Opa

Ik word altijd wat melancholisch in de donkere dagen voor Kerst en dan komen er vooral ‘wat als’ gedachten bovendrijven.

Als papa nog geleefd had, zou mijn leven er heel anders uitzien. Mijn nichtje zou er misschien niet zijn geweest, omdat die hele Benin-reis anders zou zijn verlopen en mijn zusje haar man dan niet zou hebben ontmoet. Dus misschien dat ik een heel klein beetje van een geluk bij een ongeluk kan spreken? Maar ook al zouden ze elkaar misschien nooit gekend hebben, toch draai ik filmpjes in mijn hoofd van opa en kleinkind.

Ik had ze elkaar zo gegund.

Op de filmpjes in mijn hoofd is mijn vader niet ouder geworden, terwijl mijn nichtje speelt dat ze ouder is. Het lukt me niet om goede plaatjes photoshoppen van mijn papa met een baby. Van mijn papa en mijn nichtje als peuter/kleuter, zie ik de beelden levendig voor me.

Ik zie hem met zijn handen op zijn rug door het bos wandelen, in dezelfde houding als mijn opa. Mijn nichtje huppelt voor hem uit. Soms tilt hij haar op om haar iets te laten zien. Of hij zet haar in een stevige klimboom en doet alsof hij haar daar achterlaat. “Grapje!”

Ik zie hem en mijn nichtje tegen een bal schoppen. Hij laat zich soms theatraal vallen, of schopt opzettelijk naast de bal. Het is zomer en hij draagt zijn veel te kort afgeknipte spijkerbroekje. Mijn nichtje lacht en hobbelt enthousiast over het gras.

Ik zie voor me hoe mijn papa mijn nichtje aan haar armpjes door de lucht zwaait tot ze allebei duizelig zijn.

Ik moet het ermee doen, met die filmpjes in mijn hoofd. Ook als ik misschien ooit een ‘eigen’ kindje op de wereld zet. Iets waar ik helemaal geen beeld bij heb.

 

Welke crisis?

Gister stond ik 15 minuten in de rij bij de Hema om een paar spullen af te rekenen en wachtte ik even lang bij de best wel dure, maar oh zo lekkere bakker met Duitse specialiteiten. Om er te komen moest ik mij letterlijk door een winkelende mensenmenigte heen worstelen.

Vandaag was ik op pad om enquêtes af te nemen voor de gemeente. Bijna niemand had zin om mee te werken met als meest gehoorde excuus ‘geen tijd’. Ondertussen werd er gewinkeld alsof er levens vanaf hingen. Ik zag kinderwagens waar het kind uit gehaald was (janken, janken!), zodat de tassen met Kerstcadeaus en glitteroutfits erin opgestapeld konden worden. De verwarmde buitenterrassen zaten stampvol en er werd niet zuinig van de glühwein en de speciale bieren genipt.

Ik weet uit ‘de verhalen’ dat de economie niet op rolletjes loopt, dat steeds meer bedrijven failliet gaan, steeds meer mensen hun baan verliezen, steeds meer mensen zichzelf in de schulden steken en bij de voedselbank moeten aankloppen, of bij hun ouders. Toch krabde ik mij dit weekend regelmatig achter mijn oren. Welke crisis? En hoe frustrerend moet de aanblik zijn van mensen met aan elke vinger een volle tas als je écht niets te besteden hebt? Zou je dan juichen als je voor het eerst weer in de rij staat bij een echte bakker, omdat je het je eindelijk kunt veroorloven om geen fluffie supermarktbrood meer te hoeven eten?

Een kwestie van vertrouwen?

Mama en de 10-jarige ik rijden in ons bordeauxrode renault-4-tje naar Geleen om te winkelen. Ik moet een nieuwe winterjas. Boven aan de berg is het ‘boem en stop’. Ik kop met mijn wenkbrauw een plastic dopje op de stoel voor me en zie een gebarsten voorruit. Vragend kijk in in mijn mama’s verschrikte gezicht. “Botsing”, zegt ze.

We stappen uit en ik zie onze motorkap een stuk verderop liggen. Er zijn geen gewonden. Een meneer die een eindje verder is gestopt, wandelt naar ons toe en biedt aan om mij thuis te brengen ‘want de afhandeling zal nog wel even duren’. Mijn mama legt de meneer uit waar hij naartoe moet en ik stap in zijn auto. Mama loopt naar het dichtstbijzijnde huis om te bellen.

Papa kijkt me raar aan als ik in de deuropening sta met een meneer. Papa bedankt de meneer en krijgt van hem een korte situatieschets. Binnen wacht toevallig een enorme stapel nieuwe boeken op me, die mijn papa ergens op de kop heeft getikt. Ik vind het een mooie vervanging voor een gemist middagje winkelen en begin meteen te lezen.

