Gisteravond gesignaleerd tijdens het optreden van Pearl Jam in de Ziggo Dome: Een kapsel met een scheiding. Een nek die verdween in de rechtopstaande kraag van een gestreepte blauwe polo. Benen gehuld in een grijze pantalon. Voeten in keurig gepoetste schoenen. Linkerarm om de schouder geslagen van een meisje met pareloorbellen en zachtroze gelakte nagels.
Categorie archief: ehm
Woef
“Weet je wat het ergste is, alleen zijn, niemand hebben om tegen te praten.” We hadden net een toast uitgebracht op mijn tante. Het was gister alweer een jaar geleden dat ze overleed. Mijn oom nam het woord. Hij had het moeilijk.
Oom J is een ‘man-man’. Hij houdt zich groot, vraagt niet om hulp, en begint nooit als eerste over hoe hij zich voelt. Ik denk dat hij wel weet dat ik het meen als ik zeg dat hij altijd langs mag komen als hij eenzaam is, dat hij altijd welkom is voor een koffietje en een praatje. Toch zal hij nooit bellen om iets af te spreken.
Vertederend om te zien dat hij wél iemand heeft om tegen te praten. Waarschijnlijk hele verhalen, als er niemand anders bij is. Iemand die niets terug zegt en met zijn kleine tandjes venijnige gaatjes maakt in blote armen en alle planten in de tuin. Iemand die stilletjes achter een struik verdwijnt om te poepen. Iemand die in volle vaart uitglijdt op de tegelvloer in de keuken en daar toch weer vrolijk stuiterend vandaan komt. Lang leve Max.
Als beeld en geluid met elkaar vloeken
Altijd grappig als beeld en geluid niet met elkaar in overeenstemming zijn.
“Ik heb mijn haar kort laten knippen, dat is lekker pittig, niet zo tuttig”, zei de jonge vrouw met haar rechtopstaande kraagje, bloemensjaaltje, beige driekwartbroek en ouderwetse bootschoentjes.
Grote mond kwam er weer mee weg
Terwijl mijn hamstrings nog zachtjes jammeren en mijn knieën nog bezig zijn terug te keren naar hun oorspronkelijke locatie, kan ik met mijn grote mond toch al drie dagen zeggen dat het gelukt is. Afgelopen zondag tien kilometer gerend over verraderlijke kinderkopjes en niet als laatste binnengekomen 🙂
Ik startte moeizaam sukkelend en dacht het eerste kwartier wel vijftien keer dat ik struikelend ten onder zou gaan. Geen vreemde gedachte aangezien ik bij het opstaan de onderste drie treden van de trap had gemist en mezelf al bijna had uitgeschakeld voor ik aan Maastrichts Mooiste kon beginnen.
Familie en vrienden en natuurlijk de leuke jongen uit de trein waren fantastische supporters die telkens weer op een andere plek langs de route opdoken. Dat hielp. Vriendin T week geen seconde van mijn zijde en maakte de ene na de andere opbeurende opmerking. Dat hielp nog meer. Mijn eergevoel deed de rest. En mijn voorbeeldige conditie na maandenlang trainen natuurlijk.
Doorgaande weg?
Mannetjes in Marokko
Alweer bijna een week terug van onze vakantie in Fes en er nog geen woord over geschreven. Er kwamen wat dingen tussen, zoals de geboorte van mijn nichtje. Ik vemoed dat ik aan dit kleine meisje met haar bolle wangetjes en zachte haartjes nog heel wat blogs zal wijden…
Maar eerst Marokko. Iedere cel in mijn lichaam was toe aan vakantie. Die ellendige scriptie gevolgd door een oneindige zoektocht naar een baan in mijn eigen vakgebied, hadden energie gekost en grijze haren opgeleverd. En de freelance opdrachten die maanden niet kwamen om vervolgens totaal ongelegen aan mijn deur te kloppen, hadden me bijna het stempel ‘overspannen’ opgeleverd. Ik moest weg.
Het werd Fes, Marokko. Mooi land met imposante poorten, smalle straatjes en prachtige parken. Land van ooievaars en mussen. Van besneeuwde bergtoppen en droge dalen. We hadden zon en koesterden die. We hadden de helft van de tijd de vrijheid van een eigen appartement (dankjewel vriendin F!!) en de andere helft de luxe van een hotel. En we hadden ‘mannetjes’.
