Dikke buiken

Drie vriendinnen zijn op dit moment zwanger. Een absoluut record. 30 is een heel normale leeftijd om aan kinderen te beginnen. En in een relatie die al duurt sinds de middelbare school, ben je als het goed is zodanig op elkaar ingespeeld dat je 'samen opvoeden' wel aan kunt. Dus ik ben blij voor ze, want zij zijn blij en er ook nog eens helemaal klaar voor.

Ondertussen wordt de vraag "En jij?" wel steeds irritanter. Ik denk niet dat ik kinderen wil. Stel nou, puur hypothetisch, dat ik daar ergens in de toekomst anders over denk, dan hoeven eventuele kinderen biologisch niet per se van mij te zijn… denk ik. In deze overbevolkte wereld zijn er zo veel kinderen met beroerde vooruitzichten, misschien, theoretisch gezien, wil ik zo'n verschoppeling dan wel een thuis bieden (bovendien kan ik dan de babyfase overslaan, dat lijkt me tot in het einde der tijden helemaal niets, zo'n hulpeloos, breekbaar mensje). Waarschijnlijk blijft het de komende jaren vooral bij denken of ik dat eventueel, misschien, bij buien ooit wel eens zou kunnen willen, want knopen doorhakken, is niet mijn sterkste punt.

De en-jij-vraag slaat meestal nog niet eens op het krijgen van kinderen, maar op samenwonen en een vaste baan. Waarschijnlijk komt daar ook de grootste irritatie vandaan. Want hoe hard ik ook altijd riep terwijl ik stampvoetend met mijn vuisten op tafel sloeg dat een vaste baan en een samenwoonhuis mijn schrikbeeld van burgerlijkheid is… *schaam*… ik denk dat ik daar nu misschien toch wel aan toe ben.

Lieve vriendinnen, geniet van jullie zwangerschap en alles wat erna komt. Ik probeer de opmerkingen uit de categorie "je blijft achter" (waar vooral familieleden erg goed in zijn) vakkundig te negeren en mijn ongeorganiseerde, chaotische, maar leuke leven nog een beetje uit te buiten tot de omstandigheden met mijn gevoelens mee veranderen.

  

Waarom mag ik hem niet?

Het arrogante is er wel vanaf. Hij bewees helemaal zelf *oh heerlijk leedvermaak* dat hij (werktechnisch gezien) niets heeft om arrogant over te zijn. Te eigenwijs om zijn schrijfsels met ons te delen, stuurde hij net iets te vaak slecht in elkaar stekende stukken 'naar boven'. Deadlines haalt hij net wel of net niet. En met dagelijks te laat komen, verdient hij ook al geen pluspunten.

Niet mijn probleem natuurlijk, want hij werkt grotendeels voor een andere afdeling. Hij opereert volgens de heersende beleefdheidsnormen en de bijbehorende 'office politics'. Hij is vriendelijk en correct. Doet mee aan gezamenlijke activiteiten. Helpt als je daar om vraagt. Schiet lunch voor als je geen geld bij je hebt. Staat net zo vaak op om water te halen voor zijn kamergenoten als dat zijn kamergenoten dat voor hem doen.

Prima dus om mee in dezelfde ruimte te zitten? NEE, driewerf NEE, NEE, NEE.

Ik schreef al eerder dat ik een kreng kan zijn. Dat overkomt me op de meest ongelegen momenten, ook als ik eigenlijk vriendelijk en correct wil zijn, net als hij. Helaas (voor hem en voor mij) komt alle krengerigheid die in me zit omhoog borrelen op het moment dat hij (te laat) ons kantoor binnen stapt. De manier waarop hij 'goedemorgen' zegt irriteert me. Van de zwier waarmee hij op zijn stoel gaat zitten, gaan mijn nekharen overeind staan. Zelfs als hij er niet is, erger ik me dood. Want waarom zegt hij nooit waar hij heen gaat? En vanuit een andere ruimte, kan hij nog het bloed onder mijn nagels vandaan halen. Want waarom neemt hij mijn telefoon niet op als ik even weg ben?

