit de trein is de beste verpleger die ik me kan wensen. Geen moeite is hem te veel. Dus trekt hij ’s morgens mijn sokken aan en stopt hij me ’s avonds in bed. Tussendoor organiseert hij het volledige huishouden en voert hij me elke zes uur een nieuwe portie paracetamol. Ik prijs me gelukkig.

Ik lees, schrijf, rust uit en kijk verlangend naar buiten.

Groot respect voor mensen die chronisch pijn hebben en/of minder mobiel zijn.

Keuzes, keuzes en de weg omhoog

Mijn problemen met beslissingen nemen en knopen doorhakken, ik schreef er al minstens 100 keer eerder over, zo voelt het in elk geval. Na lang wikken en wegen, praten en huilen, weet ik vaak nog niet wat ik moet doen. Zodat ik dingen soms in een opwelling doe. Zoals stoppen met Facebook (ik houd het nog steeds vol, maar man oh man wat kost het veel moeite). Dus heb ik net spontaan op ‘verzenden’ geduwd, waardoor ik nu bijna lid ben van de ZZP Fabriek in Maastricht. Een coöperatie met werkplekken voor zelfstandigen. Mijn loondienstbaan, waar ik in oktober vol goede moed aan begon, blijkt niet zo rooskleurig als gedacht. Er wordt paniekvoetbal gespeeld door de leidinggevenden en ik verwacht na mijn inwerkperiode van drie maanden geen jaarcontract. Solliciteren blijkt al jaren een frustrerende en pijnlijke zaak, dus MOET mijn eigen schrijfbedrijf/ikzelf weer een schop onder zijn/haar kont. Mijn eigen keukentafel verruilen voor een heus bureau en een koffieautomaat is daarbij een stap in de goede richting. Toch?

Een eerdere blog over keuzes. Ik was deze kwijt, maar de leuke jongen uit de trein had er ooit een foto van gemaakt :-)

Een eerdere blog over keuzes. Ik was deze kwijt, maar de leuke jongen uit de trein had er ooit een foto van gemaakt 🙂

Rennen. Ik weet nog steeds niet of ik dat nou leuk vind.

Zondag is het weer zo ver. 10 kilometer rennen onder de noemer Maastrichts Mooiste. Voor de derde keer en slechter voorbereid dan ooit. Zo rende ik afgelopen jaren minimaal 2 x 10 km in de weken voorafgaand aan de ‘wedstrijd’ en waren mijn andere trainingsrondjes gemiddeld tussen de 7 en 8 km. Dit jaar rende ik 1 x 9 km en trok ik meestal na 5 km de stekker er al uit. Dat komt vooral omdat mijn renmaatjes me dit jaar één voor één in de steek lieten wegens zwanger, relatiecrisis, of andere hobby’s (maar ik ben ze heel dankbaar en heb veel aan ze gehad). In mijn eentje doe ik minder mijn best en kom ik minder snel vooruit.

Want iedere eerste kilometer is stom. Iedere eerste kilometer denk ik “Zie je wel, ik kan het niet meer, het lukt niet, mijn kuiten zijn stijf, is het nog ver? Ja het is nog ver.” Soms zijn mijn klaaggedachten na 1 kilometer voorbij en leg ik de rest van de afstand redelijk soepeltjes af, soms is het na een paar kilometer nog steeds afzien. Dan is de enige reden dat ik blijf rennen, dat ik niet af wil gaan tegenover mezelf. Of dat ik simpelweg geen tijd heb om te gaan lopen.

De ‘renwereld’ is een verdomd oneerlijke wereld. Soms ren ik me het licht uit mijn ogen en loop ik trots op mezelf te zijn. Op dat moment rent er altijd een atletisch figuur voorbij dat stappen neemt van drie meter en nog adem overhoudt om mee te zingen met wat er in zijn oren klinkt. Waardoor ik eruit ziet als een betonnen tuinkabouter.

Van tegenwind word je veel moeër (moeier? moeder?) dan dat je winst hebt van wind mee. Hetzelfde geldt voor heuvel op en heuvel af. Hoe oneerlijk is dat?

