Brief aan mijn nichtje # 2

Soms maak ik me een beetje zorgen dat je me niet meer kent als ik je langer dan een week niet gezien heb. Gelukkig blijkt dat onzin. Je begon meteen te lachen toen ik vanmiddag de keuken binnenstapte, terwijl het bijna drie (!) weken geleden was dat ik je voor het laatst in je grote bruine ogen keek. Toen ik naast je kwam zitten, liet je je boterhamstukjes met smeerkaas meteen links liggen om je armpjes naar me uit te steken.

Wat is er veel veranderd in de afgelopen drie weken! Er zijn een hoop klanken aan je vocabulaire toegevoegd en je kunt kruipen als een malle. Mupke is er niet zo blij mee dat je haar territorium nu doorkruist. Maar ze zal er wel aan wennen. Jij wordt ondertussen door schade en schande wijs op je ontdekkingstocht. Potgrond smaakt niet en al kruipend naar de grond kijken, betekent af en toe je hoofd stoten.

Je bent een kamikazepiloot die geen diepte ziet, of in elk geval het gevaar van een afgrond niet. Je laat jezelf ‘head first’ van de stoel, de bank of het bed vallen. Meestal kan iemand je nog net bij je broekspijp of je rokje grijpen, maar je papa of mama zullen ooit een keer schrikken van een harde bonk gevolgd door luid gehuil.

Vanmiddag kwam er geen onvertogen woord over je lippen, je bleef lachen. Je kroop naar me toe, klom bij me op schoot, zwaaide naar me en probeerde me van alles te vertellen met je grappige hoge geluidjes. Maar het leukste aan mij vond je toch weer mijn ketting en armbandjes. Daar moet aan getrokken en op gesabbeld worden.

Toen je mama en ik je naar bed brachten, deed je nog een wilde benentrappel als vorm van protest, maar eigenlijk was je zo moe dat je ogen al dicht waren voordat we de trap hadden bereikt. Je bent een schatje. Mijn kleine nichtje met een grote toekomst.

 

Een kwestie van vertrouwen?

Mama en de 10-jarige ik rijden in ons bordeauxrode renault-4-tje naar Geleen om te winkelen. Ik moet een nieuwe winterjas. Boven aan de berg is het ‘boem en stop’. Ik kop met mijn wenkbrauw een plastic dopje op de stoel voor me en zie een gebarsten voorruit. Vragend kijk in in mijn mama’s verschrikte gezicht. “Botsing”, zegt ze.

We stappen uit en ik zie onze motorkap een stuk verderop liggen. Er zijn geen gewonden. Een meneer die een eindje verder is gestopt, wandelt naar ons toe en biedt aan om mij thuis te brengen ‘want de afhandeling zal nog wel even duren’. Mijn mama legt de meneer uit waar hij naartoe moet en ik stap in zijn auto. Mama loopt naar het dichtstbijzijnde huis om te bellen.

Papa kijkt me raar aan als ik in de deuropening sta met een meneer. Papa bedankt de meneer en krijgt van hem een korte situatieschets. Binnen wacht toevallig een enorme stapel nieuwe boeken op me, die mijn papa ergens op de kop heeft getikt. Ik vind het een mooie vervanging voor een gemist middagje winkelen en begin meteen te lezen.

Wie zou dat tegenwoordig nog doen, een kind meegeven aan een vreemde?

Maar je kunt ook overdrijven. Afgelopen weekend zaten we met mensen in een taxi die hun 19-jarige zoon en 16-jarige dochter voor het eerst een avond alleen thuis lieten. Ze hadden serieus overwogen om een oppas te regelen, maar daar hadden de kinderen tegen geprotesteerd. Mama had voor de zekerheid wel een A4-tje volgeschreven met ‘wat te doen als’ en ze zou halverwege de avond ook even naar huis bellen.

Toen ik 19 was, woonde ik niet eens meer thuis en mijn 17-jarige zusje zou weldra het nest verlaten. Alleen thuisblijven deden we jaren eerder al, met enkel een briefje bij de telefoon met daarop het nummer van de vrienden waar mijn ouders op bezoek gingen. Vanaf ons vijftiende pasten we zelf bij kleine kinderen op. Hun ouders belden zelden tot nooit naar huis om te vragen hoe het ging. Dat vertrouwen was er gewoon.