Collega's, je hebt ze net als familie niet voor het uitkiezen…

Oud

Ineens hadden we het over ouder worden, settelen, kinderen krijgen dan wel adopteren en hoe het kwam dat we ons allemaal niet meer konden herinneren hoe we twaalf jaar geleden over 'nu' dachten. Twaalf jaar geleden waren we 17, 18 en 19. Zes meisjes die naar het onbekende Benin gingen voor een uitwisselingsprogramma. We hadden nog nooit van het land gehoord waar we naartoe zouden gaan. We hadden zelfs nog nooit in een vliegtuig gezeten.

Aan het eind van dat fantastische uitwisselingsjaar dat aan elkaar hing van verrassing, vriendschap, frustratie, ontdekking en emotie, vroeg onze groepsbegeleider waar we onszelf over tien jaar zagen. Gisteravond probeerden we ons te herinneren wat we toen antwoordden. We wisten het niet meer. Behalve dan dat wat we toen zeiden, waarschijnlijk niet uitgekomen was.

We waren toen al totaal verschillend en dat zijn we nog steeds. Iedereen is zichzelf gebleven. De carriere, het koophuis en de zwangerschap aan de ene kant. De student, het huurappartement met lekkend plafond en het goede leven in Brussel aan de andere kant. Verre reizen voor de een, knus bij de haard voor de ander. De een leidt een milieuvriendelijk, maatschappelijk bewust, zuinig, bijna boedhistisch leven in een woongroep; de ander woont in een nieuwbouwhuis waar designmeubelen het interieur bepalen. En om het even op de politiek te betrekken, van SP tot VVD en alles daar tussenin. 

Elke keer als we elkaar zien is het gezellig. Maar de toon wordt steeds een tikkie serieuzer. Wie net een paar weken zwanger is, moet al op zoek naar een creche. Wie nog studeert, moet op zoek naar een baan. En wie geen vriend heeft (of een onduidelijke relatie), begint last te krijgen van haar biologische klok.  

Ik verander

Ik verander. Ik schrik daarvan.

Nog niet zo lang geleden wilde ik niet verder dan een week vooruit kijken. Nu zou ik willen dat ik van de komende maanden de grote lijnen vast had liggen. Sterker nog, ik zou er bijna een moord voor doen om te weten wat ik na afloop van mijn stage ga doen en waar ik ga wonen.

Nog niet zo lang geleden, kreeg ik maagpijn van de woorden ‘vastigheid’, ‘settelen’ en ‘samenwonen’. Maar ineens kijk ik er naar uit zelf een beetje eeen burgermuts te worden. Het is wel zo handig om een adres te hebben waar ik niet alleen op papier woon. En het zou ook fijn zijn om me niet telkens af te vragen of die fijne spijkerbroek in mijn eigen wasmand of in die van de leuke jongen uit de trein ligt.

Nog niet zo lang geleden, kon ik niets met kinderen jonger dan twee jaar. Hun hulpeloosheid schrikt me nog steeds een beetje af en ik wil ze nog steeds zelf niet op de wereld zetten, maar ik begin ze wel steeds leuker te vinden. Zo leuk dat ik laatst vrijwillig aanbood om op een miniatuurmensje van een collega te passen. Ze zag er zo schattig uit op een foto dat het me bijna vertederde.

Ik herken mezelf niet meer. Uiterlijk en innerlijk. Want ’s morgens als ik in de spiegel kijk voordat ik op keurig gepoetse hakkeschoentjes, in een nette broek en met een bloes aan de deur uitstap, ontmoeten mijn ogen nog steeds die van een onbekende.

Ik ben een kreng, soms

Ik kan een ongelofelijk kreng zijn. Al heb ik dat soms pas een tijdje na de ‘gebeurtenis’ in de gaten.

