Slettekat

Ze is rood en zacht en wil door iedereen geknuffeld worden. Ze gaat plat op haar rug op elk muurtje, elke tuintafel, elk electriciteitskastje. Ze knort, bromt en spint goedkeurend als je alleen al in de buurt komt. Ze sluipt mee naar binnen als je even niet oplet. Ze kust je voeten als je iets eetbaars bij de hand hebt.

Slettekat. De leukste buurtgenoot aan deze kant van de Maas.

Brief aan mijn nichtje #1

5 maanden en 2 weken ben je nu en je hebt de wereld om je heen steeds beter in de smiezen. Er twinkelt herkenning in je ogen als je de stemmen van je ouders, je oma, of je ooms en tantes hoort.

Je kunt gebiologeerd naar dingen kijken, vooral naar glinsterende dingen, zoals mijn armbandjes of de lamp met nepkristallen op onze slaapkamer. Dat belooft nog wat. Het liefst pak je alles vast wat je ziet, wat in sommige gevallen heel onverstandig is, zoals bij diezelfde armbandjes (kletterende kralen) en diezelfde lamp. Gelukkig heeft je pop bewezen tegen een stootje te kunnen. Je grijpt haar het liefst bij de haren.

Het duurde weken voordat ik je de eerste keer hoorde huilen. Ik vertelde aan iedereen die het horen wilde (en ook aan mensen die daar misschien helemaal niet op zat te wachten) dat je zo stil was. Inmiddels hebben we vastgesteld dat er met je longinhoud en interne klankkast niets mis is. Als je huilt, dan doe je dat goed: met veel volume, wild trappelende voetjes en echte tranen. Verschijnt er vervolgens een gezicht boven je bed, dan begin je te lachen. Op die manier wordt er natuurlijk nooit iemand boos. Klein charmeurtje dat je bent.

Waar je gehuil soms letterlijk pijn doet aan onze oren, is je gebrabbel en gepruttel echt een feestje om naar te luisteren. Er valt nog niets uit op te maken, maar ik vermoed dat je een groot verteller gaat worden. Wat je “zegt” onderstreep je met handen en voeten en een heleboel speeksel. Het spijt me voor je meisje, maar je moet nog een paar maandjes geduld hebben voordat je ouders begrijpen wat je precies bedoelt.

Je lust tot nu toe alles en je eetlust is groot. Daarmee pas je erg goed bij je familie. Jij wordt zo iemand die net zo lief olijven eet als raketijsjes. Over ijsjes gesproken, terwijl je mama en ik laatst een Luna-Rossa-ijsje aten, at jij een hele ijshoorn. Of eigenlijk sabbelde je die naar binnen, want van volgroeide melktanden is nog geen sprake. Bij Luna Rossa gaan we nog heel vaak komen, jij en ik.

Van sokken moet je net als ik niets weten. Hoe strak ze ook zitten en hoe hoog ze ook worden opgetrokken, jouw kleine voetjes zitten nooit lang opgesloten.

Je kunt heerlijk in slaap vallen met al je ledematen gestrekt: armpjes boven je hoofd, benen uit elkaar. Het concept ‘deken’ vind je achterhaald en zelfs bij een slaapzak krijg je het voor elkaar je beentjes er tussenuit te wurmen. Maar je kunt ook wegkruipen in de armen van de leuke jongen uit de trein. En dan smelt ik.

Je bent het liefste nichtje van de hele wereld.

Een feest voor echte vrienden en restkennissen

Het organiseren van een groot feest blijkt bijna net zo’n goede graadmeter voor het ontdekken van wie mijn echte vrienden zijn als het overlijden van mijn papa. Al roept de leuke jongen uit de trein dat ik daar geen feest voor nodig heb, dat ik zo ook wel kan raden wie echte vrienden zijn en wie voor ‘restkennissen’ door zouden moeten gaan. Ik vind zelf dat er, net als bijna tien jaar geleden, enkele verrassingen tussen zitten.