Om me heen lijkt er steeds minder vertrouwen te zijn in anderen en hoor ik opmerkingen als:
“Nee, alleen mijn zus mag op mijn kind passen, niemand anders.”
“Ik breng en haal mijn kinderen altijd, maakt niet uit hoe laat het wordt. Ik wil niet dat ze alleen gaan fietsen of alleen met de bus gaan.”

Deze mensen hebben soms nauwelijks nog een sociaal leven, want de zus heeft meestal geen tijd, en kindlief brengen en halen, neemt ook een goede hap uit je avond.

En ik vraag me af. Is dat wantrouwen echt nodig? Word ik ook zo als ik kinderen heb?

Kleine dingen waar ik dezer dagen blij van word

* avonden met het rolluik naar beneden, de gordijnen dicht, de kaarsjes aan, onder een fleecedekentje op de bank. Uiteraard met een pot thee binnen handbereik.

* de spijkerbroek die sinds ‘Brussel’ niet meer paste, gaat sinds kort weer dicht (heel soms loont het om dingen te bewaren)

* herfstkleuren:

* het roodborstje op de schutting in de voortuin

* bedankjes van collega’s (“zonder jou hadden we het nooit af gekregen”) en complimenten van gexefnterviewden (“leuk artikel!”)

* nieuwe jurkjes

* feestjes waar ik dankzij mijn werk terecht kom

* de zon die tegen de verwachting in nog verrassend vaak schijnt

* dat ik straks erwtensoep met pannenkoeken ga eten

 

Dolgelukkig in 2012

We begonnen met thee, eindigden met wijn en speelden Rummikub. En ook al is het pas november, we waagden ons toch al aan een voorzichtige terugblik op 2012.

2011 was niet ons beste jaar, dus toen het nieuwe jaar begon, proostten we op ‘Dolgelukkig in 2012’.

Om ons op dit moment dolgelukkig te noemen, is misschien wat overdreven, maar we concludeerden tevreden dat we onze doelstellingen voor dit jaar hebben gehaald. Een kwestie van de lat laag genoeg leggen. Vriendin M wilde dat haar lief een baan vond en dat haar eigen contract werd verlengd, vriendin B wilde een eigen huisje, en ik wilde op regelmatige basis in mijn eigen vakgebied werken en niet meer elke maand rood staan.

Voor 2013 hebben we de lat wat hoger gelegd. Ik wil een koophuis en een huisdier. Ik wil in plaats van ‘niet meer rood staan’ ook af en toe iets kunnen sparen, en van de dromen die ik hier noemde, wil ik er minimaal één laten uitkomen.

Gisteravond mag worden ingelijst. Ik verloor alle spelletjes, maar het was één van de gezelligste avonden van 2012. Voor 2013 wens ik vooral dat vriendschap er als een rode draad doorheen loopt.

 

En toen treinde/wandelde ik lachend naar mijn werk

Het heeft even geduurd voordat ik het durfde toe te geven, laat staan het op te schrijven: mijn werkende leven is momenteel eigenlijk best wel een beetje heel erg leuk.

Het is heerlijk om twee dagen in de week mijn eigen vak uit te oefenen. Om te schaven en te schrappen en dan bij een lekker leesbare tekst uit te komen. Om mensen te interviewen over onderwerpen waar ik zelf geen greintje verstand van heb. Om met andere vakidioten op een kantoor te zitten. Om over meer te discussiëren dan over het aantal calorieën in een liga, of het uitblijven van actie in Boer zoekt Vrouw. Om met collega’s te kunnen overleggen en dan samen tot het beste product te komen. Gister volgden we met zijn allen een workshop om daarna onbeperkte hoeveelheden sushi in ons hoofd te stoppen. Flauwe humor, maffe opmerkingen, wijn. Het was gezellig.

Je hoort mij niet klagen, behalve dan: het mag wel iets meer zijn dan twee dagen.

