Ontslagen

Het geld was op.
Of het werk.
Of allebei.

Ik vertrok.
Voor een studie.
Of een andere baan.

Zo was het en niet anders.

Tot deze week een e-mail binnenkwam met als onderwerp ‘einde samenwerking’. Helemaal onverwachts kwam die e-mail niet. Ik merkte al een tijdje dat zij niet tevreden was over mij. Een goede reden om iemand anders te zoeken waarmee de samenwerking soepeler verloopt. Het project heeft potentieel en ik hoop oprecht dat het een succes wordt. Voor iedereen die er veel meer tijd insteekt dan dat er aan inkomsten tegenover staat.

Dat neemt niet weg dat mijn ego een deuk op liep.
Ik ben voor het eerst in mijn leven ontslagen.

Arm Nederland

Wanneer werd Nederland zo bekrompen en egoïstisch als het nu is? Er vanuit gaande dat de berichtgeving in NRC Next en De Standaard accuraat is, zijn zo’n 2,3 miljoen Syriërs het geweld in hun land ontvlucht. 6,5 miljoen mensen hebben hun huis verlaten om in het verscheurde land zelf, bij familie of in verlaten scholen en hotels onderdak te zoeken. Zij hebben inmiddels iets minder kans om met gifgas bestookt te worden, maar krijgen daarvoor in de plaats ‘gewoon’ bommen op hun hoofd. En wat doet Nederland? Nederland neemt 250 vluchtelingen op. Nou, nou.

Voor de Filipijnen waren we ook al zo genereus. Maar liefst 2 hulpvluchten stuurden we naar het door orkaan Haiyan getroffen land. Niet dat we het binnen onze eigen grenzen zoveel beter doen. Er wordt op van alles en nog wat bezuinigd. Steeds meer Nederlanders worden met armoede geconfronteerd en zijn aangewezen op voedselbanken. Ondertussen bestellen we 37 Joint Strike Fighters. Een kwestie van prioriteiten stellen? Hoe rijker een samenleving, hoe minder ze geneigd is de armen te helpen?

Oh jawel, er zijn veel Nederlanders die een duit in het goede-doelen-zakje doen, zeker nu met Serious Request, want daar krijgen we een spectaculair evenement voor terug. En we zijn er blijkbaar niet bang voor dat die zielige Afrikaanse kindertjes, zoals we ze liefkozend noemen, massaal bij ons op de stoep staan als ze ineens niet meer doodgaan aan diarree. (Nog zoiets, waarom geven we elk land een naam, maar zien we Afrika alleen als continent? Aaargh.) En ondertussen opent het radionieuws met het item dat Onno Hoes burgemeester van Maastricht mag blijven. Lekker belangrijk.

Groentje

De grappigste en de kortste “gesprekken” heb ik ter hoogte van de drugsbootjes, om de hoek van ons huis. Ze variëren meestal van een eenzijdig “ksst, kssst” tot het iets uitgebreidere “hee meisje, mag ik met je mee?” waarop ik meestal “nee, bedankt” antwoord. Als ze me achterna beginnen te lopen, sla ik mijn eigen zijstraat over en maak ik een ommetje. Echt bang ben ik nooit. Echt grof zijn ze gelukkig ook nooit. Maar leuk is anders.

Soms komen ze ineens origineel uit de hoek, de mannen in hun leren jasjes, met hun voorraadjes wiet in hun binnenzakken en de rolletjes bankbiljetten in hun broek. Diep weggedoken in mijn groene jas, probeerde ik zo snel mogelijk thuis te komen. Vanuit een portiek sprong één van de opdonders voor mijn neus: “Hee groentje, mag ik je versieren?”

Gezelligheid en de kerstperiode

DSCN1288
Wie mij kent, weet dat ik nooit een groot liefhebber geweest ben van de kerstperiode. Kort samengevat betekent de donkere periode voor kerst: te veel mensen in de stad, te veel verplichtingen, te veel flikkerende lichtjes, te veel koebellen in te veel slechte meezingers, te veel eten en te weinig tijd.