En dan heb ik het niet over de aardige jongen die mij anderhalve week geleden dumpte per sms, dat was veel meer dan een verrassing, dat was de spreekwoordelijke donderslag bij heldere hemel.

Bij de crematie van mijn vader waren er veel lieve vrienden. Mensen waarvan ik het niet verwachtte, omdat ik er op dat moment niet zo veel contact mee had, namen er een vrije dag voor en stapten -soms uren- in de auto of de trein. Er werden ontelbaar veel armen om mijn schouders geslagen, er kwamen stapels lieve kaartjes binnen. En met wie hem kende, deel ik nog regelmatig herinneringen. Bij mijn vrienden kan en mag ik ook nu nog huilen.

Een paar mensen ontbraken die dag, maar ook onder de mensen die er wél waren, zaten exemplaren die me later nooit meer vroegen hoe het met me ging, of mijn moeder het een beetje redde, of ik goed met mijn zusje kon praten, of mijn toen nog kleine broertje wel besefte wat er gebeurd was. Het onderwerp werd vakkundig vermeden of, als ik er zelf over begon, genegeerd. Niet meteen een reden om mensen af te schrijven als vriend, want ik besef heel goed hoe moeilijk het is om met iemands verdriet om te gaan. Ik had ook geen idee hoe ik met mijn toenmalige huisgenoot om moest gaan toen zijn broertje, twee maanden voor het overlijden van mijn vader, omkwam bij een auto-ongeluk. Wat uiteindelijk wel meespeelde om vrienden op mijn ‘verwaterlijstje’ te zetten, waren opmerkingen in de trant van ‘dat ik nu wel lang genoeg verdrietig was geweest’ (mijn toenmalige vriend was daar bijzonder goed in) of gejank over een verkouden konijn of een verdronken goudvis.

Op 11 augustus 2012 komt dan eindelijk dat grote feest waar ik iedereen al gek mee maak sinds ik vorig jaar mijn scriptie inleverde. En net als tien jaar geleden, blijkt ook nu: ik heb de liefste vrienden van de hele wereld. Wat een schatten!!! Ze hebben er verre reizen voor over in ellendig openbaar vervoer. Ze komen als Bob, als het echt niet anders gaat, terwijl het normaal gezien stevige drinkers zijn. Wie geen slaapplek meer heeft bij ons thuis, boekt een hotel, of haast zich naar de laatste trein. Ze gaan op zoek naar de leukste cadeaus. Ze verzetten andere afspraken om erbij te kunnen zijn. Ik voel me echt vereerd. En de vrienden die niet komen, hebben stuk voor stuk een verdomd goede reden. Dat ze in Ierland wonen bijvoorbeeld, of dat de uitnodiging voor een ander feest nog net even eerder was.

Net als na het overlijden van mijn papa, zitten ook nu de grootste aangename verrassingen onder de mensen die ik eigenlijk niet tot mijn beste vrienden rekende. Mensen die ik het geen seconde kwalijk zou nemen als ze niet zouden komen. Zij komen massaal mee feesten. Hoe lief is dat?!

Maar auw voor de ontdekking van de vergissing. Ik had gedacht dat ik er inmiddels tegen zou kunnen, maar het deed toch een beetje pijn dat er mensen waren die ik tot mijn goede vrienden rekende die niet reageerden op de uitnodiging (2 maanden voor het feest gestuurd), geen antwoord gaven op de herinnering (3 weken voor het feest gestuurd), en zelfs niets lieten weten op een laatste moment sms’je of voicemailbericht op de dag dat we in de kroeg moesten doorgeven hoe veel mensen er zouden komen. ‘Vrienden’ die de telefoon uiteindelijk opnamen, zeiden op zakelijke toon dat ons feest ze niet zo goed uitkwam en vonden het de normaalste zaak van de wereld dat ze dat nog niet hadden laten weten.