Ook oneerlijk is dat als ik een tijdje niet ren -omdat ik net heb meegedaan aan Maastrichts Mooiste en daarna de zomer begint en de terrasjes lonken- ik daarna weer bijna opnieuw moet beginnen. Mijn hele lichaam lijkt vergeten dat het ooit gedragen werd door hardloopschoenen. Toch begin ik elk jaar weer opnieuw. Ik moet wel, want voordat ik het weet, heb ik me alweer ingeschreven voor Maastrichts Mooiste.  Waar ik de afgelopen twee edities bij de laatste 10 eindigde. Ook zondag zal de bezemwagen in mijn nek hijgen.

Toch kan ik het iedereen aanraden, dat hardlopen. Ik waardeer het ‘spelletje’ om

  • de mooie plekken waar ik anders niet zou komen,
  • om de wind in mijn haar,
  • om het leegmaken van mijn hoofd,
  • om de soms briljante gedachten die bij me opkomen,
  • om de weegschaal die de volgende ochtend lief naar me lacht,
  • omdat het na een tijdje braaf volhouden telkens een beetje makkelijker gaat,
  • en om het heerlijk voldane gevoel dat ik heb als ik na het rennen en douchen naast de leuke jongen uit de trein op de bank plof. Hij zegt dan altijd dat hij trots op me is 🙂

Update 17 juni 2014.
De uitslagen staan online en ik blijk 1.7.22 te hebben gelopen. Maar liefst 5 minuten sneller dan vorig jaar. Hiephoi! 

 

Brief aan mijn nichtje #8

Lief nichtje,

Ik mag je troosten als je pijn hebt en je naar bed brengen als je moe bent. Ik krijg een kusje en een knuffel als ik erom vraag en soms ook als ik er niet om vraag. Je durft met me van de hoogste en steilste glijbanen en je bent onvermoeibaar als we samen een stukje gaan wandelen. Wij houden van elkaar, jij en ik. Jammer dat je je dat later niet meer kunt herinneren.

Je was er al weken over bezig, dat we samen moesten gaan zwemmen. Dat deden we afgelopen vrijdag. Je mama en de leuke jongen uit de trein gingen ook mee. Onverschrokken en enthousiast liep je van het ene bad in het andere. Als we even niet goed opletten, was je alweer uit het zicht verdwenen. Chloorwater vind je een lekkernij. De grote zwemband, daar wilde je uit, want met alleen vleugeltjes had je veel meer bewegingsvrijheid. We gingen van de waterglijbaan waarbij een groot bord met 6+ aangaf dat je er nog veel te klein voor was. We waren nog maar nauwelijks boven water en je riep al “Nog een keer!”. Tegen die tijd werden je lippen langzaam blauw en liep je te rillen en te bibberen. Maar natuurlijk wilde je niet naar huis.

De volgende dag kwam je bij ons logeren. Je voelt je helemaal thuis bij ons en hebt er vaste ritueeltjes. Als eerste loop je naar ‘konijn’ die je van de bank pakt om mee te knuffelen. Daarna zijn de gitaren en de piano aan de beurt. Je weet dat ik altijd met je naar buiten ga. Je weet ook dat er altijd lekkere koekjes in de koektrommel zitten.

Je ontwikkelt je zo ontzettend snel, dat ik soms met open mond naar je kijk en met flapperende oren naar je luister. We liepen van de ene speeltuin naar de andere. Plotseling bleef je staan. “Die heeft mama ook thuis, blauw”, zei je en je wees naar een bos stoffen bloemen bij mensen op de vensterbank. Mama heeft dezelfde bloemen inderdaad in de keuken. Ze zijn niet allemaal blauw, maar een kleinigheidje heb je al gauw.

’s Avonds kroop je zelf in je ‘tentbed’ na een kop warme melk, een koekje en een verhaaltje en ik denk dat je binnen een paar seconden was vertrokken. Middenin de nacht werd ik wakker, omdat je lag te kletsen. “Bij Lieke slapen”, was één van de dingen die je zei. Ik smolt. De volgende ochtend deed je de roekende duiven na die voor het huis zaten. “Oe, ooooeee, oe”, klonk het vanuit je tentje. Zoooooo schattig.