Vooral het fenomeen kerstmarkt zal ik nooit begrijpen. En dan specifiek het gebeuren dat al onder vele namen bekend stond en onder even zo veel namen failliet ging: Magisch Maastricht. In de dicht op elkaar geplakte houten stalletjes verkopen niet al te vrolijke handelaren al zwetend en wel producten die aan enkele vaste criteria voldoen: nutteloos, lelijk, duur en met een hoog blingbling-gehalte. Hordes mensen houden zichzelf op de been met glühwein die zo zoet is dat je tanden aan het plastic bekertje plakken. Op de waterige ijsbaan proberen onhandige pubers elkaar te versieren. Uit de boxen klinkt het metalen geluid van de grootste kersthits.

Sommige mensen noemen dat gezellig. Begrijp me niet verkeerd: ik ben een groot voorstander van gezelligheid. Alleen is mijn definitie van gezelligheid nét even anders.

Gezellig is: op zondagmiddag borrelen met vrienden, kletsen over van alles en nog wat, en de plannen voor de rest van de avond in de soep laten lopen.
Gezellig is: met een goed boek op de bank liggen terwijl de kaarsjes vrolijk branden en de pot karamel-vanillethee binnen handbereik staat.
Gezellig is: samen met de leuke jongen uit de trein naar het theater, de bioscoop of de kroeg.

Gezellig is niet: jezelf een weg banen tussen koopjesjagende toeristen en bedwelmd raken door de dikke lucht van glühwein, braadworst en reibekuchen terwijl een sneeuwkanon witte rotzooi uitbraakt en er overal waar je kijkt rode, groene en gouden lichtjes manisch flikkeren.

Maar goed, kerstmarkten zijn nog enigszins te vermijden. De kerst zelf daarentegen…

Beelden en woorden en tranen met tuiten

Ik ben totaal niet visueel ingesteld. Zie niet direct plaatjes in mijn hoofd bij wat anderen beschrijven. Beelden bedriegen me vaak. Ik raak overal de weg kwijt en heb 0,0 ruimtelijk inzicht. Al duizend keer heb ik gezien hoe de leuke jongen uit de trein de vaatwasser inricht, toch lukt me nooit om vier pannen, zes borden en een bestekbak in de onderste verdieping te metselen. Ik ben schromelijk jaloers op vormgevers en fotografen. Zelf heb ik nog nooit een originele foto gemaakt, tenzij per ongeluk. Toch zegt een beeld me vaak meer dan 1000 woorden, zoals het bekende gezegde luidt.

Maar het zijn vaker woorden die me aan het huilen maken dan plaatjes. Er is een lied waarbij ik niet veel beelden heb. Ik zie de vrouwelijke hoofdpersoon niet voor me en heb slechts een vaag beeld van haar woonkamer (om de één of andere reden moet ik aan de woonkamer van mijn oma denken). Toch moet ik altijd huilen als ik naar de tekst luister van ‘Wenn sie diesen Tango hört’. En dan vooral dit stukje:

Die [Kinder] sollten´s später besser haben,
deshalb packte sie fleißig mit an.
So blieb ihr oft zu wenig Zeit
für sich und ihren Mann.
Ein ganzes Leben lang zusammen,
gelitten, geschuftet, gespart.
Jetzt wär´ doch endlich Zeit für mehr,
jetzt ist er nicht mehr da.

Tranen met tuiten. Altijd. Omdat ik weet dat je niet moet wachten tot je pensioen om je dromen te volgen. Omdat ik weet hoe zinloos het is om te sparen, als er geen tijd meer is om uit te geven. Omdat mijn papa die reis door China nooit maakte, dat boek nooit schreef, dat toneelstuk nooit regisseerde. Omdat er nog zo veel campings waren waar mijn papa en mama hun vouwwagen niet samen opzetten en zo veel wandelroutes die ze niet samen verkenden.

Maar ik moet vooral huilen omdat ikzelf en een groot deel van mijn vrienden precies hetzelfde doen. Wachten met onze dromen tot we er tijd voor hebben. Tot het zo ver is, houden we ons bezig met keihard werken. Studeren om hogerop te komen. Solliciteren om hogerop te komen. Studieschulden aflossen. Sparen voor later. Elke dag een dag dichterbij te laat. Het eerste slachtoffer met het predicaat overspannen is in mijn vriendenkring inmiddels gevallen.

Die reis door West-Afrika ligt stof te vergaren op een plankje ergens in mijn achterhoofd, net als de blogs die ik schreef in mijn tijd bij het ‘aparte’ reclamebureau en die ik zou bundelen en uitgeven. De reis door China die ik in mijn papa’s plaats zo graag wil maken, is weggemoffeld op datzelfde plankje, onderaan de stapel.

