21 jaar en 2 dagen – over muziek en politiek

Lieve papa,

Eergisteren verzuimde ik de jaarlijkse blog te schrijven, maar ik was wel vaker te laat. Niet dat het een verplichting is, maar toch. Een soort aan mezelf opgelegde verplichting misschien. Ik val in herhaling, want ik herinner me eerder minder dan meer.

Heel lang was jij na het wakker worden mijn eerste gedachte. Niet jij, maar het ontbreken van jij. Soms meteen gevolgd door tranen. Inmiddels is het zo lang geleden dat jij stierf, dat ik vaak al duizenden gedachten heb gedacht voordat jij je opwachting maakt in mijn hoofd. Bij het ontwaken zit ik soms nog in een droom, soms ben ik terug in het boek dat ik voor het slapengaan las of in de serie die ik keek, een andere keer denk ik meteen aan werk. Ik had er eergisteren al een heel gesprek met de leuke jongen uit de trein opzitten, over jou, maar ook over anderen, voordat alsnog de tranen kwamen. Del Amitri op de radio:

And nothing ever happens, nothing happens at all
The needle returns to the start of the song
And we all sing along like before

And we’ll all be lonely tonight and lonely tomorrow

Niet omdat ik eenzaam ben, wel door het verdriet wat in dit lied klinkt. En de naald die teruggaat naar het begin van de plaat, is een beeld waarbij ik aan jou denk. Jij en muziek zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als ik nieuwe muziek hoor die ik mooi vind, probeer ik altijd in te schatten of jij het ook had kunnen waarderen.

Tijdens de verkiezingen moest ik heel vaak aan je denken. De laatste populist die jij meemaakte was Fortuyn en daar vond je iets van. Je kon je opwinden over mensen die niet meer zelf nadachten en hem blind adoreerden. Je kon je opwinden dat iemand met een zilveren lepel in de mond juist de mensen aansprak met veel minder te besteden. Het was niet goed geweest voor je toch al te hoge bloeddruk, maar wat had ik je graag tekeer horen gaan over Baudet, Wilders, Orban, Poetin, Trump. Dat je ‘hornox!” riep naar de televisie en met je ogen rolde.

Je hield van geschiedenis en hoopte dat mensen van het verleden leerden. Wat dat betreft ben je op tijd vertrokken. We trekken met zijn allen steeds minder lessen uit het verleden. Of in ieder geval niet de juiste lessen. Wat zou je mening zijn over het bombarderen van Gaza? Je was van de ‘religie maakt meer kapot dan je lief is’ en je koos doorgaans de kant van de mensen met de minste macht en middelen.

And nothing ever happens, nothing happens at all
They’ll burn down the synagogues at six o’clock
And we’ll all go along like before

And we’ll all be lonely tonight and lonely tomorrow

De wereld staat in brand. In het rijke Nederland is het leesniveau lager dan ooit, krijgen we wachtlijsten in de (jeugd)hulp niet weggewerkt en hebben we het Rode Kruis nodig om vluchtelingen bij te staan. Maar gelukkig opende het nieuws vanmorgen met wie er naar het Songfestival gaat. Ook daar had jij iets van gevonden. Waarschijnlijk hetzelfde als ik. Man oh man, wat zou ik nog eens graag mét jou tekeer gaan over ‘waar de wereld naartoe gaat’.

En toen koos ‘mijn’ land

We kozen massaal voor een man
Die uitsluit en haat
Volkomen onverschillig
Als de natuur naar de knoppen gaat

We kozen massaal voor de man
Van ‘nepparlement’ en ‘minder, minder, minder’
Alleen kijken naar hier
Lak hebben aan ginder

We kozen massaal voor de man
Die als enige lid van zijn partij
Geen inspraak duldt
Maar oh wat zijn we allemaal vrij

De dijken omhoog
De grenzen dicht
Lekker navelstaren
Zonder vergezicht

Democratie

Ja, dit is democratie. Ja, ik ben – met buikpijn en tranen in mijn ogen – nog steeds blij dat ik in Nederland ben geboren. We zijn een rijk land, we kunnen wat hebben. En ik denk (of hoop) dat veel mensen vooral ‘tegen’ hebben gestemd, zonder te weten waar ze nu eigenlijk ‘voor’ hebben gestemd.