Ook de andere (werk)dagen vallen niet tegen. Ik ga steeds meer de humor inzien van met mijn verstand op nul de telefoon opnemen. Met goede koffie binnen handbereik en omringd door collega’s in hetzelfde schuitje, is dat prima vol te houden. Drie dagen in de week een dosis humor:
“Mevrouw ik heb hier een nummer, maar ik kan de + op mijn telefoon niet vinden.”
“U moet mij helpen, het lampje in mijn frigo is uitgevallen.”
“Ik denk dat ik een cijfer te weinig heb, maar ik weet niet welk.”

Je hoort mij niet klagen, behalve dan: het mag wel iets meer zijn dan 10 euro bruto per uur.

 

 

Arme mannen

Ik heb met ze te doen, de mannen van Tributor. Het zijn super toffe gasten, daar doen de kogelgordels, de zwarte puntschoenen, en de armbanden met studs en pinnen niets aan af. Goede artiesten ook. Heerlijke meebrul muziek.

Maar wat staan er altijd slecht geklede, slecht geknipte, lodderig uit hun ogen kijkende, wild bewegende vrouwen voor het podium. Op van die medische, witte steunslippers en in vormeloze jurken. Zeker in een kroeg als Barrock komen ze ook nog eens héél dicht bij.

De leuke jongen uit de trein en ik hadden een heerlijke avond.

Mens, erger je niet!

Omdat ik al sinds mijn eerste relatie (die van dat huwelijksaanzoek) weet dat je je lief niet kunt veranderen en dat ook niet moet willen, wil ik van een bepaalde ergernis af. Als iemand me kan helpen, graag!

Ik ben niet gehecht aan spullen en goed in weggooien. Kledingstukken die niet meer passen of die ik een jaar niet meer gedragen heb, gaan naar vriendinnen of de kledingcontainer. Spullen die ik dubbel heb gekregen of die ik toch niet ga gebruiken, worden omgeruild of weggegeven. Ik geef mensen graag cadeautjes. Eén keer per jaar loop ik mijn volledig administratie door; garantiebewijzen die niet meer geldig zijn of bankafschriften en jaaropgaven die de wettelijke bewaartermijn voorbij zijn, gaan vervolgens door de versnipperaar.

Toen ik Brussel verliet, gingen pannen, bestek en servies naar een collega en de helft van mijn meubels liet ik in mijn appartement staan voor het meisje dat er na mij kwam wonen. Er zaten best mooie spullen tussen, maar omdat ik ging samenwonen met de leuke jongen uit de trein en het nut van alles in tweevoud hebben niet zag, deed ik er afstand van. Zo was het ook logisch dat ik de cd’s weggaf die we dubbel bleken te hebben toen onze muziekcollecties met elkaar werden verenigd. Dat deed overigens wel een beetje pijn, aan mijn cd’s bleek ik toch meer gehecht dan ik dacht.

De leuke jongen uit de trein bewaart ALLES en dat is zijn goed recht. Gek word ik ervan. En daar wil ik vanaf. Het slaat namelijk nergens op, dat ik me zo aan zijn verzamelwoede erger. Het is niet handig dat zijn spullen zo veel ruimte in beslag nemen, maar eigenlijk heb ik geen last van zijn bewaarfetisj, zo lang we niet gaan verhuizen.

Wat maakt het mij nou uit dat er in zijn oude tas onleesbare bonnetjes, lege boterhamzakjes, snoeppapiertjes en pakjes zakdoekjes aan zijn agenda van 2011 vastplakken? Dat zijn ‘muziekspullen’ (verkreukelde setlists) in een rugzak zitten waar alle hengsels vanaf zijn gescheurd, zou me evenmin iets uit moeten maken, want heel veel plaats neemt het halfvergane ding niet in. Ik heb er geen last van dat hij al zijn basketbaltenues van de jaargangen 1992 – 2002, compleet met sportsokken, heeft bewaard. Ze zijn door mij netjes opgevouwen in een doos gestopt. Ik heb er ook geen last meer van dat er een stapel van 15 korte broeken in zijn kledingkast ligt, waarvan meer van de helft hem al te klein is zo lang ik hem ken. Ik heb sinds kort mijn eigen kledingkast, dus ‘who cares’? Nou… ik dus.