Maar het was niet alleen lief en leuk dit weekend. Je bent een behoorlijk lastige eter geworden. Minuten lang kauwen, maar niet doorslikken, dat is een beetje je handelsmerk geworden. Nadat je al een half uur over een halve boterham deed, verloren de leuke jongen uit de trein en ik ons geduld. Heel vertederend vraag je dan “Boos?” Het is dan moeilijk om boos te blijven, maar we hielden vol. Op luide toon verkondigden we dat je je mond leeg moest eten, dat je geen tweede boterham met chocopasta meer kreeg en dat ook het stukje worst (je bent een echte carnivoor) dat we voor je hadden bewaard aan je neus voorbij ging. Je was zwaar onder de indruk van onze stemverheffing en keek ons met grote schrikogen aan. Ondertussen bleef je op het laatste stukje boterham kauwen zonder het door te slikken. Ik bracht je naar bed zonder verhaaltje en met de laatste kruimels nog in je mond. Je protesteerde niet.

Na je middagslaapje leek je ons vergeven te hebben. De leuke jongen uit de trein haalde je uit bed en je kroop tegen hem aan op de bank. Even lekker wakker worden. Verliefd keek ik naar jullie. Ineens leek je te schrikken en barstte je uit in een ongecontroleerde huilbui waarvan je hele lijfje schokte. Terwijl je nog volop snikte, zei je “mond leeg eten” en er brak een stukje van mijn hart. Waren we te streng geweest?

Even later speelden we alweer buiten. Ik noemde je klein aapje, terwijl ik je omhoog liet klimmen op de stellage rond de kastanjeboom op het plein. Jij vond dat een mooie naam.

Over namen gesproken. Je noemt jezelf geen Pauw meer, maar antwoordt luid en duidelijk met je echte naam als daarnaar gevraagd wordt.

Het was fijn dat je er was. Kom je snel weer logeren?

Liefs,
Tante Lieke

 

 

2013, wat een jaar

Rijkelijk laat, maar ik had in Berlijn hele andere dingen aan mijn hoofd, zoals het vinden van de smakelijkste currywurst, de geschiedenis van de ooit gespleten Duitse hoofdstad op me in laten werken, en het nieuwe jaar verwelkomen met zo’n 700.000 feestgangers aan de voet van de Brandenburger Tor.

Mijn overzicht van 2013:

Volkomen zen

We waren er allebei nog nooit zo aan toe als het afgelopen voorjaar: vakantie. Wegens chronisch te laat met boeken, kwamen we in Torremolinos terecht in plaats van in Málaga. Per toeval aan de goede kant, zo ver mogelijk bij café Brabant en Frietje van Pietje vandaan. We deden niet veel. Ik las, ik zwom, ik keek naar de zee. De leuke jongen uit de trein kwam niet eens aan lezen toe. Hij bekeek de andere hotelgasten vanaf zijn ligstoel. We lieten ons elke avond betoveren door de weerkaatsing van het maanlicht op het water.

DSCN1510

Volkomen klote

Maar we zouden eigenlijk naar New York en Washington gaan. Dat kon, nu ik was aangenomen bij dat leuke reclamebureau in Roermond, waar het welkom warm was, met lieve briefjes en een bos bloemen. Ik mocht er helaas maar een paar maanden interviewen en verhalen schrijven. Toen vloog ik er als eerste uit. Daarna iedereen met een tijdelijk contract. Crisis? Het betekende in elk geval dat ik niet genoeg kon sparen en de reis niet doorging.

Het meest bijzonder

Op vakantie met mijn zusje en mijn nichtje. Ik was nog nooit met mijn zusje op vakantie gegaan, terwijl de vakanties met onze ouders, maar in ons eigen tentje of op een eigen hotelkamer, altijd een groot succes waren. Het ritme van de vakantie, op tijd opstaan en op tijd naar bed, zorgde ervoor dat het goed uitrusten was. Samen koken, samen winkelen, samen op de bank met een boek. Het was goed. Jammer van het tuinhekje dat ik raakte met de auto, waardoor deze vakantie veel duurder werd dan gepland.

DSCN1722

Het meest trots op

Ondanks dat we elkaar vaak niet begrijpen en ik sommige dingen heel anders zou doen, was ik in 2013 het meest trots op mijn zusje. Ze was het grootste deel van het jaar een alleenstaande mama en ze vulde die rol goed in. Mijn nichtje kwam niets tekort en is bovendien het liefste nichtje van de hele wereld.
Ik was ook trots op de leuke jongen uit de trein en op mezelf, omdat we aan het eind van 2013 een paar kilo minder inhoud hadden, dan aan het begin. De kerstdiners en de alcoholische versnaperingen in Berlijn maakten even een eind aan de dalende lijn, maar maandag begint het normale leven weer net als het beleid van ‘een beetje minder eten en een beetje meer bewegen’.