Iedereen heeft het over bestaanszekerheid. Ik hoop met heel mijn hart dat dat ook geldt voor moslims, vluchtelingen, arbeidsmigranten, transgenders, milieuactivisten. Frans Timmermans is niet mijn bloedgroep, maar EIN-DE-LIJK klonken passie, emotie en strijd door in zijn toespraak: houd elkaar vast.

Ik vind het moeilijk mensen vast te houden die PVV (of FvD) hebben gestemd, maar ik ga mijn best doen.


Over de deur die sluit en de andere die opengaat. Ook voor watjes.

Ik ben een watje. Een angsthaas. Een softie.

Ik laat vaak over me heenlopen. Of ik laat me overrompelen doordat ik iets met een goede bedoeling doe en iets anders terugkrijg. Op zo’n moment ben ik compleet verpopzakt, om er maar even een goed Limburgs woord tegenaan te gooien.

Lang geleden belde ik een vriend om hem uit te nodigen voor een feest. “Ik zou het heel leuk vinden als je komt”, zei ik enthousiast. “Ik ben heel benieuwd hoe het met je gaat.” Hij zegde de vriendschap op. Maanden daarvoor had ik volgens hem zijn vriendin beledigd. Hij wilde me nooit meer zien. Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee wat ik heb misdaan. Ik kan me geen belediging herinneren. Maar een weerwoord gaf ik niet. Ik zei sorry, beëindigde het gesprek, huilde, kreeg een knuffel van de leuke jongen uit de trein, en liet het erbij.

Er is sindsdien weinig verbeterd aan mijn verbale kwaliteiten. Neem die keer met kerst, na de koffie met gebak. We hadden het over leuke dingen gehad. Recepten. Vakanties. Plannen voor het nieuwe jaar. Ineens die opmerking over deze blog: ‘dat ik dom ben dat ik mijn vuile was buiten hang’. Dat zag ik niet aankomen. In plaats van een weerwoord te geven, zat ik met mijn mond vol tanden. Toen ik laatst spontaan besloot aan te bellen voor een kop koffie, gebeurde me precies hetzelfde. Ik ging met goede bedoelingen en zat even later verbouwereerd in de auto terug naar huis. Te bedenken wat ik allemaal had willen zeggen. Had moeten zeggen.

Ook als zzp’er laat ik me soms misbruiken of overrompelen. Nee zeggen tegen opdrachten die slecht betalen of tegen deadlines die nauwelijks haalbaar zijn, lukt me gelukkig steeds beter. Maar ik ben nog lang geen held. Met engelengeduld wacht ik op te laat betaalde facturen. Begripvol accepteer ik de ene na de andere smoes waarom een opdracht toch niet doorgaat. Braaf voer ik nog nog een extra correctieronde uit, zonder extra factuur te sturen. Opnieuw besluit ik niets te zeggen over het feit dat de deadline voor mij zo ongeveer gisteren was en de klant vervolgens maanden de tijd neemt om mijn tekst online te zetten.

Maar soms botst een klant op een grens. Gisteren was het (eindelijk!) zo ver. Na twee herinneringen kreeg ik een appje dat de facturen aan het eind van de week betaald zouden worden. Ik appte terug dat dat de laatste betalingen zouden worden. Ik had (en heb) vier facturen open staan bij deze klant, waarvan de eerste meer dan twee maanden geleden gestuurd. Het was niet voor het eerst dat mijn betalingstermijn werd genegeerd. Het was ook niet de tweede keer. Of de derde. Dit was het afgelopen jaar al minstens tien keer gebeurd. Met even zoveel beloftes dat het beter zou worden. De knop ging om. Ik stuurde na dat appje nog een e-mail dat ik niet meer beschikbaar ben voor wat voor opdracht dan ook. Vanmorgen belde ik er nog achteraan met extra tekst en uitleg en met een ‘bedankt voor de leuke opdrachten’. Zo lief ben ik.

Ik voel me opgelucht en trots. Dat ik eindelijk deed wat juist was. De opdrachten waren inderdaad leuk. Maar de frustratie stond al heel lang in geen enkele verhouding tot wat het werk opleverde. Toch bleef ik kwaliteit leveren. Waarom? Wat is het ergste dat er kan gebeuren? Ja, dat ik nu dus een aantal opdrachten kwijt ben. Maar ik ben ook verlost van heel veel negatieve energie. Mijn bedrijf bestaat potverdorie niet voor niets al vijftien jaar.

