Ik ben verslaafd

Ik kan mezelf motiveren en dwingen tot van alles. Ik heb best een stevige ruggengraat.

Van het met heel veel tegenzin halen van mijn rijbewijs tot het afronden van mijn master nadat ik geen studiepunten voor mijn stage kreeg. Van feestjes afzeggen en ’s avonds doorwerken voor een deadline tot iedere dag een kwartier talen oefenen op Duolingo.

Als puber kreeg ik regelmatig de vraag of ik een trekje van dit of een slokje van dat wilde. Meestal zei ik nee, ook als ik dan als ongezellig of flauw werd bestempeld.

Vorige week, in dat prachtige park in Garderen waar de zon verleidelijk door de ramen scheen en de vogeltjes floten, stond ik iedere ochtend vroeg op en werkte ik heel efficiënt. Ik mocht niet naar buiten voordat er minstens één verhaal af was. Niets mis dus met mijn zelfbeheersing en discipline, zou je zeggen.

Iets met eten en bewegen?

Iedere werkdag begin ik met een wandeling. Ook als het nog donker is. Of regent. En ieder weekend sleep ik mezelf naar de sportschool, hoe dodelijk saai ik fitness ook vind. Bonuspunten voor mijn ruggengraat.

Ik ontbijt gezond en kook bijna iedere dag vers. Geen pakjes, zakjes en potjes. Veel verse groenten. Veel volkoren producten. Veel salades. Weinig vlees. Op vrijdag verse vis. En ook als de leuke jongen uit de trein kookt, zit het vaak barstensvol groenten.

Dus dat enorme gewicht dat ik meezeul en waar ik steeds meer de pest aan heb?

Dat komt van dat koekje (of minstens vier) bij de koffie. Van dat croissantje met de dikke laag jam op zondagmorgen. Van het stuk chocolade na het avondeten. Van de zakken chips en de pilsjes in het weekend. Van er staat altijd wel iets lekkers op tafel op mijn werkplek.

Mijn ruggengraat op dit gebied? Ondergesneeuwd. Onvindbaar. Onbestaand.

Waar ik op allerlei gebieden totaal niet verslavingsgevoelig ben of in ieder geval zonder afkickverschijnselen iets achterwege kan laten… Waar ik op allerlei gebieden gemakkelijk nee zeg tegen iets, of ja tegen iets anders, ook bij groepsdruk… Staat één ding vast:

Ik ben verslaafd aan suiker.

En dan zit je op Internationale Vrouwendag naast een vrouwenhater met een poetstic

Voordat iemand denkt dat ik een negatieve zeurkous ben die alleen de vervelende dingen onthoudt: onze vakantie in Finland was fantastisch. FANTASTISCH! We sliepen op een prachtige plek met een heuvelachtig bos aan de ene kant en een grotendeels bevroren rivier aan de andere kant. Een plek waar de sneeuw maagdelijk wit bleef. We sliepen ook nog eens in hele fijne bedden. We hadden onwijs geluk met het weer. Iedere dag zon, behalve op de vertrekdag. We zagen twee avonden achter elkaar het noorderlicht. We aten goed. We hadden leuk contact met het personeel. We leerden ook nog eens van alles, in het museum en van de gidsen. Huskies, rendieren, sneeuwscooters (met de leuke jongen als chauffeur). Alleen maar genieten! Ik ga nog heel vaak met een grote glimlach aan deze vakantie terugdenken. Finland is een land naar mijn hart. Waar ze dol zijn op drop en waar ze straffe koffie drinken.

En toch deel ik ook dit:

“That’s the problem. Women who don’t accept help are the problem. You are the problem. Women who say they don’t need help ruin society. They have to die. I’ll be happy to exterminate those women.”

De man naast mij in het vliegtuig gaat door het lint als ik zeg dat ik zelf mijn vliegtuigtafeltje wel omhoog kan doen. Het is Internationale Vrouwendag en hij verkondigt steeds luider dat zelfstandige vrouwen dood moeten. We moeten de maatschappij aan mannen overlaten.