Wie zou dat tegenwoordig nog doen, een kind meegeven aan een vreemde?

Maar je kunt ook overdrijven. Afgelopen weekend zaten we met mensen in een taxi die hun 19-jarige zoon en 16-jarige dochter voor het eerst een avond alleen thuis lieten. Ze hadden serieus overwogen om een oppas te regelen, maar daar hadden de kinderen tegen geprotesteerd. Mama had voor de zekerheid wel een A4-tje volgeschreven met ‘wat te doen als’ en ze zou halverwege de avond ook even naar huis bellen.

Toen ik 19 was, woonde ik niet eens meer thuis en mijn 17-jarige zusje zou weldra het nest verlaten. Alleen thuisblijven deden we jaren eerder al, met enkel een briefje bij de telefoon met daarop het nummer van de vrienden waar mijn ouders op bezoek gingen. Vanaf ons vijftiende pasten we zelf bij kleine kinderen op. Hun ouders belden zelden tot nooit naar huis om te vragen hoe het ging. Dat vertrouwen was er gewoon.

Om me heen lijkt er steeds minder vertrouwen te zijn in anderen en hoor ik opmerkingen als:
“Nee, alleen mijn zus mag op mijn kind passen, niemand anders.”
“Ik breng en haal mijn kinderen altijd, maakt niet uit hoe laat het wordt. Ik wil niet dat ze alleen gaan fietsen of alleen met de bus gaan.”

Deze mensen hebben soms nauwelijks nog een sociaal leven, want de zus heeft meestal geen tijd, en kindlief brengen en halen, neemt ook een goede hap uit je avond.

En ik vraag me af. Is dat wantrouwen echt nodig? Word ik ook zo als ik kinderen heb?

Kleine dingen waar ik dezer dagen blij van word

* avonden met het rolluik naar beneden, de gordijnen dicht, de kaarsjes aan, onder een fleecedekentje op de bank. Uiteraard met een pot thee binnen handbereik.

* de spijkerbroek die sinds ‘Brussel’ niet meer paste, gaat sinds kort weer dicht (heel soms loont het om dingen te bewaren)

* herfstkleuren:

* het roodborstje op de schutting in de voortuin

* bedankjes van collega’s (“zonder jou hadden we het nooit af gekregen”) en complimenten van gexefnterviewden (“leuk artikel!”)

* nieuwe jurkjes

* feestjes waar ik dankzij mijn werk terecht kom

* de zon die tegen de verwachting in nog verrassend vaak schijnt

* dat ik straks erwtensoep met pannenkoeken ga eten

 

Blij en onrustig

Ik ben blij 🙂 Blij met mijn nieuwe werkgever, die ik geen werkgever mag noemen, omdat ik eigenlijk freelance voor hem werk. Blij met de bos bloemen die op mijn bureau stond en de welkomstberichtjes in mijn mailbox. Blij dat ik mijn hersens moet laten kraken om die ene geniale interviewvraag te stellen of die prachtige openingszin te schrijven. Ik ben blij kritisch te mogen zijn en de taalpurist uit kunnen hangen. Ik ben blij om in een prachtig pand te mogen werken, gevuld met creatieve mensen.

Tegelijkertijd neemt de onrust toe.

Mijn papa had een aantal dromen.
Hij ging te vroeg dood om ze uit te laten komen.
Ik nam mij voor dat anders aan te pakken:
Dromen uitvoeren zodra ze in me opkomen.
Ik deed het nooit.
Was altijd te lui of te moe.
Of had geldgebrek als slap excuus.
En de tijd tikt voorbij…

Toen ik in 2003 in een hangmat tussen twee palmbomen lag in het zuiden van Senegal, droomde ik van een lange reis langs de West-Afrikaanse kust. Toen ik in 2004 mijn thuisstudie Engels afrondde, vond ik dat ik er meteen een cursus Spaans achteraan moest doen. Toen ik in 2005 besloot om mijn familie mee naar Benin te nemen, bedacht ik dat het handig zou zijn om vooraf een cursus fotografie te volgen, zodat ik onze avonturen in mooie beelden vast kon leggen. Een cursus fotografie zou me sowieso nog wel eens van pas kunnen komen in mijn journalistieke carrière. Toen ik in 2008 mijn vorige blog noodgedwongen offline haalde, werd ik blij van het idee om de leukste verhalen te bundelen en in boekvorm uit te brengen. Toen ik eind vorig jaar begon met rennen, hoopte ik mijn conditie te verbeteren (dat is gelukt) en tegelijkertijd mijn overgewicht om zeep te helpen (dat is jammerlijk mislukt).

En dan is er nog die reis door China, het land dat mijn vader zo fascineerde en waar hij zo graag naartoe wilde ‘als hij alle drie zijn kinderen het huis uit had’. Ik droom ervan die reis in zijn plaats te maken. Voordat er kinderen komen. Als ik al ooit besluit dat ik die wil.