Waar de ene deur dichtgaat (omdat ik ‘m eindelijk zelf dichttrek), gaat een andere open.

Op dit moment #19

De zomer
Is weer zichzelf
Niet langer vermomd
Als herfst

Ik ben op mijn best in de zomer. Tenminste in de zomer zoals die is bedoeld. De zomer sinds een paar dagen. Afgelopen maandag zat ik na afloop van een gezellig en smakelijk diner met vriendinnen nog even op een terras met uitzicht over een spiegelgladde Maas. Gisteren was het licht boven de velden tijdens mijn vroege ochtendwandeling betoverend. En ik knuffelde met een blije puppy. Gisteravond hadden we een verjaardag in een tuin. Dat is zo veel beter dan een verjaardag binnen op de bank.

Vanmorgen fietste ik na een superleuk interview terug naar huis. Dwars door Elsloo en langs het kasteel naar beneden. Daarna een prachtig stuk met de bosrand op links en het kanaal op rechts. En uiteraard maakte ik een omweg langs mijn ouderlijk huis. Ik genoot. Blote armen, blote benen. Zonnebril op. Eco-stand van de elektrische fiets aan en gaan! The summer is magic!

Waar ik nog meer blij van word: van spontane laatste moment afspraken. Zoals afgelopen zondag toen B besloot vanuit Weert naar Maastricht te rijden om even te komen borrelen. En zowaar kon R ook aanhaken. En dan te bedenken dat we normaal zo ongeveer drie maanden vooruit plannen en het dan soms alsnog niet doorgaat.
Van complimenten voor mijn werk. De wekelijkse nieuwsbrief die ik sinds kort voor een grote klant schrijf, is een feestje om te maken en de lezers laten me weten dat ze blij zijn met de inhoud.
Van de bloemen in de tuin, het gezoem van blije bijen en de frambozenstruik die maar blijft geven.

Waar ik blij op terugkijk: een strandtentbezoek met F gevolgd door een aantal geslaagde dagen in Breda met de leuke jongen uit de trein.

Waar ik naar uitkijk: naar mijn zakelijke feest overmorgen omdat Lieke Schrijft 15 jaar bestaat. Naar de verjaardagslunch met mama, broer en zus aanstaande zondag. Naar de vakantie in Ierland met de leuke jongen uit de trein over een paar weken en dat ik daar mijn fenomenale vriendinnen M en V ga zien. Naar een paar dagen Rome in oktober met mijn collega’s van het LINKS-project. En naar een dagje Leuven met vriendinnen in november. Maar het is niet alleen feesten en reizen waar ik naar uitkijk. Ik heb ook heel veel zin in in een aantal opdrachten die eraan komen en workshop die ik met collega’s ga geven.

Waar ik verdrietig van word: van empathieloze mensen, egoïsten en doordrammers. Mensen die geen enkele moeite doen zich in een ander te verplaatsen en precies doen waar ze zelf zin in hebben. Ik trof vorige week zo iemand in een werksetting. Hij deed van alles zonder overleg en dat ik de dag erna allerlei branden moest blussen, kwam niet bij hem op, of kon hem niet schelen. Werkgerelateerd kom ik er soms niet onderuit. Daarbuiten lukt het me steeds beter om bij dit soort mensen uit de buurt te blijven.
Ik ben heel blij met de elektrische fiets van mijn lieve schoonmama, maar ik ben tegelijk verdrietig dat ik ‘m kocht. Omdat het betekent dat zij niet meer fietst. Ik zou er héél, héél, megavetsuperboel veel voor over hebben als mijn schoonouders energiek en gezond oud worden. Zonder uitvallende oren, getikte evenwichtsorganen en andere ellende. En dat ze zonder al te veel moeite overal komen waar ze willen zijn.

Wat ik lees: Cultus van Läckberg en Fexeus. Ik begon dit jaar met deel 1, Box, en nu dan eindelijk deel 2. Ik smul van sektes, seriemoordenaars en stoïcijns kijkende rechercheurs. Ik ga er wel raar van dromen. Waarschijnlijk komt dat ook door de combinatie met wat ik kijk. Namelijk Karppi/Deadwind. In het boek zijn er al drie kinderen dood. In de serie legde pas één volwassene het loodje. Het ongemak spat er in het boek en op beeld vanaf. De ene schurende situatie na de andere van mensen die om elkaar heen draaien maar elkaar de waarheid niet zeggen. Ik houd ervan. Dat relativeert de ongemakkelijke situaties waar ik soms in terecht kom, zoals vanmorgen toen ik weer eens niet op iemands naam kon komen. Maar ik ga er dus wel raar van dromen.

