Is deze harder dan de vorige? Is dit meer een piep dan een reutel? Wordt het al minder? Is de toonsoort veranderd? Ontbrak er nu echt een ademhaling? Op mijn rug, starend naar het plafond, analyseer ik elke snurk.
Vermoeiend.
Is deze harder dan de vorige? Is dit meer een piep dan een reutel? Wordt het al minder? Is de toonsoort veranderd? Ontbrak er nu echt een ademhaling? Op mijn rug, starend naar het plafond, analyseer ik elke snurk.
Vermoeiend.
Vanavond zat ik met drie vriendinnen aan tafel die ik respectievelijk al 25, 21 en 10 jaar ken. We zaten in een gezellige kroeg met uitzicht op het water. We dronken koffie en aten chocolademousse. Het gesprek ging over ingrijpende veranderingen in onze eigen levens en die van dierbaren. We spraken over leuke dingen zoals nieuwe liefdes en kinderen die binnenkort ‘hallo wereld’ kunnen zeggen. Maar we spraken vooral over nare dingen zoals pijnlijke scheidingen, verkeerde keuzes, onhoudbaar struisvogelgedrag, en de afnemende gezondheid van onze ouders. Wijzelf en de mensen om ons heen staan voor ontelbare beslismomenten. Beslissingen die véél impact zullen hebben. Beslissingen waar in de meeste gevallen -ongewild maar onvermijdelijk- anderen de dupe van zullen zijn.
Een half leven geleden maakten we ons druk over welk jurkje we aan zouden trekken naar dansles. We werden boos op onze ouders, omdat we veel te vroeg thuis moesten zijn. We stresten voor onze eindexamens. We giechelden over leuke jongens. We bestelden zoete mixjes (bessen-jus, safari-jus, passoa-jus, of bij uitzondering rum-cola) en gingen daar nog harder van giechelen.
We dachten dat ons leven gecompliceerd was.
Wat waren we nog groen achter onze oren…
Proost, op de volgende 16 jaar!
En zo stond er ineens een jongetje van 3 voor mijn neus, dat van zijn ouders zijn excuses moest aanbieden.
Achter ons in de rij bij de incheckbalie van de vliegmaatschappij staat een grote, vrolijke, internationale familie. In het gezelschap wordt met drie verschillende kleuren paspoorten gezwaaid. De kinderen hebben de grootste lol, ze hebben hun zonnebril alvast opgezet en spelen tikkertje en verstoppertje tussen de koffers.
De leuke jongen uit de trein en ik lachen om de vrolijkheid van het bonte gezelschap, maar houden onze ogen vooral gericht op het kleurrijke figuur dat voor ons in de rij hangt. Hij neemt enkele vierkante meters vloeroppervlak in beslag. Hij zit temidden van al zijn slordig verspreide spullen, maar heeft enkel oog voor zijn laptop. Zijn kleding is een beetje viezig, net als de dreadlocks op zijn hoofd. Als er beweging in de rij komt, staat hij met tegenzin op, raapt wat spullen bij elkaar, en schopt zijn laptop vooruit. Om vervolgens weer ter aarde te storten. Als iemand van de vliegmaatschappij alvast de paspoorten wil controleren, kan hij die van hem niet vinden.
Gefascineerd door het schouwspel voor ons letten we niet op de kinderen achter ons. Ineens petsen twee kleine handjes tegen mijn billen.
Ik: “Huh?”
Moeder: “Dat mag niet!”
Vader: “Je zegt nu sorry tegen die mevrouw.”
Kind (met zijn hoofd naar de grond): “…”
Moeder: “Je hebt papa gehoord, zeg eens sorry tegen die mevrouw.”
Kind: “…”
Ik: “t Is al goed hoor.”
Leuke jongen uit de trein: “Van wie zou hij dat toch geleerd hebben?”
Vader (met een rood hoofd): “Ehm…”
Kind (fluisterend): “Sorry.”