De enige reden dat ik me zo erger, is -denk ik- dat ik het niet snap. Ik kan zijn bijna autistische drang om ieder weekend ons huis van onder tot boven te poetsen, totaal niet rijmen met zijn gewoonte om de pasta die zijn ouders ooit meebrachten uit Italië, of de chocolaatjes die hij zelf ooit uit Canada meebracht, tot ver voorbij de houdbaarheidsdatum in de kast te laten staan. Ik kan zijn gulheid (hij trakteert mij regelmatig op van alles en nog wat en tijdens het stappen is hij de koning van de rondjes) niet rijmen met het bewaren van dubbele boeken (twee identieke exemplaren staan naast elkaar in onze boekenkast) en van cd’s die zelfs nog in het plastic zitten en die hij nooit gaat luisteren. Daar kan hij toch iemand anders blij mee maken? Maar hij zal er ongetwijfeld een goede reden voor hebben. Die ik dus niet begrijp.

Van mijn papa en mama heb ik geleerd om mensen te accepteren zoals ze zijn. Om van verschillen te leren. Om niet te veroordelen wat ik niet begrijp. In dit specifieke geval houd ik toevallig ook nog eens hartstikke veel van de persoon die zo van mij verschilt. Ik ben van plan (als hij dat goed vindt) nog héél lang met hem onder hetzelfde dak te wonen, misschien wel voor altijd. Dus ik wil van dat totaal nutteloze gevoel van ergernis af. Ik zeur veel te veel aan zijn kop en dat verdient hij niet. Hij begrijpt niet waarom ik me erger en ik begrijp het zelf ook niet. Dus daar schieten we allebei niets mee op.

Overigens vond ik mijn verbazing wél terecht toen de leuke jongen uit de trein vroeg of hij alle vier de lades in alle twee de nachtkastjes mocht hebben… Mijn droomhuis van twee blogs geleden, heeft een enorme zolder 😉

It's all about speed

Deze blog schreef ik op woensdag 13 juni, maar publiceer ik uit ‘veiligheidsoverwegingen’ nu pas. Nadat ik mijn laatste werkdag achter de rug heb. Ik had overigens een heel leuk afscheid met vele knuffels, zoenen en succeswensen voor de toekomst. En een VVV-bon.  

Ik heb een aantal super leuke collega’s en mijn werk is, ondanks dat ik iets heel anders zou willen doen, niet echt vervelend. Toch botst het. Ik ben een denker en een vragensteller en zie mezelf graag als kritische geest. Ik kan die (aangeleerde) eigenschappen niet op commando uitschakelen. Dat gaat me nu mogelijk mijn kop kosten, want mijn directe leidinggevenden vinden snelheid belangrijker dan kwaliteit.

“Ik begrijp iets niet, zou je het me kunnen uitleggen?” is een vraag die ze niet kunnen waarderen. Het probleem doorsturen naar een collega die het wel begrijpt, is het advies. Het is namelijk niet de moeite om een uitzendkracht alle procedures te leren, want dat kost tijd. Misschien wel 10 minuten per handeling. 10 minuten waarin ook drie telefoontjes afgehandeld kunnen worden.

Aan de telefoon is de vraag “Wilt u uw naam even voor mij spellen?” volgens diezelfde leidinggevenden totaal overbodig, want dat kost weer een paar seconden en als we een klant onder een verkeerde naam aanmelden, belt hij of zij vanzelf wel een keer terug. Of niet, dat maakt ook niet uit, zo vaak ontvangen klanten toch geen post.

Vragen waarom bepaalde procedures zijn zoals ze zijn en of het niet makkelijker kan, is helemaal uit den boze. Mensen die het kunnen weten, hebben erover nagedacht over, dus dat is dan zo. Daarom beantwoord ik de mailtjes die als laatste binnenkomen als eerste, waardoor de mensen die een prangende vraag stelden in maart of april sindsdien vruchteloos op antwoord wachten. Er is nu eenmaal een achterstand en die kan met het huidige aantal fte’s niet worden ingelopen. Tenzij we met zijn allen sneller gaan werken natuurlijk. Geen vragen meer stellen dus en niet wachten tot een klant zijn naam gespeld heeft.

Ondertussen worden voorstellen waardoor tijd gewonnen kan worden, vakkundig genegeerd. Het is niet verrassend dat er, naar mijn bescheiden mening, vooral op het gebied van communicatie een heleboel te winnen valt. Bijvoorbeeld door wat wij naar klanten sturen, eerst door een leek te laten lezen. Maar ik doe mijn mond niet meer open, verbetervoorstellen slik ik direct weer in met een kopje lauwe automatenkoffie.