Wat ik luister: De leuke jongen uit de trein sloeg in Breda weer zijn slag bij een muziekwinkel, dus zijn er nieuwe cd’s om naar te luisteren. Zoals een oude live cd van Portishead. Op mijn werkplek staat Sublime FM aan, thuis Kink (boven) en NPO2 (beneden) en in de auto overdag Studio Brussel en ’s avond NPO 2. Toen ik vorige week thuiskwam van een nachtelijk avontuur in de crisiscommunicatie was de non-stop programmering op 2 een zegen. Als ik niet zo nachtblind was, was ik volledig zen thuisgekomen.

Er waren een aantal pijnlijke situaties de afgelopen weken. Ik werd eerder ongesteld dan verwacht (en houd de details verder voor me). Zeer recent joeg iemand me op de kast (ken je dat, dat je voelt dat je wangen rood worden en je spieren verstijven?) en mijn boosheid zakt maar langzaam. Ik ontdekte dat de standaard van mijn e-bike een soort van voetverbrijzelend slag- en steekwapen kan zijn. En vanmorgen bleken er vlekken in de rug van mijn shirt te zitten. Hoe dan?

Maar al met al ben ik een ontzettende geluksvogel. Ik heb zo veel mooie mensen om me heen. Zo veel om me op te verheugen. Zo veel geluk met mijn gezondheid. En kijk die blauwe lucht!

Hoe gaat het met jou?

Het gaat best goed. En toch (geen) tijd voor tranen

Ik zit gelukkig niet waar ik een jaar geleden zat. Omdat ik het een hele tijd qua werk vrij rustig had. Omdat ik bijna elke dag met een wandeling begin. Omdat ik gezonder leef, althans zeker in de zomer als het een minder grote opgave is om water te drinken en fruit te eten. Omdat ik weet dat bepaalde mensen het beste voor me willen, hoe onaardig sommige dingen ook uit hun mond komen. Omdat ik me er (bijna) bij heb neergelegd dat ik mijn familie nog vooral op begrafenissen zie en dat de band die ik graag had willen houden met sommige ooms, tantes en nichtjes er niet meer is of misschien zelfs nooit is geweest. Jammer dat er daardoor minder mensen overblijven om mee over papa te praten, maar het is wat het is.

Mijn coach leerde me om af en toe bewust aan papa te denken op een plek die of met een voorwerp dat ik met hem associeer. In mijn hoofd had ik een vijver of een haardvuur nodig. Tot ik de link legde tussen de enorme platanen in de speeltuin tegenover mijn huis en de vakanties in Frankrijk met mijn ouders. Zo simpel kan het zijn. Daar stond ik laatst, op het pad in de speeltuin, starend naar een boom, denkend aan hoe mijn papa net zo kon staren vanaf zijn campingstoel. Nu is het soms al genoeg om even te knikken naar de bomen. Ik denk dat ik ‘dit’ redelijk onder controle heb.

Kennen jullie dat boekje uit de brugklas nog? A l’ombre des platanes.

Toch begon ik de dag vanmorgen met huilen. Ik heb het op dit moment druk met werken, drukker dan ik had verwacht. Blijkbaar gaan mijn klanten niet meer in het hoogseizoen op vakantie, maar net als ik daarna. Het zijn vooral leuke opdrachten waarvoor ik enthousiaste mensen mag interviewen, dus dat is fantastisch. Laatst plande ik zes interviews achterelkaar en de een kon nog smakelijker vertellen dan de anders. En wat een fijne en onderwerpen! Zoals het terugdringen van plastic afval en het verbeteren van werkplekken. Maar het zorgt ervoor dat ik weinig vrije tijd heb. En dan komt dat knagende gevoel de kop weer opsteken. Dat gevoel op alle fronten tekort te schieten.

Dan word ik wakker en weet ik het zeker:
Ik ben geen goede dochter.
Geen goede zus.
Geen goede partner.
Geen goede vriendin.