Nu vraag ik mij al de hele tijd af hoe het kleine jongetje en zijn vader hun tijd in Spanje zijn doorgekomen. Honderden Spaanse en toeristische billen flaneerden er over de boulevards. De meeste Spanjaarden zijn maar klein, dus de billen bevonden zich over het algemeen op ooghoogte van het jongetje en waren bij voorkeur gehuld in (te) kleine, ultrakorte spijkerbroekjes…
Als ik over een kleur- en geurrijke markt struin of tapas eet op een terras met uitzicht op zee, ga ik dromen. Dromen van een leven in traagheid. Een buitenleven.
Ik droom dat ik gelukkiger zal zijn als ik vanachter mijn laptop uitkijk over olijfboomgaarden of zonnebloemvelden. Zittend in mijn tuin waar kruiden, fruit en groenten weelderig groeien, typ ik af en toe een column of een blog. Of misschien doe ik iets heel anders. Een kamer verhuren voor de inkomsten en verder een beetje tuinieren en boekjes lezen. Ik leef in elk geval een ‘basic’ leven, met weinig materiële behoeften. Blote voeten in het gras.
Mijn overvolle, onoverzichtelijke eet- annex schrijftafel van waarachter ik dit stukje typ, is er ver weg. Grijsheid en haast zijn nergens te bekennen. Nooit meer het geluid van die idiote verkeersregelaar met zijn snerpende fluit. Geen winters die zo lang duren dat je aan het eind van het seizoen soep kunt koken van je winterjas.
Over een dikke week is het zo ver, dan gaan we op vakantie. Als een naïeve dromer zal ik een week doorbrengen onder de zon. En dan huiswaarts keren. En weten dat het bij dromen blijft. En dat het goed is zo.
Ik beleef de laatste tijd meer lastige dagen dan me lief is. Dagen die bestaan uit: van hot naar her rennen, algehele moeheid, gebrek aan concentratie, dingen kwijtraken en mijn kop stoten (favoriete botsingen: mijn bovenbeen en de hoek van de salontafel, mijn tenen en de onderkant van de deur).
Die lastige dagen moeten eigenlijk gerelativeerd worden, want wie me lief is, is gezond. Maar relativeren is niet mijn sterkste kant en dat op zich is dan ook weer een reden om boos te worden op mezelf.
Binnenkort is het niet alleen volgens de kalender, maar ook in de praktijk lente. Dan wordt alles beter.
We kwamen er op de fiets, maar in een fietsenstalling was (uiteraard) niet voorzien. En daar stonden we dan, de leuke jongen uit de trein en ik.
Ik had mijn best gedaan. Een vrolijk jurkje, netjes tot aan de knie. Daaronder een glimmende, huidkleurige panty (met een beginnende ladder bij mijn dikke teen, onzichtbaar voor wie het niet wist). Pumps, oorbellen en armbandjes in dezelfde, bijpassende kleur. En een diadeem in mijn keurig gekamde en pas geverfde haar.
Toch ben ik nooit een vreemdere eend in de bijt geweest. Misschien viel niet zozeer mijn kleding op, als wel mijn grote ogen en mijn openvallende mond. De meeste andere bezoekers liepen er uiterst zelfverzekerd rond. Kin omhoog. Catalogus onder de in bont, tweed, of kant gestoken arm.
De Tefaf.
Prachtige dingen gezien. Blijkbaar overtuigend verliefd naar een ketting (of moet ik collier zeggen) gekeken. Want de verkoopster (of hoe moet ik haar noemen) ging meteen demonstreren dat dit witgouden exemplaar met kleine diamantjes in elkaar geritst kon worden tot een armband.
Maar bij elk nieuw kunstwerk ging ik me ongemakkelijker voelen. Zeker bij de kunstwerken waarop een stickertje kleefde: verkocht!
Van de bedragen die bij de Tefaf worden uitgegeven, kan het schoolgeld betaald worden van alle kinderen in een gemiddeld ontwikkelingsland. Om maar even iets belangrijks te noemen.
Bevoorrecht dat ik het een keer heb mogen meemaken. En absoluut het ongemak waard: weer een hele trits nieuwe linkedinvriendjes en hoogstwaarschijnlijk een paar nieuwe schrijfopdrachten.