Om met Ozzy Osbourne te spreken:

I’m just a dreamer
I dream my life away
I’m just a dreamer
Who dreams of better days

Bij die tekst zie ik gek genoeg wel een beeld voor me. Ik ben 17. Ik zit in de vensterbank op mijn oude kamer. Mijn benen bungelen uit het raam. Op mijn bureau liggen de boeken waarvan de inhoud tot me door moet dringen vóór het eindexamen over een paar dagen. Ik staar in de verte. Naar het kanaal en verder. Ik droom over later.

Indrukwekkende scène in een “levensgevaarlijk” theater

Met een bus werden we afgeleverd bij het nieuwe theater in Luik. Beter gezegd, we werden uit de bus gezet op een plek waar geen normaal mens zou stoppen. De ene bus stond schuin op een doorgaande weg en blokkeerde anderhalve rijbaan, de andere chauffeur parkeerde zijn voertuig op een oprit naar de snelweg, waar hij ook nog eerst een stukje achteruit reed. Zo’n 80 grijze, keurig gekapte hoofden stapten uit op de middenberm, een jong koppel categorie rode broek en bootschoenen, en wij.

We kregen een rondleiding door het prachtige theater. Vooral het kijkje achter de schermen, in het naaiatelier en bij de kostuumopslag, maakte indruk. Het was allemaal nogal chaotisch met warrige rijen en wachten op gidsen, maar daar konden we wel om lachen. Het was tenslotte de opening en Belgische chaos heeft iets charmants, vinden wij.

Daarna was het tijd voor Romeo et/en Juliette van William Shakespeare waarbij de rollen dit keer waren verdeeld tussen Vlaamse en Franstalige acteurs. De Capulets speelden in het Nederlands, de Montaigus in het Frans. De familie van Juliette hanteerde onderling een spontane, directe soms tamelijk grove spreektaal (Juliette werd door haar vader uitvoerig voor hoer uitgemaakt). Romeo’s familieleden spraken eerder wollig en afstandelijk met elkaar. Ik dacht dat mijn kennis van het Frans best goed was, maar zonder boventitels zou ik er weinig van begrepen hebben. Gelukkig vonden mijn hersens snel een manier om tegelijkertijd de boventitels te lezen en naar het spel en het fantastische decor te kijken.

Vanuit mijn ooghoek kon ik nog net zien dat de ‘dame’ van twee stoeltjes voor ons onrustig om zich heen keek en met haar ogen rolde. Ze droeg een blauw mantelpakje. Parels in haar oren. Een sjaaltje. Haar goed verzorgde grijze haar had die ochtend nog onder een droogkap gezeten. In de pauze zag ze haar kans schoon. Ze wilde zich langs het koord wringen waarachter iedereen keurig stond te wachten op koffie en een wafel, maar de theatermedewerker liet haar niet binnen als ze haar kaartjes niet toonde. Daardoor werd ze nog woester dan ze -afgaand op haar rode wangen en grimmige blik- al was. Haar man, in een keurig pak waarbij zijn warrige kapsel met kale middenplek vreemd afstak, trok ze achter zich aan.

Ze moest onmiddellijk de verantwoordelijken spreken. Ze gebruikte grote woorden als ‘absoluut onverantwoord’, ‘schandalig’, ‘onvoorstelbaar’ en ‘levensgevaarlijk’. Haar man knikte mee op de maat van haar verbale uitspattingen, die ze eindigde met de woorden: “Als ik dit van te voren had geweten, zou ik niet mee zijn gegaan.” De Blauwe Feeks had geconcludeerd dat niemand het theater veilig zou kunnen verlaten als er brand en/of paniek zou uitbreken en daar kon ze naar eigen zeggen niet mee leven.

Toch zat ze na de pauze weer gewoon op haar stoeltje.

P.S. Dé ontdekking van de dag: naast het theater zit een Libanees restaurant. Mijn lievelings!