En toch. Ook tussen de mensen die niets van zich lieten horen, of een (in mijn ogen) onbenullige reden hadden om niet te komen, zitten er een paar waarmee ik het toch niet opgeef. Omdat we al zo ver terug gaan. Omdat we ooit wél lief en leed deelden. Of omdat we familie zijn.

Voor het volgende feest worden ze gewoon weer uitgenodigd.

 

Gedumpt per sms

Er was eens een jongen. Hij woonde in een levendig straatje in een verder rustig stadje. Hij had een goed stel hersens en een leuk koppie. Hij had een goede baan en -na wat heftig verlopen en weer afgebroken romances- een leuke vriendin. Hij was sportief en hield van avontuur. Daarnaast leefde hij voor muziek en voor zijn vrienden. In zijn vrienden investeerde hij meer dan dat hij terugkreeg, althans in mijn geval. Mea culpa.

Als hij belde om iets af te spreken, voelde ik me direct schuldig. Het betekende dat we elkaar al schandalig lang niet gezien hadden. Dan trok ik mijn agenda en spraken we iets af. Dan treinde ik naar zijn stad of hij zakte af naar het zuiden. Dan keken we foto’s van zijn laatste reis of luisterden we muziek van door hem ontdekte bands of door hem bezochte concerten. Mijn mp3-speler staat er vol mee.

Deze avontuurlijke, sportieve jongen besloot ergens in de afgelopen maanden dat onze vriendschap voorbij is. Met als aanleiding een carnavalsavond in februari waarvan ik me niet meer alles herinner. Toen ik hem gister een sms’je stuurde om iets af te spreken, kwam er binnen een minuut een boodschap terug die weinig aan de verbeelding overliet: hij wil niet meer met me omgaan en ik hoef nooit meer contact met hem op te nemen.

Ik ga er blindelings vanuit dat ik iets lomps heb gezegd. Misschien maakte ik een rare opmerking tegen zijn vriendin. Misschien stelde ik een domme vraag waarop ik het antwoord al lang had moeten weten. Het zou ook kunnen dat we die bewuste carnavalsavond iets hebben afgesproken wat ik later weer ben vergeten. De reden voor zijn boosheid, is ongetwijfeld mijn fout. Frustrerend dat ik geen enkel idee welke fout ik heb gemaakt.

Verbijsterd keek ik naar mijn telefoon. Mijn maag ging onmiddellijk in de knoop. Mijn hart kroop naar mijn keel. In de linker ooghoek van mijn rechter oog begon een traantje te kriebelen. Ik opende zijn bericht opnieuw en opnieuw. Vannacht heb ik liggen woelen als een woelrat. Ik voel me ontzettend dom. Hoe kan ik het gemist hebben? Hoe kan het me ontgaan zijn dat ik iemand die ik goed dacht te kennen zwaar heb gekwetst? Het feit dat ik hem in april nog belde om hem een fijne verjaardag te wensen en hij toen deed alsof er niet aan de hand was, zelfs de volgende dag nog een sms stuurde om me te bedanken, zou daar wel iets mee van doen kunnen hebben…

We zagen elkaar maar een paar keer per jaar (in elk geval tijdens carnaval) en misten elkaar niet, want we wisten allebei dat als we elkaar weer zouden zien, het gezellig als vanouds zou zijn. Nu zie ik hem misschien nooit meer. Ik mis hem nu al.

Blijkbaar moet er voor alles een eerste keer zijn. Ook voor gedumpt worden per sms. Carnaval maakt meer kapot dan je lief is.

Lange nagels

Zo lang ik ergens naartoe werk, houd ik mezelf wel overeind. Zo lang er dingen te ontdekken of te leren zijn, ben ik een tevreden mens. Een uitdaging? Fijn!