Knettergek word ik ervan, het pure gebrek aan vooruitgang. Vooral als ik mezelf met mijn vrienden vergelijk.
Ja, ik weet het, van huis uit meegekregen “jezelf nooit met anderen vergelijken”, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Mijn vrienden maken sprongen. Zij die van het huisje-boompje-beestje zijn, wonen allemaal in een prachtig huis met een keuken met een fatsoenlijke oven (oh jaloezie), een eetkamertafel waaraan met een groter gezelschap dan 4 mensen gegeten kan worden en een tuin met privacy. Zij die graag kinderen willen, zijn zwanger of hebben al kleine mensjes rondkruipen. Zij die van reizen houden, zien elk jaar een andere prachtige plek op deze aarde. Zij die carrière willen maken, hebben allemaal minstens één stap gemaakt; van communicatiemedewerker naar communicatieadviseur, van pedagogisch medewerker naar orthopedagoog, van callcentermedewerker naar callcentersupervisor of van vorgever naar art director.
En ik?
Niets.
Stilstand.
Achteruitgang zelfs.
Ik woon in een huurhuis met een mooie, lichte woonkamer, een grote slaapkamer en een logeerbed voor iedereen die langs wil komen. Het ligt bovendien op een toplocatie. Maar het gebrek aan (berg)ruimte frustreert me steeds meer, net als de keukenkastjes die langzaam uit elkaar vallen en de tuin waar nooit de zon schijnt en waar iedereen op je bord kijkt als je er zit te eten.
Ik heb werk. Net als ons huis, bevindt ‘kantoor’ zich op een toplocatie. Op kruipafstand. Maar daarmee zijn alle pluspunten wel zo’n beetje benoemd. Het is werk dat door iedereen die kan lezen en schrijven gedaan zou kunnen worden. Te weinig uren. Te weinig salaris. Nul mogelijkheden om door te groeien.
Kleine dingen, zoals het openen van een gezamenlijke rekening of het kopen van een auto, daar hebben we het nauwelijks over. Laat staan dat er beslissingen worden genomen over samenlevingscontracten, koophuizen, kinderen of verre reizen. Ook omdat de leuke jongen uit de trein en ik allebei struisvogels zijn.
En dus gebeurt er niets.
Behalve dat ik een steeds onuitstaanbaarder kreng wordt voor de mensen waar ik van houd.
Ik houd ook steeds minder van mezelf.
Het zou toch té hilarisch zijn als Silvio Berlusconi de Italiaanse parlementsverkiezingen wint? Een seksist die vrouwenslipjes verzamelt zoals hij macht verzamelt. Een ‘leider’ die onlangs uitsprak dat Benito Mussolini zo slecht nog niet was. Een zakenman die zowat alle Italiaanse media in handen heeft en geen tegenspraak duldt. Iemand die telkens weer democratisch wordt gekozen, terwijl hij toch geen groot fan van democratie lijkt te zijn. Vrijheid van meningsuiting geldt vooral hemzelf. En rechters zijn nog erger dan de Sicilaanse maffia.
Ik snap er niets van. Italië heeft alles. Literatuur, film, design, mode, ’t functioneert er allemaal op hoog niveau. En dan heb ik het nog niet over de keuken, de landschappen, de historische gebouwen. Waarom zou je een clown over al die rijkdom laten beslissen?
Ik ben het evenwicht kwijt tussen een goede vriendin zijn van de leuke jongen uit de trein, een goede vriendin zijn van mijn vrienden, een goed familielid zijn van het gezin dat ik op mijn achttiende verliet, een goede werknemer/ondernemer zijn en lief zijn voor mezelf. Ik zie iedereen te weinig en heb te weinig tijd voor mezelf.
De laatste keer dat ik een echt goed gesprek had met mijn mama of mijn zusje -glaasje wijn erbij en alles op tafel gooien- kan ik me niet precies meer herinneren. De laatste keer dat ik alleen iets met mijn broertje gedaan heb? Volgens mij woonde ik toen nog in Tilburg. 10 jaar geleden misschien?