De Libanees in Torremolinos

Bij de Libanees in Torremolinos

Het is weer voorbij die mooie zomer

Over “goede” timing gesproken. Vanaf het moment dat de leuke jongen uit de trein vakantie had en ikzelf twee weken callcentervrij, hangt er een speciaal soort kou in de lucht die ik al een paar maanden niet meer heb gevoeld. Die kilte wordt ook wel ‘herfst’ genoemd. Van de weeromstuit springt er om het uur kippenvel op mijn armen. Ik heb weerstand geboden door zonder jas naar buiten te gaan. Op slippers zelfs. Ik ben een zomerkind.

Vanmorgen heb ik mijn verzet tegen de herfst opgegeven. Ik dook in mijn kast en vond mijn fluffie zwarte huisbroek achter de stapel kleurrijke zomershirtjes. Vanaf nu laat ik de herfst binnen door grote potten thee te zetten, stamppotten te koken, kaarsen aan te steken en onder een fleecedekentje te kruipen. Voor ik naar buiten ga, wikkel ik mezelf in een lekker lange sjaal. Ik kan weer wollige maillots aan onder mijn rokjes, waarmee het zomerse probleem van tegen elkaar klotsende blote bovenbenen meteen is opgelost. En als kers op de taart: ik mag weer laarzen aan 🙂

Wat de zomer van 2013 betreft, gelukkig hebben we de foto’s nog:

DSCN1727DSCN1783DSCN1716DSCN1780

Onbegrijpelijk Brussel

Brussel. Een stad waar ik van houd zonder dat ik begrijp waarom.

De dichtgetimmerde ramen, de zwervers, de kapotte stoepen en het royaal rondgestrooide afval; ze doen pijn aan mijn ogen. Pas bij goed kijken, vallen de dikke houten deuren op, de ornamenten aan de oude geveltjes, de verscholen groene tuintjes en balkonnetjes. De geur van urine en zweet overstemt op veel plaatsen die van verse wafels en oosterse specerijen. Maar toch, als ik langer dan 3 maanden niet in de Belgische hoofdstad geweest ben, begint het te kriebelen. De plekken die ik het hardste mis, zijn de plekken waar nog nooit iemand van het woord ‘klantvriendelijk’ heeft gehoord.

Bij Café de Walvis met zijn zenuwachtige jazzmuziek, witte Veddetjes van de tap, heerlijke maaltijdsoepjes en perfect uitzicht, kun je naar de bediening zwaaien tot je een ons weegt. Als je vervolgens aan de bar gaat bestellen, krijg je nog net niet te horen dat je niet zo ongeduldig moet zijn. De diepe zucht en rollende ogen maken dat ook wel zonder woorden duidelijk. We hebben er lang gezeten afgelopen weekend en zelfs nog een tweede Veddetje besteld.

Of neem Au Bon Bol. In dit onooglijke tentje wordt de lekkerste noodlesoep geserveerd van het noordelijk halfrond. Het is fascinerend om te zien hoe het kleine vrouwtje met de sterke bovenarmen die noodles vers staat te draaien. Maar veel korter af dan hier, kun je niet bediend worden. En de frisdrank komt in blik. We hebben er alweer heerlijk gegeten afgelopen weekend. En voor het eerst haalde ik de bodem van de kom!

Van de St. Gorikshallen met zijn prachtige interieur waar oude mannetjes schaak spelen en verliefde stelletjes op de banken zitten, is het algemeen bekend dat er binnen niet bediend wordt. De toiletten zijn er een beetje viezig en de toiletjuffrouw doet aan een boze heks uit een sprookje denken. Toch gaan we er altijd naartoe als we in Brussel zijn. Van de twee mensen achter de toog ging er 1 eten terwijl er nog 6 mensen stonden te wachten. Nummer 2 deed een poging het wereldrecord sloomheid te verbreken en kon niet meer dan 2 drankjes onthouden zonder opnieuw te vragen ‘wat het ook alweer moest zijn’. Na 15 minuten aan de toog en zelfs nog geen blik van deze jongeman was ik er klaar mee. Afgelopen weekend liep ik er voor het eerst onverrichter zake naar buiten. Zonder Brugs wit, huisgemaakte ijsthee of pecheresse.