Ik duw hem opzij, want zijn vieze mond is veel te dicht bij mijn oor en wat hij zegt maakt me boos. Dan flipt hij helemaal. Hij schreeuwt dat ik hem mishandel. Dat hij bij aankomst de politie inschakelt als ik niet direct 100 euro boete betaal. Anders kom ik in de gevangenis, want de politie gaat zijn klacht zeker serieus nemen. Als ik niet reageer, zegt hij dat mijn ‘boete’ inmiddels is opgelopen tot 250 euro. Ik mag niet meer met mijn elleboog aan zijn kant van de leuning komen, “want anders…”

Hij roept de stewardess erbij. Wat hij in het Fins tegen haar roept, kan ik natuurlijk niet verstaan. Hij wijst ondertussen heftig op mij. Hij bereikt niet wat hij wil bereiken, want de stewardess spreekt me bezorgd aan. Vraagt of ik me nog wel veilig voel en of ik aangifte wil doen. Vraagt of ik business class wil gaan zitten. Ik wijs naar de lege stoel voor de gestoorde man en zeg dat het ook prima is als ik daar mag gaan zitten.

Dus ik verhuis. Maar krijg geen rust. Als een bezetene begint hij met alcoholdoekjes de achterkant van mijn stoel te poetsen. Dan begint hij met nieuwe doekjes aan de stoel waar ik eerst zat. Het meisje dat naast me zit, schrikt. Haar rugleuning gaat heftig heen en weer. Ze durft de gestoorde man niet aan te spreken. Hij gebiedt ondertussen de leuke jongen uit de trein onze “trash” die aan de leuning hangt, weg te gooien. De leuke jongen uit de trein zegt dat het geen afval is maar een tasje met eten en dat het blijft hangen waar het hangt. En zegt dat de man moet stoppen met het schoonmaken van de stoel die niet eens van hem is.

De stewardess ziet dat het uit de hand dreigt te lopen en brengt ons allebei met onze bagage naar de business class. Ondertussen blijft ze sorry zeggen en dat ze het zo vervelend voor me vindt.

In de business class gaat mijn hartslag langzaam omlaag. Ondanks dat daar de mensen ook niet helemaal normaal zijn.

“You’re going to sit here? I’ve paid for that chair to stay empty.

Oké, ik ga niet naast die man aan het raam zitten met twee lege stoelen naast hem, maar laat een plek vrij. De leuke jongen uit de trein gaat naar een andere rij. De man, die verder heel vriendelijk is, vertelt dat hij van Amsterdam via Helsinki naar Malaga vliegt om de volgende dag weer terug te vliegen naar Helsinki. Hij gaat niets doen in Malaga, alleen eten en slapen. Maar hij “moet” vliegen om zijn vliegvoordelen te behouden. Hij verheugt zich erop om morgen weer in Helsinki te zijn, waar hij dan in een hotel met een sauna overnacht. Met open mond kijk ik hem aan. Vliegen om het vliegen?

De leuke jongen uit de trein bestelt een koffie. Ik een cola. Te goed opgevoed om voor de champagne te gaan. De stewardess komt nog eens sorry zeggen en biedt een gebakje en een chocolaatje aan. De rest van de reis verloopt rustig. Maar ik haal pas echt opgelucht adem als ik het vliegtuig uit ben.

Het glas bier dat we op het vliegveld in Helsinki drinken kost 14 euro en is iedere cent waard. Het smaakt hemels.

De volgende vlucht is een eitje.

Kluns is mijn tweede naam

Soms gebeurt er een paar dagen niets. Soms is het dagen achterelkaar bonanza. En ja, het is weer eens zo ver.