Mijn droomhuis kan ik uittekenen, nou ja, als ik zou kunnen tekenen. Dat heeft een erker, een open haard, parketvloeren en een tuin op het zuiden. En ik zie mezelf al helemaal zitten, ondanks dat ik niet van rijden houd, achter het stuur van een legergroen volkswagen busje tijdens een avontuurlijke roadtrip door Europa of Zuid-Amerika.

En de tijd tikt voorbij…

 

Nooit keuzevakantie

Vakantie is voor mij niet hoeven kiezen. Tegelijkertijd is het idee van de leuke jongen uit de trein, dat ik vakantie heb als hij me laat beslissen wat we gaan doen. Winkelen of naar het museum? Belgische kost of wereldgerechten? Ingewikkeld!

We hadden desondanks een heerlijke vakantie in Antwerpen. Ik zou de dag altijd wel willen beginnen met een uitgebreid ontbijtbuffet en een uurtje zwemmen in een privébad 🙂

We hebben genoten van gezellig terrasjes en bruine kroegen. Van museumstukken en nieuwe kledingstukken. Van prachtige gebouwen en afzichtelijke panden. Van mooie mensen en plaatselijke mafketels. Deze manier van vakantie vieren is helemaal goed en voor herhaling vatbaar.

Als ik maar niet hoef te kiezen waar de reis dan naartoe gaat.

Lange nagels

Zo lang ik ergens naartoe werk, houd ik mezelf wel overeind. Zo lang er dingen te ontdekken of te leren zijn, ben ik een tevreden mens. Een uitdaging? Fijn!

Een opleiding of cursus met een begin en een eind, een nieuwe woonplaats of werkplek waar ik mijn weg nog moet vinden, tijd investeren in nieuwe mensen omdat ik denk dat ze de moeite waard zijn om te leren kennen, mezelf bloot geven in een relatie omdat ik vind dat hij de moeite waard is om mij te leren kennen. Of trainen voor de 10 kilometer en die dan ook gaan lopen. En dan ook nog een maand niet drinken en als aangename bijkomstigheid een paar kilo afvallen. Iets ontdekken, iets leren, iets bereiken.

Het voelt alsof ik stilsta in een moeras. Ik zak weg. De opleidingen die ik wilde volgen, zijn afgerond. De leuke jongen uit de trein en ik hebben een fantastische relatie die ik voor geen goud zou willen missen. We kennen elkaar, zijn op elkaar ingespeeld, zien aan elkaars neus als er iets aan de hand is. Het is goed zoals het is. Maar de onzekerheid is er vanaf. Er is weinig meer te ontdekken.

In mijn huidige functie ben ik uitgeleerd. Op het werk weet ik zowel letterlijk (toilet, kantine, koffieautomaat) als figuurlijk (aan collega M kan ik alles vragen, aan collega T beter niet) de weg.

Mijn conditie is prima in orde en een grotere afstand dan 10 kilometer hoef ik niet zo nodig te rennen.

Het enige wat ik op dit moment wil, is een (deeltijd) baan in ‘de communicatie’. En de kans daarop lijkt met de dag kleiner te worden. Vorige week had ik twee sollicitatiegesprekken en ik was blij. Na zo’n 86 afwijzingen in mail- en brievenbus, zowaar TWEE keer door naar de volgende ronde. Maar de euforie is alweer gezakt. Van het ene gesprek hoorde ik vrijwel meteen dat ik ‘geen goede match’ was en of het andere gesprek iets oplevert, betwijfel ik. Er waren nog minstens drie andere goede kandidaten geselecteerd om aan tafel te schuiven bij de HR- en de Communicatie-meneer. Die ene opmerking blijft maar door mijn hoofd spoken “Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat je met zo’n goede CV al een jaar op een klantendienst werkt. Heb je wel genoeg gesolliciteerd?” Gemiddeld 1 sollicitatiebrief per week in de afgelopen 12 maanden ja, daarvan dacht ik altijd dat het veel was…

Dan trek ik de stoute schoenen maar weer aan en mijn grote mond weer open. Vervolgens zit ik aan tafel bij een communicatiebureau waar ze me ‘op regelmatige basis’ freelance opdrachten denken te kunnen bieden. Maar in de praktijk werkt het toch niet. Dan krijg ik een e-mail van dat ene bedrijf waar ik al ooit als vrijwilliger werkte dat ze het in de volgende teamvergadering er zeker over zullen hebben om mij in de vakantieperiode in te zetten. Om vervolgens te laten weten dat ze me toch niet nodig hebben. Dit duurt nu al een jaar en ik word er gek van! Knettergek! Boos, opstandig, verdrietig. En had ik al knettergek gezegd? Terwijl het ‘maar’ werk is.