En zo werd het de hoogste tijd om af te wijken van de geijkte paden. De ene aangename verrassing volgde de andere. De route van de Basiliek van Koekelberg terug naar het hotel bleek prachtig: door brede straten met statige herenhuizen en veel groen. Per ongeluk belandden we in de Kruidtuin, die op een steenworp afstand van het hotel bleek te liggen. Er stond nog veel in bloei en het gonsde er van de activiteit van hommels en vlinders. We sloten onze minivakantie af in een onopvallend cafeetje waar we neerstreken omdat we te vroeg waren voor de trein maar te laat om nog iets te gaan doen. De ontvangst was er allerhartelijkst en de prijzen laag. Als kers op de taart ontdekten we er een biersoort die meteen in onze ‘zomer-top-3’ terechtkwam.

Zou dat het zijn? Houd ik van Brussel vanwege het onverwachte? Vanwege de tegenstellingen? Of omdat ik er telkens iets nieuws ontdek?
Ik hoef het niet te begrijpen.
Ik moet telkens terug.

DSCN1282

Pssssst

Hoe hoger de temperaturen, hoe hitsiger de DrugsDealertjes om de hoek. Waar ze me in de winter vooral negeren zodra ze snappen dat ik geen potentiële klant ben, is het nu al een maand lang elke dag van ‘Psssst’.

Ik loop er niet schaarsgekleed bij, daar heb ik het figuur niet voor.
Ik ben niet uitbundig opgemaakt, daar heb ik het talent of het geduld niet voor.
En een elegant of uitdagend loopje heb ik ook al niet. Op slippers loop ik een beetje te sloffen en op hakken probeer ik vooral mijn evenwicht te bewaren en te overleven.

Dat maakt de PortiekPissers in mijn buurtje, die ook bij 30 graden nog opvallend vaak in het zwart gekleed zijn, allemaal niets uit. In de afgelopen dagen zijn alle clichés voorbij gekomen na het welbekende ‘Psssst’. Van ‘mooi meisje’ tot ‘lekker ding’, van ‘mag ik je nummer’ tot ‘zal ik even met je meelopen?’ Slechts één van de StoepStumpers gooide het afgelopen week over een andere boeg. Hij begon te klappen toen ik langsliep.

Ik houd van de zomer en ik houd van complimenten. Jammer dat die complimenten voornamelijk van GevelGroupies komen.

In hetzelfde schuitje

We zijn gezellig, spontaan en sympathiek  We hebben gestudeerd en een studieschuld opgebouwd. We hebben (bij)baantjes in de horeca, de productie en de verkoop afgewisseld met stages en échte banen, die nooit voor lang waren. We zijn de 30 inmiddels gepasseerd, een leeftijd waarvan we ‘vroeger’ dachten dat we tegen die tijd alles voor elkaar zouden hebben. We solliciteren ons suf, maar we zijn te duur en/of te oud en/of te hoog opgeleid. Voor simpele baantjes willen ze ons niet, omdat we de werkgever er niet van kunnen overtuigen dat we de functie echt willen. Voor ingewikkelde banen willen ze ons evenmin. Liever iemand die net is afgestudeerd met veel parate kennis, goedkoop en nog lekker kneedbaar.

We zitten met een man of vijf in hetzelfde schuitje. Op een schip dat maar niet wil zinken. Het callcenter. We draaien er steeds meer uren, omdat ons leven steeds duurder wordt. Maar hoe meer uren we er werken, hoe humeuriger we ervan worden. Elke keer dat de telefoon rinkelt, slaken we een zucht. Na elk afgehandeld telefoontje rollen we met onze ogen. We kijken elkaar aan met een hulpeloze blik als er weer iemand in ons oor tettert dat ze de + op haar telefoon niet kan vinden.

Vanmorgen zongen we met 3 tegelijk een klaagzang.
“Zo veel domheid.”
“Die mensen snappen er echt niets van.”
“Ik kan het niet meer aan.”
“Mijn hersencellen sterven af.”
“Ik heb zin om te gillen.”
“Ik moet hier echt weg.”
“Ik ga terug de horeca in.”

Toch blijven we. Zelfs in de horeca willen ze ons niet meer. En eigenlijk is het zo slecht nog niet in het callcenter. Een werkplek midden in de stad. Flexibele werktijden. Redelijke koffie. Gezellige, spontane en sympathieke mensen. Maar de vlaai van onze jonge collega’s die trakteren omdat ze vertrekken voor een stage of hun eerste echte baan smaakt bitterzoet.

S, veel succes op stage! Je hebt het goed gedaan als we je niet meer terugzien.