Van diep in mijn duim snijden in plaats van in de kaas.
Van alweer mijn telefoon kwijt: “kun je me even bellen?”
Van pas op de klok kijken als ik eigenlijk al vertrokken had moeten zijn.
Van op mijn fiets stappen, van de trapper afglijden en omvallen tegen de ijzeren tuinpoort van de buurvrouw.

En vanmorgen, als beschimmelde kers op de taart, sloot ik mezelf buiten. Zonder telefoon. Zonder jas. Zonder portemonnee en rijbewijs. Wel met autosleutels, want ik ging even iets in de auto leggen.

Dus reed ik op hoop van zegen naar mijn schoonouders. Gelukkig waren ze thuis. Ik haastte me met de reservesleutel als een idioot terug naar huis. Ging door de voordeur naar binnen en meteen door de achterdeur weer naar buiten. Hop op de fiets (nu zonder te vallen). En gelukkig haalde ik de trein en was ik op tijd bij mijn interview in Roermond.

Geen ontbijt. Geen koffie. Geen krant. Geen tijd.

Er zijn ergere dingen. Maar serieus, hoe krijg ik het toch altijd voor elkaar?

Vriendin M, die zichzelf een hersenschudding stootte tegen het plafond in de trein, appte iets moois: “Eigenlijk zijn wij klunzen juist extra stoer en dapper, dat we ondanks onze uitdagingen toch alles doen, alsof we geen risico voor onszelf en anderen vormen.”

Amen!

Klunzigheid is de rode draad door mijn leven. En dat gaat al heel ver terug. Lees dit bericht maar, of dit verhaaltje met de titel ‘onhandig’, of wat dacht je van van deze korte blog vol ergernis uit 2009 (!).

Omslagpunt

Vierenveertig min tweeëntwintig
De helft van mijn leven
Je was er, vanzelfsprekend
Ik nam je voor lief
Tot later als ik groot was
En feesten niet meer zo belangrijk

Dit weekend niet naar huis
Misschien volgend weekend
Gelukkig dat ik er was
Dat weekend voor je stierf
Op een maandag, net als vandaag
Wat was je blij dat we er waren

Maar ik vertrok op zondagochtend
“Gaan jullie nu al?”
Mijn toenmalig lief
Vond dat hij weer lang genoeg
In Bunde was geweest
En ik ging mee

Slaafs als ik was (of gewoon zwaar onder de plak)
Bepaalde hij vaak wat ik deed
Terwijl jij me toch had geleerd
Dat voor jezelf opkomen mag
Dat ik zelf achter het stuur zit
Dat zo gehate stuur

Want rijden, was niet aan jou
En is niet aan mij besteed
Je kon onredelijk boos worden
Als je naar Frankrijk reed (of welke fijne vakantiebestemming dan ook)
En wij maakten te veel geluid
Op de achterbank

Ik zou er alles voor over hebben
Om je nog eens uit je slof te horen schieten

Bij daglicht waren we vrienden

Wat was je mooi, gastvrij en gezellig. Met je vakwerkhuizen, je kerken, je parken, je glazen hoogbouw, je knusse pleintjes met allemaal hun eigen kiosk en je brede rivier met de vele karakteristieke bruggen als verbinding tussen de boomrijke boulevards aan beide zijden.

Je betoverde me met je Palmengarten in herfstkleuren. Je schonk me straffe koffie. En je kerstmarkt kon ik goed hebben. Die was serieus mooi aangekleed en ruim opgezet. En bovendien een ideale plek om heerlijk te eten. Minder ongemakkelijk dan in je eentje in een restaurant.

In het donker vond ik je kil, onheilspellend en intimiderend. Ik voelde angst voor het duister en niet vanwege de monsters onder mijn bed of het tikkende takje tegen mijn slaapkamerraam.

Ik ben wel wat gewend. Een angsthaas kun je me niet noemen. In veel steden is de stationsomgeving een tikkeltje onaangenaam, zeker na zonsondergang. Maar Frankfurt spande de kroon. Nergens anders zag ik zo veel spuiten, slikken, snuiven, roken en drinken op zo’n kleine oppervlakte. Nergens zo veel bleke gezichten.