Dan voel ik een soort paniek over hoe lang ik sommige mensen niet meer heb gezien. Dan voel ik me schuldig omdat ik zo weinig deel met mijn directe familie. Dan krijg ik kortsluiting omdat ik mijn verjaardag wel-niet-wel-niet wil vieren en het in mijn hoofd nooit voor iedereen goed kan doen. Dan denk ik dat de leuke jongen uit de trein beter af is met iemand anders.

Dan schiet me ineens te binnen dat ik ben vergeten te vragen hoe de operatie van haar vader is gegaan, dat ik alweer geen kaartje naar haar jarige zoon heb gestuurd, dat ik te weinig belangstelling heb getoond in haar samenwoonplannen en in zijn zieke moeder. Dan breekt mijn hart omdat F geen visum kreeg. En oh ja, die dag dat ik naar die ene vriendin zou gaan, is dat niet diezelfde dag dat ik met die andere vriendin naar dat festival zou gaan? Weer iemand teleurstellen…

Dus huilde ik vanmorgen toen de leuke jongen uit de trein vroeg om alles eruit te gooien. En zoals niemand anders dat kan, was hij praktisch en lief tegelijkertijd. Toen zag de dag er meteen iets beter uit.

Voel jij je wel eens schuldig omdat je te weinig tijd aan mensen besteedt? En hoe los je dat op?

Schoenen

Schoenen die niet wisten waar ze heengingen
Spoelen aan op Griekse en Italiaanse stranden

Vluchteling zijn is een beetje sterven
Ook als je de overkant haalt
Een vluchteling is ontworteld
Met of zonder schoenen

In een ideale wereld blijft iedereen in zijn thuisland wonen
Maar een thuisland is soms angst, vernedering, pijn of honger
En dan vluchten mensen op zoek naar een beter leven
Of gewoon naar een leven, of iets dat op een leven lijkt

Wie de overkant niet haalt
Blijft vaak naamloos en zonder gezicht
Vijf miljonairs die vastzitten in een onderzeeër
Spreken veel meer tot onze verbeelding

En geen brokstuk, zelfs geen schoen
Blijft achter

Ze komt

Schooljaar 1997/1998.

Wat had ik een geluk met F. als ‘koppelgenoot’ tijdens mijn ‘uitwisselingsjaar’ met Benin. F. was de assertiefste, avontuurlijkste en meest geïnteresseerde deelnemer van de zes Beninezen die meededen, vond ik. En ze woonde op de leukste plek, ver buiten de chaotische stad waar je met gevaar voor eigen leven straten zonder verkeersregels moest oversteken. Drie maanden woonde ik bij haar en haar moeder, oma, tante, neefje en afwisselend tussen de 1 en 3 broers en zussen en soms een stiefvader. Die laatste had meerdere vrouwen en moest zijn tijd een beetje verdelen.

We woonden in een dorp met hoog gras langs de stoffige, rode paden. Een dorp opgebouwd rondom een eenvoudig kerkje dat meerdere keren per week bomvol zat. Op het kerkplein stond een reusachtige boom waaronder meubelmakers eenvoudige bedden en kasten maakten. Een dorp waar de ‘fietskippen’ (zoek dat maar op) onder de palmbomen scharrelden. Een dorp waar om 19 uur de olielampjes aangingen, want elektriciteit was er niet. En ’s ochtends haalde je water uit de put om te kunnen “douchen” (= uit een grote emmer water scheppen met een kommetje en dat kommetje over je hoofd gooien). Ik leerde er het principe kennen van ‘het dorp dat een kind opvoed’. Dat een familie er alles aan doet om geen gezichtsverlies te lijden en daarom ieder ander familielid beschermt. En ik leerde er in in sneltreinvaart Frans spreken. Ik had er de tijd van mijn leven. Maar eerlijk is eerlijk, wél omdat ik wist dat het tijdelijk was.

De drie jaar oudere F. woonde daarna ook drie maanden bij mij, mijn ouders, broertje en zusje. Ook in een dorp. En daar houdt de overeenkomst op. Zij leerde dat we onze grootouders niet in huis nemen, maar in een bejaardenhuis laten wonen (die bestonden toen nog). Zij leerde dat onze kranen niet van goud zijn, dat we niet iedere week in een vliegtuig stappen en we niet allemaal een chauffeur hebben. Dat was in Benin een beetje het beeld van de westerse wereld, omdat ze er naar Dallas keken op televisie. Maar natuurlijk zag ze ook hoe ongelofelijk goed we het hier hadden. Zelfs de armste mensen hadden een inkomen, schoon drinkwater en elektriciteit. Onze huisdieren verkeerden in een luxere positie dan sommige van haar buren. En we hadden niet allemaal een chauffeur, maar in ieder geval wel een auto en een paar fietsen.