Het meest blij met

Mijn nichtje. Omdat ze ons Sassa en Tiete noemt. Omdat ze liever door de kamer danst dan cadeautjes uitpakt. Omdat zij en Sassa zo dol zijn op elkaar en ik smelt als ik zie hoe hij haar knuffelt.

Het meest dankbaar voor

Dat niemand in mijn directe omgeving ernstig ziek werd of dood ging. Dat is wel eens anders geweest.

Het is een bijzonder jaar geweest, 2013, waarin ik me vaak gezegend gevoeld heb, maar waarin ik mijn dankbaarheid veel te weinig heb uitgesproken. Nu het nieuwe jaar begonnen is, heb ik besloten op optimisme in te zetten. December is normaal gesproken mijn maand niet, maar afgelopen december was geweldig. En januari is alvast goed begonnen in Berlijn met een kus van de leuke jongen uit de trein. In 2014 ga ik eindelijk die baan vinden, of in elk geval genoeg opdrachten om met een gerust hart te kunnen stoppen met het opnemen van de telefoon. In 2014 wil ik een zo lief mogelijk lief zijn voor de leuke jongen uit de trein, een goede dochter en zus voor mijn familie, een goede vriendin voor mijn vrienden. In 2014 ga ik minder dromen en meer doen. 

Voor mezelf en voor jullie hoop ik op een jaar zonder zorgen. Dat wie je graag ziet, gezond blijft. Dat de lente uitbundig en de zomer lang en zwoel wordt. Dat de herfst knus wordt en de winter lang op zich laat wachten. Dat er rust heerst in je hoofd en liefde in je hart. Of klink ik nu te zweverig? Hoe dan ook: dat 2014 een mooi jaar mag worden waarin veel gelachen wordt.

Dertigersdilemma: krijg ik spijt als ik nooit moeder word?

Ik ben een ramp als het om keuzes maken gaat en kan twijfelen over de stomste dingen, terwijl de meeste keuzes die ik maak nauwelijks impact hebben op mezelf, laat staan op het leven van iemand anders. Welk paar schoenen trek ik aan? Wat eten we vanavond? Breng ik mijn haar in model, of steek ik het snel in een staart?

Ooit moet ik een veel belangrijkere keus maken: wil ik wel of geen kind op deze wereld zetten? En op dat ‘ooit’ zit een houdbaarheidsdatum. Nog steeds zijn baby’s niet mijn favoriete wezens, maar zo erg als in 2009 is het al lang niet meer. De zekerheid dat ik absoluut geen kinderen wil, is verdwenen. Ik vermoed dat mijn nichtje daar een belangrijke rol in heeft gespeeld. Het is nooit mijn grote droom geweest om moeder te worden, maar ik begin me de laatste tijd wel af te vragen of ik er spijt van ga krijgen als ik nooit moeder word. In de afgelopen weken hebben drie verschillende mensen me gevraagd of en wanneer ik kinderen wil. Telkens mensen die mij en de leuke jongen uit de trein met mijn nichtje gezien hadden en ons zo geweldig vonden samen.

Maar het liefste nichtje van de wereld blijft maximaal twee dagen. Een eigen kind breng je maximaal twee dagen weg. Ik ben een spontaan mens dat van ongeplande acties aan elkaar hangt en waar andere mensen op elk moment van de dag binnen kunnen vallen. Om mij heen zie ik moeders die nooit meer iets spontaans doen; afspreken moet weken van te voren, en als ze langskomen, vindt een complete volksverhuizing plaats met luiertassen, logeerbedden en knuffelbeesten. Gelukkig heb ik veel vriendinnen die toch nog regelmatig leuke dingen doen en hun kind gewoon meenemen.

Een kind vraagt om structuur, regelmaat, duidelijke regels. Ik ben een chaoot die weliswaar altijd haar deadlines haalt, maar in haar privéleven niet eens een vaste plek heeft voor haar sleutels, constant haar telefoonoplader kwijt is, voortdurend te krappe schema’s opstelt, vergeet hoe laat de treinen rijden, en dubbele afspraken maakt. Bovendien kan ik ter afwisseling van mijn drukke sociale leven ontzettend genieten van alleen zijn. Ik vind het heerlijk om thuis te komen in een leeg huis, tegen niemand te moeten praten, en nog even af te schakelen met muziek of een boek. Tegen de tijd dat ik ben afgeschakeld, is de crèche gesloten. Heb ik binnen de kortste keren Jeugdzorg op mijn dak.