Aanstekers, lepels en aluminiumfolie.

De man die tussen twee containers zijn broek liet zakken om te poepen.

“Voel eens wat ik hier in mijn jas heb”, zei de jongen die ineens naast me opdook. Krassen in zijn gezicht, ogen diep in hun kassen. Met één hand kneep hij in iets in zijn jaszak. Ik wilde niet weten wat het was en keek snel de andere kant op. Hij bleef naast me lopen tot ik een hoek omsloeg. Hij kon op zoek naar een nieuw ‘slachtoffer’.

De stationsomgeving vermijden was geen optie, mijn hotel lag er vlakbij. Alleen bij daglicht naar buiten gaan, schoot ook niet op. Om half zes was het al donker.

Het enige voordeel van nachtelijk Frankfurt? De magisch mooi verlichte kantoortorens. Als bakens. Ze wezen mij als geografisch gehandicapte uitstekend de weg. Google Maps kon ik meestal in mijn zak laten.

Alleen reizen, begin er (niet) aan!

Ik neem de bus naar Aken, want dat prestigeproject dat drielandentrein heet, rijdt sowieso niet als je het nodig hebt. De bus doet er een stuk langer over dan aangekondigd op 9292. Gelukkig heb ik ruim gepland (niet mijn specialiteit) en maak ik me niet echt zorgen dat ik de trein ga missen. Oh gelukzalige onwetendheid.

Bij het station stap ik uit de bus. Er hangt een gespannen sfeer. Politie bij de bushaltes en bij alle stationsingangen. Geen ‘losse’ agenten, maar allemaal in groepjes van drie of meer. In het station heerst chaos. Veel treinen rijden niet vanwege een ontsporing van een goederentrein. Dat van die ontsporing weet ik op dat moment nog niet, maar dat het ellende op het spoor is, is direct duidelijk.

Uiteindelijk lukt het me om in mijn beste Duits te achterhalen hoe ik nu in Keulen en uiteindelijk in Frankfurt moet komen. “Je moet in één van die grijze bussen die nu aan de overkant van de straat staat”, vertelt de medewerker van Deutsche Bahn. “Maar je moet wachten tot die bussen zijn gekeerd. En dat is ongeveer over een half uur.” Terwijl ik op de grijze bussen wacht, trekt een hele groep zingende voetbalsupporters over het plein. Dat verklaart de hoeveelheid agenten.

De bus is relatief luxe, maar wordt wel helemaal vol gestopt. De buschauffeur is streng. Koffers moeten beneden in het ruim. We moeten onze riem vastmaken. We moeten bij aankomst blijven zitten tot hij zegt dat we op mogen staan. De man naast mij valt met wijd open mond in slaap. In de bus maak ik me zorgen. Kan ik met mijn ICE-ticket straks in Keulen in een andere trein stappen? Of moet ik een nieuw ticket kopen en is het jammer van het eerder betaalde bedrag? En hoe laat kom ik in vredesnaam in Frankfurt aan? Ik moet er voor 19 uur zijn. Ik heb mijn hotelkamer niet vooraf betaald en ze garanderen maar tot 19 uur dat ze de kamer voor me vasthouden.

Na ongeveer een kwartier rijden we langs de plek die de oorzaak is van de ellende. De buschauffeur vertelt dat we naar rechts moeten kijken. Ik zie ontspoorde wagons, een hijskraan en heel veel mensen in fluor oranje.

Op het station in Keulen is het eveneens totale chaos. Ook hier een gespannen sfeer. Veel mensen kijken fronsend naar de borden, waarop vooral veel vertragingen staan. Bij alle informatieloketten staan lange rijen. Maar wat me het meest aangrijpt, is de enorme hoeveelheid daklozen in het station. Misschien gebruikelijk als het buiten zo ontzettend koud is als vandaag, maar ik herinner me dit niet van toen ik een tijdje geleden met een vriendin in Keulen was.