Ik ben twee keer terug geweest. Nu is het haar beurt een bezoek aan Nederland te brengen. Ik wil het nu even niet hebben wat voor een ongelofelijk koud en ongastvrij land Nederland is voor mensen die vanuit een niet-Schengen land willen komen, want dat is een blog op zich waard. Wat ik wel wil delen, is de onrust die steeds groter wordt naarmate het zekerder is dat ze haar visum krijgt. Ik ben blij dat ze komt, dat ze de kans krijgt de mensen die ze hier leerde kennen, nog eens te zien. Ik vind het leuk dat we herinneringen kunnen ophalen aan onze avonturen als jongvolwassenen, wonend bij onze ouders, terwijl we nu zelf een grote mensen leven hebben. Of iets wat daarvoor doorgaat 😉 Ik vind het fantastisch dat ik haar mijn huis, mijn stad, mijn leven kan laten zien.

Maar het gevoel is dubbel. Ik kan de gastvrouw niet zijn die ik wil zijn. Ik voel me nu al tekort schieten. Terwijl ik enorme stapels papier heb ingevuld, de gemeente heb betaald voor een handtekening en regelmatig geld naar haar heb overgemaakt dat ze kan bijleggen voor haar ticket. Ik kan haar niet al mijn aandacht geven. Ik moet werken als ze hier is. Onze vakantie is pas half september. Ik kan het me niet veroorloven om in de maand juli vrij te nemen. De leuke jongen uit de trein moet ook werken, al heeft hij af en toe een snipperdag voor een spannende bergetappe in de Tour.

Laat ik haar alleen als ik voor een interview de deur uit moet? Redt zij zich met een OV-chipkaart en een simkaart en kan ze zelf eropuit? Voelt zij zich nog welkom als ik regelmatig weg ben? Is het stom of ongastvrij als ik met haar in het huis van mijn zusje ‘woon’ in plaats van in mijn eigen huis, waar de leuke jongen uit de trein dan ook zijn privacy moet inleveren? Kan ik het maken om haar daar af en toe een nacht alleen te laten slapen? Kan ik haar uitleggen dat ik met alle liefde de boodschappen voor haar betaal, graag een keer op mijn kosten met haar ga winkelen, maar dat het me niet lukt om daarnaast nog allerlei uitstapjes te betalen? Of zou ze dat ook helemaal niet verwachten?

Ik heb er vaker last van tegenover vrienden en familie, dat gevoel om tekort te schieten. Dan vind ik dat ik te lang niet heb gebeld. Of dat ik niet vaak genoeg heb aangeboden om ergens mee te helpen. Maar bij F is het gevoel erger. Buikpijngevender. De kans dat ze nog eens naar Nederland komt, is klein. De kans dat ik in de komende jaren naar Benin ga ook. Misschien is het de laatste keer dat we elkaar zien. In ieder geval is het de laatste keer dat ze ‘bekenden’ uit de generatie van mijn ouders gaat zien. Daar wil ik bij zijn. Om te brengen en te halen. Om te horen hoe ze herinneringen ophaalt met mensen die ze sinds 1998 niet meer zag. Om te vertalen waar nodig.

Maar hoe doe ik dat zonder mezelf voorbij te lopen, zonder mijn relatie te verwaarlozen en zonder haar tekort te doen?

Geen stap verder

Ik maak mijn ochtendwandeling. Zij slaat achter mij met haar auto de zandweg in. Licht geïrriteerd stap ik opzij. Er mogen geen auto’s komen. En ondanks dat ze langzaam rijdt, veroorzaakt haar auto na weken zonder regen een enorme stofwolk.

Ze steekt haar hoofd uit het raam: “Sorry voor het stof. Heb jij ergens een hond gezien?”
Ik moet lachen: “Ik ben heel veel honden tegengekomen.”
“Een hond liggend in het veld?”
“Nee.”
“Ik werd net gebeld. Onze hond weigert op te staan.”
Ze rijdt langzaam verder. Ik loop aan het einde van de stofwolk achter haar aan.