Een opleiding of cursus met een begin en een eind, een nieuwe woonplaats of werkplek waar ik mijn weg nog moet vinden, tijd investeren in nieuwe mensen omdat ik denk dat ze de moeite waard zijn om te leren kennen, mezelf bloot geven in een relatie omdat ik vind dat hij de moeite waard is om mij te leren kennen. Of trainen voor de 10 kilometer en die dan ook gaan lopen. En dan ook nog een maand niet drinken en als aangename bijkomstigheid een paar kilo afvallen. Iets ontdekken, iets leren, iets bereiken.

Het voelt alsof ik stilsta in een moeras. Ik zak weg. De opleidingen die ik wilde volgen, zijn afgerond. De leuke jongen uit de trein en ik hebben een fantastische relatie die ik voor geen goud zou willen missen. We kennen elkaar, zijn op elkaar ingespeeld, zien aan elkaars neus als er iets aan de hand is. Het is goed zoals het is. Maar de onzekerheid is er vanaf. Er is weinig meer te ontdekken.

In mijn huidige functie ben ik uitgeleerd. Op het werk weet ik zowel letterlijk (toilet, kantine, koffieautomaat) als figuurlijk (aan collega M kan ik alles vragen, aan collega T beter niet) de weg.

Mijn conditie is prima in orde en een grotere afstand dan 10 kilometer hoef ik niet zo nodig te rennen.

Het enige wat ik op dit moment wil, is een (deeltijd) baan in ‘de communicatie’. En de kans daarop lijkt met de dag kleiner te worden. Vorige week had ik twee sollicitatiegesprekken en ik was blij. Na zo’n 86 afwijzingen in mail- en brievenbus, zowaar TWEE keer door naar de volgende ronde. Maar de euforie is alweer gezakt. Van het ene gesprek hoorde ik vrijwel meteen dat ik ‘geen goede match’ was en of het andere gesprek iets oplevert, betwijfel ik. Er waren nog minstens drie andere goede kandidaten geselecteerd om aan tafel te schuiven bij de HR- en de Communicatie-meneer. Die ene opmerking blijft maar door mijn hoofd spoken “Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat je met zo’n goede CV al een jaar op een klantendienst werkt. Heb je wel genoeg gesolliciteerd?” Gemiddeld 1 sollicitatiebrief per week in de afgelopen 12 maanden ja, daarvan dacht ik altijd dat het veel was…

Dan trek ik de stoute schoenen maar weer aan en mijn grote mond weer open. Vervolgens zit ik aan tafel bij een communicatiebureau waar ze me ‘op regelmatige basis’ freelance opdrachten denken te kunnen bieden. Maar in de praktijk werkt het toch niet. Dan krijg ik een e-mail van dat ene bedrijf waar ik al ooit als vrijwilliger werkte dat ze het in de volgende teamvergadering er zeker over zullen hebben om mij in de vakantieperiode in te zetten. Om vervolgens te laten weten dat ze me toch niet nodig hebben. Dit duurt nu al een jaar en ik word er gek van! Knettergek! Boos, opstandig, verdrietig. En had ik al knettergek gezegd? Terwijl het ‘maar’ werk is.

Het feit dat ik zelfs mijn nagels laat groeien, zegt genoeg. Dat lukt me echt alleen maar als er geen enkel ander doel binnen handbereik is.

 

Als beeld en geluid met elkaar vloeken #2

Gisteravond gesignaleerd tijdens het optreden van Pearl Jam in de Ziggo Dome: Een kapsel met een scheiding. Een nek die verdween in de rechtopstaande kraag van een gestreepte blauwe polo. Benen gehuld in een grijze pantalon. Voeten in keurig gepoetste schoenen. Linkerarm om de schouder geslagen van een meisje met pareloorbellen en zachtroze gelakte nagels.

Woef

“Weet je wat het ergste is, alleen zijn, niemand hebben om tegen te praten.” We hadden net een toast uitgebracht op mijn tante. Het was gister alweer een jaar geleden dat ze overleed. Mijn oom nam het woord. Hij had het moeilijk.