Er liggen mensen op stoelen, er liggen mensen tegen de muren. Verschillende mensen graven in de prullenbakken naar statiegeldflesjes en etensresten. Ik probeer mijn neus niet op te halen, want dat zou niet erg respectvol zijn. Maar mijn hemel wat hangt er een penetrante geur. Ik wil zo snel mogelijk naar één van de platforms, maar dan moet ik eerst weten vanaf welk spoor mijn trein gaat.

Het duurt lang voordat ik op de steeds verspringende borden ontcijfer hoe laat en waar de volgende ICE naar Frankfurt vertrekt. Na lang wachten beantwoordt een medewerker van Deutsche Bahn mijn prangende vraag. Met het ticket dat ik heb, mag ik ook in een andere trein stappen. Die over drie kwartier komt, als de vertraging van nu al een kwartier tenminste niet verder oploopt. Natuurlijk blijk ik bij het eerste klas gedeelte te staan en moet ik een heel stuk teruglopen om bij de tweede klas in te stappen. Op wonderbaarlijke wijze vind ik nog een zitplek.

Tegen de tijd dat ik eindelijk in Frankfurt aankom, is het donker en nog een paar graden kouder. Ik heb honger en moet plassen. Snel op zoek naar het hotel. Gelukkig is het nog ruim voor 19 uur. Net als in bijna alle steden is de directe omgeving van het station niet de beste plek om te zijn, zeker niet na zonsondergang. Waar worden toch iedere keer die blikken jonge hangmannen opengetrokken? Een man wil mij aanspreken. Ik vertrouw hem niet en versnel mijn pas zo veel als mijn volle blaas dat toelaat. Gelukkig komt hij me niet achterna.

Eenmaal op de wc van mijn hotelkamer kan ik eindelijk ontspannen.

Voor de zoveelste keer vraag ik me af wat er ook alweer leuk is aan alleen op reis gaan.

Dat antwoord komt de volgende ochtend. Ik kijk uit mijn hotelraam en zie een prachtige oranje lucht. De zon komt op tussen de imponerende hoogbouw van de stad. Om half 9 ben ik buiten. Ik maak een mooie wandeling door verrassend groene wijken en door parken waar fanatiek wordt gesport.

Op een bankje in de zon kijk ik naar een jongen die zijn worpen op de basket probeert te perfectioneren. Daarna trekt een klein jongetje mijn aandacht. Hij klimt op een hufter proof crosstrainer (toepasselijk op zondag als ik normaal zelf ook altijd ga fitnessen). Hij komt met zijn handen nauwelijks bij de handvatten en als hij zijn voeten in beweging zet, belandt hij bijna in een split (of is het een spagaat?). Maar een lol dat hij heeft!

Aan het eind van de ochtend drink ik goede koffie in een leuk zaakje waar ik uiteindelijk ook lunch. Ik heb mijn boek en mijn laptop bij me. Ik lees een beetje, werk een beetje en observeer de mensen die in en uitgaan. Hier zitten toeristen en locals. Ik vang leuke gesprekken op. Het is fijn om meerdere talen te verstaan en lekker te luistervinken. Na een paar uur ga ik weer aan de wandel. Ik maak een tussenstop bij de supermarkt. Alleen lunchen was prima, maar ik voel me nog niet zeker genoeg om alleen op restaurant te gaan.

In mijn hotelkamer werk ik nog even verder terwijl buiten de zon uit en de lampen aangaan. Het eerste interview van de negen die ik in Frankfurt hoop uit te werken, is bijna klaar als ik aan deze blog begin. Het bureau in mijn hotelkamer is goedgekeurd.