Misschien ben ik gewoon bang. Bang voor wat een kind betekent voor mijn werk, voor mijn relatie met de leuke jongen uit de trein, voor mijn onafhankelijkheid en mijn humeur. Soms heb ik nachtmerries waarin ik van een sportieve, hardwerkende vrouw met een bloeiend uitgaansleven ben veranderd in een verslonsd ‘moeke’ dat in een huispak op de bank zit, het huilende kind op schoot, en wallen tot op mijn kin.

Honderden keren heb ik als antwoord op de grotere vragen geroepen ‘Later als ik groot ben’, maar later is nu… Of toch in elk geval binnen nu en 5 jaar.

Lomp

Soms heb ik een hartgrondige hekel aan mezelf. Meestal hebben die hekel-aan-mezelf-momenten te maken met pure lompigheid.

Die keer dat ik het porseleinen kikkertje, dat heelhuids uit de auto kwam waarmee mijn opa verongelukte, uit mijn handen liet vallen bij het stoffen bijvoorbeeld.

Of die keer dat ik met de auto het tuinhekje van ons vakantiehuisje raakte.

En al die keren dat ik ergens verdwaalde en vervolgens te laat kwam, omdat ik geografisch gehandicapt ben.

Vandaag is het weer zo ver. Ik zit middenin een dubbeldik hekel-aan-mezelf-moment. Bij het structureren van de mappen op mijn laptop, vond ik al mijn oude blogs terug. Dat was in elk geval de bedoeling. Maar in het document waarin ik honderden blogs handmatig moest plakken toen mijn vorige blogpagina offline ging, vergat ik blijkbaar de belangrijkste verhalen op te slaan. Alle onzinblogs die ik nooit meer terug had hoeven lezen, staan keurig gerangschikt onder elkaar, in chronologische volgorde, soms zelfs met het exacte tijdstip erbij. Maar de blog waarin ik voor de eerste keer melding maak van de leuke jongen uit de trein en me afvraag of ik voor hem ‘de jongen met de roze muren’ moet laten vallen, is verdwenen. Alle blogs over de jongen met de roze muren trouwens ook. Net als mijn overpeinzingen tijdens het prille begin van mijn relatie met zijn opvolger (die véél meer werd dan slechts een opvolger).

Teksten die ik lachend gelezen zou hebben, maar niet opnieuw kan schrijven.

Lomp, lomper, lompst.

Maar wat een geluk dat ik met mijn lompigheid altijd vooral mezelf raak. Teksten voor opdrachtgevers raak ik *klop, klop, klop* nooit kwijt en ik heb ook nog nooit iets stuk gemaakt wat voor een ander een grote emotionele waarde had. (Toch? Leuke jongen uit de trein? Of was je heel erg gehecht aan de glazen die bij je cocktailshaker hoorden?).

Brief aan mijn nichtje #6

Lieve A,

Het logeerpartijtje zit er weer op en we zijn moe maar voldaan, de leuke jongen uit de trein en ik. Om tien over zes vanmorgen vond jij het welletjes en begon je te vertellen. Jij bent vrolijk en vol energie zodra je je ogen open doet. Je lijkt wat dat betreft helemaal niet op mij. Dansen, springen, tekenen en kusjes geven aan alle knuffelbeesten. Je kunt jezelf uren vermaken. De televisie aanzetten zodat je even rustig blijft zitten, werkt bij jou niet. Je keurt de televisie geen blik waardig. Wat heel goed is natuurlijk.

Toch ben je niet meer zo gemakkelijk in de omgang als een paar maanden geleden. Het woord ‘nee’ maakt geen indruk meer. Pas als we je vastpakken en onze stem verheffen, besef je dat het menens is. De eerste boterham leverde strijd op vanmorgen. Ik werd boos. Jij huilde tot drie keer toe dikke krokodillentranen. We wonnen allebei een beetje. Ik kreeg het voor elkaar dat je een gezonde bruine boterham met fricandeau at, terwijl je bedelde om zoetigheid. Maar de korstjes liet je liggen. Al was ik op mijn kop gaan staan, het zou niet geholpen hebben. Je zou er wel om hebben kunnen lachen.