Het feit dat ik zelfs mijn nagels laat groeien, zegt genoeg. Dat lukt me echt alleen maar als er geen enkel ander doel binnen handbereik is.

 

Rampzalige allemansvriend

Hij heeft gelijk, de leuke jongen uit de trein, zo ongeveer elke keer als hij vraagt “Waarom vraag je het mij dan?!” In dit geval riep hij dat naar aanleiding van mijn vernieuwde lijst met wie ik allemaal voor ons feest heb uitgenodigd dat op 11 augustus gaat plaatsvinden. Een feest ter gelegenheid van (onder andere) mijn afstuderen, ons samenwonen, mijn verjaardag. Een feest als bedankje aan iedereen die ons ooit hielp met klussen of verhuizen en een feest omdat we toch nooit gaat trouwen. Een feest dat we, als het aan de leuke jongen uit de trein ligt, helemaal niet hoeven te geven. Maar ik kan een enorme zeur zijn…

Mijn grote mond wint het te vaak van mijn verstand. En ik houd me altijd aan mijn woord, behalve tegen de leuke jongen uit de trein blijkbaar. Of het nu gaat om “Volgend jaar ren ik de 10 kilometer” of om “Als je meewerkt aan mijn afstudeeronderzoek, mag je op mijn feestje komen.” Waarom heb ik niet gewoon en boekenbon verloot onder de deelnemers aan mijn scriptiegeneuzel? Bovendien, de meeste mensen kunnen zich mijn afstudeeronderzoek niet eens meer herinneren, zo lang is het geleden. Dus als ik mijn woord gebroken zou hebben, zou het lang niet iedereen zijn opgevallen.

Maar dus. Ik netjes overleggen met de leuke jongen uit de trein over het aantal gasten (feestruimte en feestbudget zijn ten slotte beperkt) en dan vervolgens toch veel meer mensen uitnodigen. Allemaal aardige mensen natuurlijk, maar de leuke jongen uit de trein kent ze niet eens. En het is ook ZIJN feest. Ik ben onverbeterlijk.

Papa's Pinkpop

Herbert Grxf6nemeyer zong dat ene liedje, dat mooie liedje dat hij schreef over zijn vrouw die stierf aan kanker. Of misschien heb ik dat mezelf wijsgemaakt. En toen was het huilen. Ook na negeneneenhalf jaar kan het me nog overvallen dat mijn papa er niet meer is. Als hij nog geleefd had, was hij dit jaar misschien wel mee gegaan.

Het was Pinkstermaandag dus Pinkpopmaandag. Papa hield van de mooie luisterliedjes van Grxf6nemeyer en met The Boss zong en luchtgitaarde hij enthousiast mee. Voordat hij stierf had nog niemand op het Europese vasteland ooit van Mumford and Sons of Seasick Steve gehoord, maar ik weet zeker dat mijn muziekgekke papa ze had kunnen waarderen.

Tijdens dat intens verdrietige liedje, waarvan ik niet eens weet hoe het heet, maar wel weet dat mijn papa het mooi vond, zag ik het voor me. Dat ik daar met mijn papa stond. Hij op sandalen en in korte broek. Zijn voeten ingesmeerd met zonnebrandcrème, want dat deed hij sinds hij ze op een campeervakantie in Frankrijk ooit lelijk verbrandde. En van mij mocht hij geen sokken aan in zijn sandalen.

Ik hoorde hem zelfs fonetisch meezingen. Hij luisterde nooit zo goed naar de tekst, kon ook niet bijster goed zingen, maar deed dat net als ik bijzonder graag.

Het was een Pinkpopdag om in te lijsten. Ik was er met fantastisch gezelschap (mijn lief en zijn broer), de zon scheen uitbundig, de sfeer op het festivalterrein was ontspannen en de artiesten waar we niet met een grote boog omheen liepen (Gers Pardoel, hallo, wat moet jij in hemelsnaam op Pinkpop?!?) waren briljant. Ik miste mijn papa.

Lelijkheid bij de eerste zonnestraal

Hoe komt het toch dat mensen die het absoluut niet kunnen hebben bij de eerste zonnestraal denken dat ze hotpants aan moeten of een naveltruitje? Of dat ze hun niet zo poezelige voetjes in opzichtige open schoentjes moeten proppen. Sommige beelden blijven op mijn netvlies staan. Brrrrr.

En wat ik me dan afvraag: hebben die meiden geen vriend of vriendinnen? Want die van mij zouden me ze echt de deur niet uit laten gaan. Mijn vriendinnen roepen soms al voor ik zelf in de spiegel van het pashokje heb gekeken dat ik iets beter uit kan trekken. En de leuke jongen uit de trein steekt het ook niet onder stoelen of banken als hij vindt dat iets me niet staat.