Nieuwe collega: "Hoe schrijf ik een bericht?"
Ik: "Nou gewoon. Je geeft antwoord op de 5 W’s en de H. Je zet het belangrijkste nieuws bovenaan. Het bericht moet oprolbaar zijn. En afhankelijk van het genre of de doelgroep doe je nog een conclusie of een commentaar aan het eind."

Nieuwe collega keek me aan of hij water zag branden.

Ik: "Ja gewoon. Je hebt een aanleiding en een centrale vraag en die werk je dan uit."

Aan de vraagtekens in collega’s ogen, zag ik dat ik hem met die uitleg ook al niet behulpzaam was. Pas toen bedacht ik me hoe arrogent en bitchy ik overkwam. Ik heb makkelijk praten met een opleiding journalistiek en vijf jaar werkervaring achter de kiezen. Maar om vijf voor zes had ik geen zin en geen moed meer om een nieuwe poging te wagen. Dus trok ik mijn vriendelijkste gezicht en zei: "Donderdag gaan we er samen voor zitten en dan leg ik het uit. Goed?"

Benieuwd hoe dat gaat lopen. Ben nooit zo goed in dingen uitleggen die voor mezelf vanzelfsprekend zijn of op de automatische piloot gaan.

Luid zuchtend en hoofdschuddend liep ik de deur uit. Op weg naar huis. In gedachten bezig met de vraag "Hoe schrijf ik een blog?"

Feestjes, festivals en familiedagen

Het is natuurlijk eigenlijk te ‘peanuts’ om er woorden aan vuil te maken. Dat ik het toch doe, geeft aan dat ik een beetje een triest figuur ben. Maar zelfkennis is een goed begin, zeggen ze wel eens.

Ik heb te veel F’s: feestjes, festivals en familiedagen. Ik houd van mijn vrienden en mijn familie en zeg liefst overal ja op. Twee sets vrienden geven een feest, het ene paar in Utrecht, het andere paar in Eindhoven, terwijl ik met mijn kont twee dagen in het gras lig bij Festival Mundial in Tilburg. Dat gaat niet gaan. Maar misschien dan toch even het festival onderbreken voor 1 van de 2 feestjes?

En zo zijn er meer dubbele ‘boekingen’.

Als het niet dubbel is, dan in elk geval in razend tempo na elkaar. Aanstaande vrijdag rechtstreeks vanuit Brussel naar een verjaardag in Meerssen. De volgende middag een verjaardag in Beek. Die avond een schrijfopdracht in Maastricht. En dan op zondag in Bunde aan de koffie met vlaai voor moederdag.

Het weekend erna sta ik op vrijdagavond naar een paar bandjes te kijken in Utrecht, overnacht ik in Amsterdam, en vier ik zaterdag een verjaardag in Aken. Allemaal vrijwillig. En ik vind het ook echt leuk. Maar soms borrelt er een klein beetje stress naar de oppervlakte.

Niet vanwege de F’s; van feesten krijg ik energie en goede zin en ik kan mijn vrienden niet vaak genoeg zien. Wel vanwege alle dingen die eronder lijden; werkstukken en administratie komen nooit af en freelance opdrachten tikken altijd de deadline aan, terwijl het zo veel relaxer zou zijn om mijn schrijfsels op mijn gemak na te kunnen lezen voor ik ze naar de redactie stuur. En waar is de ‘quality time’ met de leuke jongen uit de trein gebleven?

Het leven is vaak een feest en hangt van feesten aan elkaar, maar dat maakt het het er niet eenvoudiger op. Ik ga in elk geval voorlopig geen feest geven.

Liefde is…

… elkaar op een vrijdagavond wel een uur lang de nek om kunnen draaien en twee dagen later het weekend, inclusief die vrijdagavond, in willen lijsten.

Okay, deze uitspraak bekt lang niet zo lekker als de echte ‘Liefde is…’ uitspraken, maar is in elk geval gebaseerd op een echt leven.