Reizen is fijn. Samen reizen is fijn. Met een vriendin of met de leuke jongen uit de trein. De leuke jongen uit de trein en ik zijn er heel goed in samen (los van de weg naar de vakantie toe, die is minder aangenaam), vooral in stedentrips. In Brussel leven we allebei helemaal op, dat is echt onze tweede thuisstad. Ik hou extra veel van hem als hij op ons favoriete pleintje zit. Geen idee hoe dat psychologisch werkt. Ook in Zweden, Marokko en Canada waren we een prima team, om maar wat landen te noemen.

Afgelopen zomer in Rotterdam genoten we samen van precies dezelfde dingen. We hadden een toptijd. Met onze handjes Ghanees eten. Met chic bestek een 7-gangen-menu verorberen. Met onze neus in de zon naar dappere mensen kijken die in de Maas springen om te zwemmen.

Alleen reizen is fijn. Denken en doen lopen dan bijna gelijk. Denken ‘de zon schijnt, ik wil naar buiten’ en dan een kwartier later buiten staan. Ik hoef de douche niet af te drogen. Ik kan de boel de boel laten, want het boeit niet dat mijn koffer midden in de kamer staat en de kleren van de vorige dag op het bed liggen. Als ik weg ben, functioneer ik in een heel ander ritme dan thuis. Het lijkt alsof ik in een andere omgeving makkelijker opsta en makkelijker schrijf. Om de één of andere reden laat ik me minder afleiden dan thuis als ik in een hotelkamer of ‘vreemde’ koffietent aan het werk ben.

Het is natuurlijk pure luxe dat ik dit af en toe kan doen. Dat ik kan reizen. Samen en alleen.

Dat ik het kan combineren met mijn werk.

Ik duim wel alvast voor een iets soepelere terugweg…

(Schoon)familie, vrienden en je thuisvoelen

Er was eens…

Een tijd van gezamenlijke herfstvakanties in huisjes aan zee. Of met de bus naar Spanje. Van jaarlijkse familiedagen. Van de ene kerstdag met mama’s familie en de andere kerstdag met die van papa. Een tijd dat nichtjes ook vriendinnen waren. Van bij elkaar logeren en samen naar concerten gaan. Dansen op bruiloften. Verjaardagen en jubilea vieren met zijn allen.

In nood kan ik altijd bij mijn mama, zusje en broertje terecht. Ik weet dat ze van me houden en me nooit in de steek laten. En hopelijk weten ze dat ook van mij. We lijken veel op elkaar. Vaak meer dan we willen toegeven.

Verder heb ik nauwelijks nog contact met mijn familie. Aan mama’s kant en aan papa’s kant. Sommige mensen hebben op hun eigen manier laten weten geen behoefte meer te hebben aan contact. Met anderen is het ‘gewoon’ verwaterd. Gelukkig staat de jaarlijkse dameszitting met mijn oudste nicht nog als een huis. Het is wat het is. Ik heb daar inmiddels vrede mee. Denk ik. Dacht ik…

Want er zijn al die mensen die ik zelf koos.

De leuke jongen uit de trein en de allerleukste vrienden van de wereld zijn de rotsen in mijn branding, hoe zoet dat ook klinkt. Om hoogtepunten mee te vieren en om troost van te krijgen bij de dieptepunten. Ze staan me bij met praktische daden, zoals me van een station halen waarvandaan geen treinen meer vertrekken (dankjewel B!). Ze organiseren de jaarlijkse ‘sinterkerstborrel’ en zorgen ervoor dat niemand die datum vergeet (opnieuw dankjewel B!). Ze luisteren naar me als ik in de put zit. Ze sturen lieve appjes met hartjes. Komen langs met een fles wijn. Of lenen boeken uit waar ik onbedaarlijk om moet lachen (dankjewel M!).

We gunnen elkaar alles en feliciteren elkaar bij iedere stap. Sommige vrienden zie ik hooguit twee keer per jaar en toch weten we dat het goed zit. Ik zou onmiddellijk alles uit mijn handen laten vallen en naar de andere kant van het land rijden. En andersom.