Oom J is een ‘man-man’. Hij houdt zich groot, vraagt niet om hulp, en begint nooit als eerste over hoe hij zich voelt. Ik denk dat hij wel weet dat ik het meen als ik zeg dat hij altijd langs mag komen als hij eenzaam is, dat hij altijd welkom is voor een koffietje en een praatje. Toch zal hij nooit bellen om iets af te spreken.

Vertederend om te zien dat hij wél iemand heeft om tegen te praten. Waarschijnlijk hele verhalen, als er niemand anders bij is. Iemand die niets terug zegt en met zijn kleine tandjes venijnige gaatjes maakt in blote armen en alle planten in de tuin. Iemand die stilletjes achter een struik verdwijnt om te poepen. Iemand die in volle vaart uitglijdt op de tegelvloer in de keuken en daar toch weer vrolijk stuiterend vandaan komt. Lang leve Max.

Rampzalige allemansvriend

Hij heeft gelijk, de leuke jongen uit de trein, zo ongeveer elke keer als hij vraagt “Waarom vraag je het mij dan?!” In dit geval riep hij dat naar aanleiding van mijn vernieuwde lijst met wie ik allemaal voor ons feest heb uitgenodigd dat op 11 augustus gaat plaatsvinden. Een feest ter gelegenheid van (onder andere) mijn afstuderen, ons samenwonen, mijn verjaardag. Een feest als bedankje aan iedereen die ons ooit hielp met klussen of verhuizen en een feest omdat we toch nooit gaat trouwen. Een feest dat we, als het aan de leuke jongen uit de trein ligt, helemaal niet hoeven te geven. Maar ik kan een enorme zeur zijn…

Mijn grote mond wint het te vaak van mijn verstand. En ik houd me altijd aan mijn woord, behalve tegen de leuke jongen uit de trein blijkbaar. Of het nu gaat om “Volgend jaar ren ik de 10 kilometer” of om “Als je meewerkt aan mijn afstudeeronderzoek, mag je op mijn feestje komen.” Waarom heb ik niet gewoon en boekenbon verloot onder de deelnemers aan mijn scriptiegeneuzel? Bovendien, de meeste mensen kunnen zich mijn afstudeeronderzoek niet eens meer herinneren, zo lang is het geleden. Dus als ik mijn woord gebroken zou hebben, zou het lang niet iedereen zijn opgevallen.

Maar dus. Ik netjes overleggen met de leuke jongen uit de trein over het aantal gasten (feestruimte en feestbudget zijn ten slotte beperkt) en dan vervolgens toch veel meer mensen uitnodigen. Allemaal aardige mensen natuurlijk, maar de leuke jongen uit de trein kent ze niet eens. En het is ook ZIJN feest. Ik ben onverbeterlijk.

Grote mond kwam er weer mee weg

Terwijl mijn hamstrings nog zachtjes jammeren en mijn knieën nog bezig zijn terug te keren naar hun oorspronkelijke locatie, kan ik met mijn grote mond toch al drie dagen zeggen dat het gelukt is. Afgelopen zondag tien kilometer gerend over verraderlijke kinderkopjes en niet als laatste binnengekomen 🙂

Ik startte moeizaam sukkelend en dacht het eerste kwartier wel vijftien keer dat ik struikelend ten onder zou gaan. Geen vreemde gedachte aangezien ik bij het opstaan de onderste drie treden van de trap had gemist en mezelf al bijna had uitgeschakeld voor ik aan Maastrichts Mooiste kon beginnen.

Familie en vrienden en natuurlijk de leuke jongen uit de trein waren fantastische supporters die telkens weer op een andere plek langs de route opdoken. Dat hielp. Vriendin T week geen seconde van mijn zijde en maakte de ene na de andere opbeurende opmerking. Dat hielp nog meer. Mijn eergevoel deed de rest. En mijn voorbeeldige conditie na maandenlang trainen natuurlijk.