Lente :)

De eerste contrasten op mijn huid zijn zichtbaar. De rode plekken, die natuurlijk snel bruin worden, heb ik afgelopen weekend, onder het genot van een roseetje, in onvangst genomen op mijn mama’s zonnige terras. Een veel te grote, zeer oncharmante zonnebril bedekte mijn halve gezicht, terwijl ik vrolijk fietsend naar die zomerse bestemming met de naam Achtertuin onderweg was. Handige bescherming tegen de eerste vers ontwaakte insecten, die vervolgens mijn mond uitkozen om binnen te vliegen. Fluitende vogeltjes overstemden het geluid van mijn mp3-speler. Het was een prachtig weekend (op een klein intermezzo met een ontsteking en een dokter na) en dat gevoel houd ik moeiteloos vast zo lang er zon in de lucht hangt.

Oh wat houd ik van de lente.

Mijn winterjassen aan kleerhangers in de verste hoek van mijn kast. De zomerse exemplaren aan de kapstok. Mijn laarzen weggemoffeld onderin diezelfde kast, mijn zomerse schoeisel op een rijtje naast de deur. Sjaals, mutsen en handschoenen verhuisd naar een plastic zak onder mijn bed. Mijn zonnebrillen uitgestald op mijn nachtkastje.

Ik sta vrijwillig eerder op, terwijl ik sinds de verhuizing van mijn werkplek juist langer zou kunnen blijven liggen, om ’s ochtends te voet naar kantoor te gaan. Een heerlijke wandeling van drie kwartier. De lunch wordt niet meer in sneltreinvaart naar binnen gewerkt in te drukke eettentjes, maar gaat mee naar het park. Zware kost als avondeten maakt steeds vaker plaats voor frisse salades.

Oh wat houd ik van de lente.

Jammer dat al die nieuwe, positieve energie me geen steek verder helpt met mijn blauwe enveloppen en andere administratieve achterstanden. Welke werkstukken? Welke sollicitatiebrieven? Lang leve de lente en al haar extra mogelijkheden voor het uitoefenen van werkontwijkend gedrag.

Jammer ook dat die dagelijkse wandeling en die salades nog weinig vetrolletjes hebben doen verdwijnen. Om optimaal van de lente, en straks de zomer, te kunnen genieten, moet ik wel weer in die leuke, vrolijke rokjes passen.

Een eerste, voorzichtige observatie van een nieuweling

Soms, héél soms, leer ik wel eens van mijn fouten. Dus uitgebreid bloggen over collega's, dat doe ik niet meer. Ik schrijf wel, maar publiceer niet. Misschien later als ik groot ben, als ik geen direct gevaar meer loop.

Toch kan ik het niet helemaal achterwege laten om even te illustreren dat ik niet zo'n goede 'match' ben met de mensen die mij onder werktijd omringen. Daar is maandag een nieuwe persoon bijgekomen. Ik vind iedereen aardig, dat dan weer wel. Bovendien zijn de meeste mensen die hier zitten beter gekwalificeerd voor de functie die ze uitoefenen dan ik.

Maar dus, omdat ik het niet kan laten, hieronder een eerste voorzichtige observatie van een nieuweling:

Al sinds de eerste dag praat en doet ‘hij’ net als ‘zij’. Dus lunchen in het park is “niiiiiiiiice”. Een borrel die ter ere van de stagiaires wordt georganiseerd vindt hij een “goed initiatief”. Collega's noemt hij bij afkorting en bijnaam. Op tijd komen, vindt hij niet belangrijk. En hij kan niet wachten om interessant te gaan doen met zijn visitekaartjes op dat ‘Kijk-mij-eens-interessant-zijn-borrelplein’ waar iedere donderdag gelijkgestemde zielen elkaar vinden en zich vol gieten met bier.

Met andere woorden, hij doet sinds dag 1 alsof hij erbij hoort.

Noem het een stom principe, maar ik vind dat je 'erbij horen' moet verdienen. Of ben ik gewoon jaloers?