En ik heb mijn schoonfamilie. Die koos ik niet. Maar vanaf dag één voelde ik me daar thuis. Pasen 2008. Aan de garnalencocktail met liefde gemaakt door mijn schoonmama. Terwijl ze zelf geen garnalen lust. Ik voelde al snel een soort onvoorwaardelijkheid. Het concept ‘voor wat, hoort wat’ kennen die mensen niet. Dat geldt voor de hele familie aan mijn schoonmama’s kant. Je helpt elkaar waar je kan. Krijgt geen verwijten als je niet kan. En je gaat niet zitten turven of jij vaker iets hebt gedaan dan de ander.

Een potje extra koken van het een of het ander en dat even langs brengen. Muren schilderen, elektra aanleggen, bomen snoeien, dakgoten schoonmaken, verhuisdozen inpakken. Brengen en halen, maakt niet uit waar vandaan of waar naartoe. Noem het en er staat familie klaar. En soms krijg je al hulp voordat je erom kan vragen. Wekelijkse kaartavonden, jaarlijkse familiedagen, nichten en neven die niet alleen familie, maar ook vrienden van elkaar zijn.

Anderhalve week geleden overleed ‘ome M’. Als eerste van acht broers en zussen. De bourgondische en goedlachse oom die ik me vooral zal herinneren door zijn enthousiaste muzikale aanmoedigingen als ik meedeed aan Maastrichts Mooiste. In het crematorium huilde ik eerst en vooral om hem en de vrouw, broers, zussen, kinderen en kleinkinderen die hij achterlaat. Daarna huilde ik om de herinneringen aan die ene crematie, 22 jaar geleden. En tot slot huilde ik om het contrast. Om hoe het misschien in mijn familie nog had kunnen zijn. Namelijk zoals het was, toen mijn oma en mijn papa nog leefden.

Op de foto’s die bij de crematie voorbij kwamen van ver voor mijn tijd tot nu kon iedereen zien dat mijn schoonfamilie altijd al die onvoorwaardelijke zoete inval was. De manier waarop iedereen elkaar vastpakte. De mooie woorden over gezamenlijke activiteiten zoals kelders uitgraven en vijvers aanleggen. Er werd met zo veel warmte aan gebeurtenissen teruggedacht. Herinneringen aan samen keihard werken worden misschien wel meer gekoesterd dan herinneringen aan vakanties en uitstapjes. Dat zegt veel.

Ik wist het al, maar op deze dag van afscheid nemen kwam het extra hard binnen: in mijn schoonfamilie zijn mensen er voor elkaar. En dus ook voor mij, simpelweg omdat ik samen ben met ‘een van hen’.

Wat een geluk.

Vermist, kwijt, verstopt

Ik heb nauwelijks meer hoop. Maar aan het einde van de werkdag liggen ze ineens wel op de balie bij het zwembad: mijn jas en mijn sjaal.

Spullen kwijtraken is een van mijn slechte eigenschappen. Ik verlies al dingen zo lang ik me kan herinneren. De keren dat ik van de basisschool thuiskwam met nog maar één handschoen of zonder broodtrommel zijn niet te tellen. Op de middelbare school raakte ik vooral pennen en schriften kwijt. Mijn ouders werden er gek van. Soms werden ze boos (en dat snapte ik dan ook nog). Soms moest ik van mijn eigen geld nieuwe spullen kopen. Of dat hielp? Nee, geen zak.

Inmiddels ben ik 44. Verbetering? Noppes. Gisteren liet ik mijn jas en sjaal in het kleedhokje bij het zwembad hangen. Ik merk na het zwemmen dat die spullen dus niet in mijn kluisje liggen en ga zoeken. Ik maak alle kluisjes en kleedhokjes open. Geen jas. Ik ga naar de balie waar de gevonden voorwerpen liggen. Geen jas. Ik kijk bij de wasbakken en föhns. Geen jas. Ook al weet ik zeker dat ik mijn jas mee naar binnen nam, ik controleer voor de zekerheid mijn fietstas. Geen jas.