Het tapijt van 200 euro -in beginsel 600- dat al voor ons werd opgerold door de gladde verkoper, strik eromheen, mee met de boot. We kochten het niet. Maar hadden wel medelijden met de ‘achtergrondmannetjes’ die slaafs het ene na het andere tapijt uit het magazijn trokken.
De sjaal die om mijn nek werd geknoopt, handen van de grijnzende verkoper overal. Hij bedekte mijn bescheiden decolleté en liet duidelijk merken dat ik er te ‘zomers’ bij liep. Ik kocht de sjaal en deed ‘m de rest van de vakantie niet meer af.
De gids die maar bleef praten en ons nauwelijks de tijd gunde ergens te blijven staan, behalve dan in de winkeltjes van zijn vriendjes en het onwijs dure ‘tourists only’-restaurant. We beledigden hem ongewild tot op het bot toen we bij één van zijn vriendjes maar 35 dirham wilden betalen voor een riem in plaats van 350.
De rekeningen met de vrolijke gezichtjes erop getekend. De ober van Restaurant Florence was ons lievelingsmannetje. Bescheiden, totaal niet commercieel, en super vrolijk. Wat een lieverd! De harira die zijn vader bereidde was veruit het lekkerst. De zoektocht van zijn zoon naar een muntje van 5 centimes het meest succesvol. Wat een familie!
Onze chauffeur Abdol was ook een schat. Man van de klok. Geduldig antwoordend op onze vele vragen. Hij bezorgde ons een hartverzakking toen hij de prijs noemde van de eerste excursie die we met hem maakten, maar hij was het waard. Zonder met onze ogen te knipperen gingen we nog een tweede dag met hem op pad. Voor dezelfde prijs.
Ik beloofde het aan de mannetjes van Le Souk Artisanale Fès, dat ik ze zou noemen op mijn blog. Ze lieten ons op ons gemak rondkijken, schonken thee, en vertelden verhalen over de herkomst van hun spullen. Op die ene sjaal voor mezelf na, kochten we al onze cadeautjes hier. Ik had er probleemloos honderden euro’s uit kunnen geven, mocht ik die gehad hebben.
Tot slot moet ik Riad Dar Dmana noemen. Het domein van twee vrolijke vrouwen. Wat een mooie mensen. Kamermeisjes en keukenprinsessen. Volmaakte gastvrijheid. Maar tegen de tijd dat we moesten betalen, stond ook hier een man voor onze neus.
Vakantie is goed voor me
Dat het voor mijn geest (humeur) goed is om af en toe vrij te hebben van het werken voor een baas, kunnen vele mensen beamen. Met stip op één de leuke jongen uit de trein, die dagelijks de volle laag krijgt over alle ergernissen op de werkvloer.
Voor mijn administratie is vakantie ook heel goed. Opgespaarde werkbriefjes worden ingescand en naar het uitzendbureau gestuurd. Rekeningen die nog net niet bij het incassobureau liggen, worden betaald. Opdrachtgevers waar ik nog geld van tegoed heb, kunnen steevast rekenen op vasthoudend e-mail en telefoonverkeer. En telkens als ik vrij heb, blijkt het de hoogste tijd voor een gesprek met mijn boekhouder.
Maar het allerbeste is vakantie voor mijn lichaam en mijn uiterlijk. Het ochtendritueel van snel sneller snelst douchen, afdrogen, aankleden, druipnatte haren in een slordig staartje frotten, ontbijten en naar het werk fietsen, maakt in tijden van vakantie plaats voor een uitgebreide dagbesteding.
Ik was me met de lekkerste douchegels, scrub mijn gezicht, smeer me van top tot teen in met bodylotion. Ik doe een maskertjes in mijn haar en trek er een kam door. Ik scheer mijn benen met een dikke laag scheerschuim, knip mijn teennagels en trek dwarsliggende wenkbrauwharen uit. Mijn gezicht krijgt een extra laagje dagcrème en mijn make-up wordt zorgvuldig aangebracht.
En de voordeur gaat pas open als mijn haar droog is.