Spreek ik af met vriendin A in stad B, waar ook vriendin C en D wonen, voel ik me schuldig dat ik niet ook even bij C en D ben langs geweest. Prop ik alle vriendinnen in woonplaats B wel in hetzelfde weekend, voel ik me schuldig dat ik voor iedereen zo weinig tijd had.
Zijn de leuke jongen uit de trein en ik eindelijk eens een avond samen thuis, moet ik nog aan een opdracht werken, of hang ik uitgeteld op de bank.
Lukt het me om een weekend niets af te spreken, baal ik er na een halve dag al van dat de belangrijkste activiteiten in dat weekend ‘dus’ in de categorie ‘huishoudelijk geneuzel’ vallen.
Besteed ik tijd aan mezelf -met een goed boek onder mijn fleecedekentje op de bank, kaarsjes aan, pot thee binnen handbereik- dan betekent het dat ik de volgende dag toch echt mijn boekhouding moet doen, mijn computer moet opschonen, of die verzekeringskwestie moet regelen en kan ik het niet nalaten om te deken “had ik dat gister maar gedaan.”
Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet ongelukkig. Dat zou raar zijn met het liefste lief, de liefste vrienden, de fijnste familie en het leukste werk ter wereld. Maar iets makkelijker om alle ballen in de lucht te houden, zou het allemaal wel mogen zijn. Tips?
Poging 386 om de spelfout uit mijn blogpost van 7 januari te halen, mislukte. Ook met ctrl F5. Stom systeem! Dan maar opnieuw te publiceren… Erg jammer dat ik dan ook de reacties kwijt ben 😦
Behalve hele lieve, heb ik vooral goudeerlijke vriendinnen, daar schreef ik al eerder over. Als we elkaars kleding beoordelen onder het genadeloze tl-licht van een pashokje worden er zware oordelen geveld: “Je lijkt net een postorderbruidje”, “Wat een oubollige tuttenjurk”, “In dat shirtje heb je enorme borsten”… Ook de leuke jongen uit de trein steekt zijn mening niet onder stoelen of banken: “Als je dat aantrekt, loop ik niet naast je” of “Dat heb je toch zeker voor carnaval gekocht?”
Ik houd van die eerlijkheid. Als ik om me heen kijk in de stad, kan ik niet anders dan concluderen dat meer mensen wel wat eerlijke vrienden kunnen gebruiken. Indien zowel mijn kritische vriendinnen als mijn lief lovend zijn over de nieuwste aanwinst van mijn kledingkast, weet ik zeker dat het desbetreffende kledingstuk me goed staat. Dan stap ik zelfverzekerd de grote boze buitenwereld in. Kin omhoog, haren wapperend in de wind, glimlach om de lippen. Bij wijze van. Het jurkje dat ik tijdens ons feest droeg oogstte tientallen complimenten, ook van de meest kritische aanwezigen. Maar niet van mijn mama. Zij plakt standaard het etiket ‘te kort’ en/of ‘te strak’ op elk jurkje of rokje dat ik draag, dus ook op mijn feestkleedje.
Blijkbaar kan ik heel goed tegen kritiek en commentaar, behalve als het van mijn mama komt. Ik heb een fantastische mama: lief, zorgzaam, hip en avontuurlijk. Ik weet dat ze van me houdt (dat is wederzijds) en dat ze zich zorgen maakt over mijn overgewicht. Ik weet heel goed dat het op de lange termijn niet slim is voor mijn gezondheid om die overtollige kilo’s mee te slepen. Maar ik zit ondertussen prima in mijn vel en schaam me niet voor mijn lijf (waarmee ik 10 (!) kilometer kan rennen zonder dood neer te vallen). Of toch? Want als ik echt blij was met mezelf, dan zouden mijn mama’s etiketten me na al die jaren niets meer moeten doen. Ze doen me wel iets.
Opnieuw werd ik boos toen ik gister mijn überhippe groen-met-witte-stippen, superleuke, nieuwe jurkje liet zien dat ik korter had laten maken door mijn schoonmama. “Je hebt het toch niet té kort laten maken?”