Eén meevaller: mijn sleutels en mijn telefoon zitten niet in mijn jas. Al helpt dat mijn humeur verder niet. Dus vertrek ik verdrietig naar een klant. Extra verdrietig dit keer omdat het een hele fijne jas is, gekregen van mijn lieve schoonmama.

Op de terugweg, rond 18.00 uur, besluit ik nog even langs het zwembad te rijden. Met weinig hoop, ik heb immers overal gekeken.

Ik loop door de schuifdeur en zie ze meteen op de balie liggen: mijn jas en mijn sjaal.

Na 44 jaar snap ik nog steeds niet hoe ik het voor elkaar krijg. Meestal is kwijt ook echt kwijt. Dit keer word ik op wonderbaarlijke wijze herenigd met mijn bezittingen. Pjiew!

Kwijtraken en vergeten liggen dicht bij elkaar. Toch gaat het zakelijk gezien bijna nooit mis. Ik kom 99 van de 100 k eer op tijd bij afspraken en haal mijn deadlines. Maar vraag me niet waar mijn sleutels liggen. Ik moet dus wel eerder beginnen met me klaarmaken voor een afspraak dan een ‘normaal’ mens, omdat ik al weet dat ik iets moet gaan zoeken.

Ben jij team super georganiseerd en nooit iets kwijt? Of ben jij team chaos?

Mag ik je ogen lezen?

De leuke jongen uit de trein staat al een eeuwigheid in de Duitse supermarkt. En gelijk heeft hij. Hij kan niet kiezen uit de bijzondere smaakjes Schweppes die we in Nederland niet hebben. Ik sta buiten de winkel, bij de speeltoestellen in het sfeerloze overdekte winkelcentrum in Aken. (Hoe mooi een stad ook is, winkelcentra, brrrrr). Aan mijn voeten een tas vol tandpasta, bodylotion en andere belachelijk goedkope producten uit de DM. Lang leve wonen in de grensregio en voordelig inkopen doen.

Met ferme pas komt ze op me af. Ik wil niet denken wat ik denk, maar doe dat toch. Ik voel wantrouwen. Ze is klein en heeft lang, donker haar. Ze draagt een strakke jurk en goudkleurige sieraden. Haar uiterlijk doet me denken aan de vrouwen in Brussel die bedelen met een gedrogeerd kind op schoot. Aan de meisjes die me in Barcelona probeerden wijs te maken dat ik mijn ring had laten vallen in de hoop dat ik me zou bukken en zij mijn zakken konden rollen. Ik wil dit niet denken. Ik wil mensen niet op basis van hun uiterlijk in een hokje zetten. Maar het is bizar hoe mijn hoofd soms werkt.

Ze staat voor me en kijkt me aan. Een vriendelijke blik. Maar ik ben nog steeds op mijn hoede.

“Mag ik je ogen lezen?”

Ik stamel in mijn beste Duits dat dat niet hoeft en dat ik waarschijnlijk toch niet alles ga begrijpen wat ze zegt.

“Ik wil je toch wat zeggen. Het is positief. Je bent een krachtige vrouw.”

“Dankjewel”, zeg ik. En speur over haar heen de winkel in om te kijken waar de leuke jongen blijft.

“Jij bent iemand die heel goed aanvoelt of mensen deugen of dat ze slecht zijn. Je bent sterk. Maar de laatste twee jaar gaat het zozo.”

De laatste zin onderstreept ze door een golfbeweging te maken met haar hand.

Ze geeft me nog een compliment voor de kleurrijke rok die ik aanheb en loopt weg.

Niets aan de hand dus. Wantrouwen voor niets. Dus ik vraag me af of ze gelijk heeft. Zo goed voel ik mensen blijkbaar niet aan. En wat was twee jaar geleden dan de aanleiding voor ‘zozo’?