Na de bocht zien we allebei een man zwaaien en gebaren. De auto moet zo veel mogelijk naar rechts op het smalle pad, de hond ligt blijkbaar links. Door het hoge graan, kan ik de hond niet zien.

Ik ben net te ver weg om de gezichtsuitdrukking van de man te ontwaren, maar ik meen moedeloosheid en frustratie te herkennen in zijn houding. Hoe lang zou hij daar al staan? Trekkend aan de riem terwijl hij de hond bemoedigend toespreekt.

De auto stopt. De man doet de klep open.

Wild kwispelend springt een enorme herdershond achterin.

Drie vaders

Drie weken. Drie vaders. Van drie mooie vrouwen.
Drie vaders die stopten met leven.

Ik weet niet hoe zij zich voelen. Ik vraag het wel, maar weet dat het antwoord moeilijk te geven is. Iedereen rouwt op een eigen manier. En verwoordt het anders.

Een aantal dingen zijn universeel. En van alle tijden.

De mensen die zich geen houding weten te geven. De mensen die niet durven te vragen hoe het met je gaat. En dat heus niet slecht bedoelen. De mensen die je niet mee naar een feestje vragen, omdat ze voor jou denken dat je daar nog niet aan toe bent. Een hork of twee, die over een tijdje vindt dat je lang genoeg verdriet hebt gehad. “Je maakt vlekken met je mascara.” Of de muts die gaat vergelijken met ander verdriet.

Na de crematie van mijn vader hebben mijn huisgenoten er met geen woord meer over gerept. Niemand vroeg hoe het met me was. Op de eerste sterfdag van mijn papa schreef ik in ons beruchte ‘wc-schrift’: “Bedankt voor de steun het afgelopen jaar.” Ik was boos toen ik dat schreef. Teleurgesteld. Want ik voelde maar weinig steun. Terwijl ik vlak voor het overlijden van papa dezelfde fout had gemaakt, toen het broertje van een ex-huisgenoot stierf bij een verkeersongeluk.

Het wakker worden met de gedachte dat er iets vervelends is gebeurd, maar niet meteen weten wat. Het huilen als het je te binnen schiet. De verbazing dat je toch nog kunt lachen om de flauwe opmerking van een collega. De verbazing dat je toch gewoon in slaap valt aan het eind van de dag.

Ik sliep probleemloos in het bed waarop mijn papa opgebaard had gelegen. Maar dat is misschien heel typisch mij. Slapen is geen probleem, hoe slecht het ook met me gaat. Slapen is alleen ondoenlijk nadat ik wakker ben geworden van een mug of van gesnurk.

Iets lezen, horen of meemaken en dan denken: “Dat moet ik papa straks vertellen”, om je daarna te realiseren dat papa er niet meer is. Ik herinner me dat mama haar moeder wilde bellen om te vertellen dat papa dood was en toen bedacht dat oma eerder dat jaar gestorven was. Dubbele klap. 2002 was bepaald geen jaar om in te lijsten.

Het nadenken over de dood. De liedjes waar je nooit meer met droge ogen naar kunt luisteren. Het telkens opnieuw onbegrijpelijk vinden dat je iemand nooit meer ziet. Iemand die zo vanzelfsprekend in jouw leven was. Vanzelfsprekend als festivals in de zomer. Als handschoenen in de winter. (Geen idee, ik moet aan Winter van Tori Amos denken. I put my hand in my fahter’s glove [..] You have to learn to stand up for yourself, cause I can’t always be around).

Ik had nog heel lang het gevoel dat papa elk moment kon binnenlopen. Zeker als ik in het weekend bij mama was. Ik zag voor me hoe hij door de achterdeur naar binnen kwam. Mama een kus gaf. En doorliep naar het fornuis om de deksel van de pan te tillen zodat hij zich kon verheugen op het eten.

De verbazing hoe het gewone leven weer doorgaat. Bij anderen meer dan bij jou. Hoe er zo veel en tegelijkertijd niets verandert. Je staat gewoon op, want je kinderen moeten naar school. (In het geval van de drie mooie vrouwen waar ik nu over schrijf). Je maakt je bed op, smeert een boterham, doet boodschappen. Dagelijkse handelingen. Op eeuwige herhaling. Ook nu er iemand voor eeuwig weg is uit je leven.