Iets te vieren!
Ik ben er het hele jaar voor te porren, maar ben er zelden zo aan toe geweest als nu. Vakantie. EIN-DUH-LUK.
Er moest nog één dingetje geregeld worden, voordat ik met volle teugen van een paar vrije weekjes kon gaan genieten. Afgelopen woensdag was het zo ver. Op de dag dat mijn papa 58 zou zijn geworden, kreeg ik eindelijk mijn bul fysiek in handen. Mijn twee liefste studiegenoten en de leuke jongen uit de trein stonden paraat om dit heugelijke feit met mij te vieren. Geneeskundekoffie!!
Het viel zwaar tegen dat er gister en vanmorgen nog gewoon gewerkt moest worden. En daar aan mijn grote bureau achter twee computerschermen en een berg papieren was het geen feest. Iets met ‘big brother’, minutenverantwoording, targets en funcioneringsgesprekken…
Maar nu is de beloning des te groter. Het leven is mooi.
Liefdevolle krenterigheid
Krenterigheid. Ik heb het niet van huis uit meegekregen. Dat verklaart misschien voor een deel waarom mijn moeder een beetje de vreemde eend in de familiebijt is.
Mijn moeder en haar broers en zussen zijn er voor elkaar. Dag en nacht. Voor- en tegenspoed. Tonnen goed advies worden uitgewisseld en hulp wordt geboden op alle fronten. Van belastingpapieren tot gecrashte computers. Er wordt voor elkaar gekookt, er wordt naar ziekenhuizen gereden. Mooi om te zien en mooi om soms deel van uit te maken. Maar als het om geld gaat, is er iets vreemds aan de hand.
Geld is een moeilijk ding in de familie. Van het apart afrekenen in een restaurant “want mijn gerecht was drie euro goedkoper”, via niet volledig meebetalen aan een cadeau “want ik ben niet de hele avond op het feest”. Afgelopen weekend was wat mij betreft het toppunt. Het jarige broertje werd even de kamer uitgestuurd zodat de rest het cadeau af kon rekenen. Het bedrag dat per persoon werd betaald, was lager dan wat mijn collega’s bijleggen voor een jubilaris. Ik was met stomheid geslagen. Of eigenlijk beet ik hard op mijn tong om er niets van te zeggen.
Krenterigheid. Het zou goed zijn als ik wat meer op mijn moeders familie leek. Mijn bankrekening zou er een stuk beter bijliggen. Maar ik kan dat niet. Als iemand die me dierbaar is, iets graag wil hebben, dan koop ik het, ongeacht het prijskaartje.
Maar het is natuurlijk veel belangrijker om voor elkaar klaar te staan, dan om dure cadeaus te geven. Dus ik heb gewoon een familie om te waarderen en om op te lijken.
Bellen
Vroeger wilde ik door zo veel mogelijk mensen vriendin genoemd worden, het liefst beste vriendin. Ik wilde een uitnodiging voor elke ‘fuif’ en ik wilde bij de stoere mensen horen.
In die tijd, de tijd van de telefoon met draaischijf en later van het eerste modelletje waarmee je door het huis kon lopen, wist ik met gemak dertig telefoonnummers uit mijn hoofd. Bellen was mijn grootse hobby. Uuuuuuuren hing ik met vriendinnetje B aan de lijn. Welk jurkje we aan zouden trekken naar de dansles, was een van de favoriete onderwerpen. En jongens. We hadden het veel over jongens.
Nu weet ik het nummer van de leuke jongen uit de trein niet eens. Ik ken nog twee telefoonnummers uit mijn hoofd: het vaste nummer van mijn mama dat nog hetzelfde is als toen we een huis deelden, en het vaste nummer van vriendinnetje A dat nog thuis woont en wiens nummer evenmin veranderd is in de laatste twintig jaar.
Ik houd helemaal niet meer van bellen en vermijd het zo veel mogelijk (niet handig als je callcenterwerk doet – maar gebeld worden is minder erg dan naar buiten bellen). Veel minder mensen noemen me vriendin. Ik ben vaker collega, studiegenoot of kroegmaatje. En dat is prima. Voor iedereen is plek in mijn telefoon.