Volgende week wordt gekeken of ik mijn ‘targets’ haal. Zo niet dan mag ik over een paar weken mijn spullen pakken. Die targets zijn haalbaar als ik volledig tegen mijn natuur inga, mijn mond houd, mijn kritische bril afzet en mijn verstand uitschakel. Misschien ga ik dat doen.

Voor een paar maanden extra ‘zekerheid’.

Blij en onrustig

Ik ben blij 🙂 Blij met mijn nieuwe werkgever, die ik geen werkgever mag noemen, omdat ik eigenlijk freelance voor hem werk. Blij met de bos bloemen die op mijn bureau stond en de welkomstberichtjes in mijn mailbox. Blij dat ik mijn hersens moet laten kraken om die ene geniale interviewvraag te stellen of die prachtige openingszin te schrijven. Ik ben blij kritisch te mogen zijn en de taalpurist uit kunnen hangen. Ik ben blij om in een prachtig pand te mogen werken, gevuld met creatieve mensen.

Tegelijkertijd neemt de onrust toe.

Mijn papa had een aantal dromen.
Hij ging te vroeg dood om ze uit te laten komen.
Ik nam mij voor dat anders aan te pakken:
Dromen uitvoeren zodra ze in me opkomen.
Ik deed het nooit.
Was altijd te lui of te moe.
Of had geldgebrek als slap excuus.
En de tijd tikt voorbij…

Toen ik in 2003 in een hangmat tussen twee palmbomen lag in het zuiden van Senegal, droomde ik van een lange reis langs de West-Afrikaanse kust. Toen ik in 2004 mijn thuisstudie Engels afrondde, vond ik dat ik er meteen een cursus Spaans achteraan moest doen. Toen ik in 2005 besloot om mijn familie mee naar Benin te nemen, bedacht ik dat het handig zou zijn om vooraf een cursus fotografie te volgen, zodat ik onze avonturen in mooie beelden vast kon leggen. Een cursus fotografie zou me sowieso nog wel eens van pas kunnen komen in mijn journalistieke carrière. Toen ik in 2008 mijn vorige blog noodgedwongen offline haalde, werd ik blij van het idee om de leukste verhalen te bundelen en in boekvorm uit te brengen. Toen ik eind vorig jaar begon met rennen, hoopte ik mijn conditie te verbeteren (dat is gelukt) en tegelijkertijd mijn overgewicht om zeep te helpen (dat is jammerlijk mislukt).

En dan is er nog die reis door China, het land dat mijn vader zo fascineerde en waar hij zo graag naartoe wilde ‘als hij alle drie zijn kinderen het huis uit had’. Ik droom ervan die reis in zijn plaats te maken. Voordat er kinderen komen. Als ik al ooit besluit dat ik die wil.

Mijn droomhuis kan ik uittekenen, nou ja, als ik zou kunnen tekenen. Dat heeft een erker, een open haard, parketvloeren en een tuin op het zuiden. En ik zie mezelf al helemaal zitten, ondanks dat ik niet van rijden houd, achter het stuur van een legergroen volkswagen busje tijdens een avontuurlijke roadtrip door Europa of Zuid-Amerika.

En de tijd tikt voorbij…

 

Nooit keuzevakantie

Vakantie is voor mij niet hoeven kiezen. Tegelijkertijd is het idee van de leuke jongen uit de trein, dat ik vakantie heb als hij me laat beslissen wat we gaan doen. Winkelen of naar het museum? Belgische kost of wereldgerechten? Ingewikkeld!

We hadden desondanks een heerlijke vakantie in Antwerpen. Ik zou de dag altijd wel willen beginnen met een uitgebreid ontbijtbuffet en een uurtje zwemmen in een privébad 🙂

We hebben genoten van gezellig terrasjes en bruine kroegen. Van museumstukken en nieuwe kledingstukken. Van prachtige gebouwen en afzichtelijke panden. Van mooie mensen en plaatselijke mafketels. Deze manier van vakantie vieren is helemaal goed en voor herhaling vatbaar.

Als ik maar niet hoef te kiezen waar de reis dan naartoe gaat.