Ondertussen verbeter je nog steeds je verleidingstechnieken. Je lacht en zwaait naar iedereen. Maakt soms zelfs een praatje. ‘Fiets’ en ‘woef’ zijn je favoriete gespreksonderwerpen die je toelicht in verder nog onverstaanbare zinnen. Vrouwen tussen de 25 en de 35 die de leuke jongen uit de trein met je zien lopen, krijgen meteen rammelende eierstokken en dreigen spontaan verliefd te worden. Jongere meiden roepen vooral ‘oooooh’ en ‘aaaaaah’ als ze je zien.

Je begrijpt ontzettend veel voor een ukkie van anderhalf. Jij zei ‘poept’. Ik zei ‘schone luier’. En voor ik het wist, had je al een luier uit de tas gepakt. Als ik ‘naar buiten’ zeg, loop jij al naar de kapstok voor je jas. We moeten gaan uitkijken wat we tegen elkaar zeggen, want er ontgaat je niets.

Na je middagdutje kroop je bij de leuke jongen uit de trein op schoot. Hij mocht je een hele tijd knuffelen. Ik smolt.

Kom je snel weer logeren?

Liefs,
L

Vannacht op de huisartsenpost…

Een van mijn slechtste eigenschappen is dat ik te veel klaag. Vaak over dingen die helemaal niet zo dramatisch zijn of over dingen waar ik toch niets aan kan veranderen, zoals het ongelofelijk slechte weer deze zomer of de lange rij aan de kassa van de supermarkt. Bovendien ben ik een echte jankert; voel ik me gekwetst of onbegrepen, dan rolt er al snel een traantje. Dat vind ik ook geen al te beste eigenschap, ik vind mezelf op dat moment meestal een aansteller.

Heel anders is het bij fysieke pijn, daar klaag ik zelden over en erom huilen gebeurt al helemaal niet. Toen ik op de boerderij waar ik altijd speelde mijn onderbeen openhaalde aan een roestige spijker, klom ik rustig uit het hooi en ging binnen aan het jongetje des huizes om een pleister vragen. Een docent op de basisschool viel bijna flauw toen hij het gat in mijn been zag dat ik opliep toen ik in plaats van over een muurtje te springen er tegenaan sprong. Ik bleef volkomen kalm en zei ‘doe er maar wat jodium op, dan kan ik verder spelen’.

Die tolerantie ten opzichte van pijn heb ik weten te behouden tot vandaag.
De ontsteking achter mijn oor die om de zoveel tijd terugkomt.
De blaren op mijn voeten na het rennen.
De eeuwige botsing tussen mijn bovenbenen en hoekjes van tafels.
Ik haal er mijn schouders over op.
Het zij zo.

Maar vannacht, op de huisartsenpost in het ziekenhuis, had ik gewild dat ik had kunnen vloeken, tieren, klagen en huilen. Ik kon het niet. Ik kon alleen maar rondlopen en in stilte heel ongelukkig uit mijn ogen kijken. Waarschijnlijk een galsteen, concludeerde de dokter toen ik eindelijk aan de beurt was.

Zelden ben ik overigens onvriendelijker behandeld dan door de doktersassistente in de huisartsenpost. Er hangen overal bordjes dat de medewerkers respect verdienen, dat kwaad worden slecht is voor je hart, dat agressie niet wordt geaccepteerd en dat vriendelijkheid een belangrijke deugd is. Misschien even aan de assistente uitleggen wat vriendelijkheid betekent? Dat betekent niet dat er geen ‘goedenacht’ vanaf kan als je binnenkomt en dat betekent ook niet dat je iemand af moet blaffen omdat ze geen afspraak heeft gemaakt. De dokter zelf was ook geen toonbeeld van vriendelijkheid. Als ik mijn broek voor je moet laten zakken omdat je een lange naald in mijn bil wil steken, mag je je op zijn minst even aan me voorstellen.

En zo ben ik toch weer aan het klagen.

P.S. Waar ik absoluut NIETS over te klagen heb, is over de leuke jongen uit de trein, die mij in een taxi hees en mijn hand vasthield. Aaaaaah.