Als het toch eens lente werd

 

Ik beleef de laatste tijd meer lastige dagen dan me lief is. Dagen die bestaan uit: van hot naar her rennen, algehele moeheid, gebrek aan concentratie, dingen kwijtraken en mijn kop stoten (favoriete botsingen: mijn bovenbeen en de hoek van de salontafel, mijn tenen en de onderkant van de deur).

Die lastige dagen moeten eigenlijk gerelativeerd worden, want wie me lief is, is gezond. Maar relativeren is niet mijn sterkste kant en dat op zich is dan ook weer een reden om boos te worden op mezelf.

DSCN1480

Binnenkort is het niet alleen volgens de kalender, maar ook in de praktijk lente. Dan wordt alles beter.

De vreemdste eend in de kunstvijver

We kwamen er op de fiets, maar in een fietsenstalling was (uiteraard) niet voorzien. En daar stonden we dan, de leuke jongen uit de trein en ik.

Ik had mijn best gedaan. Een vrolijk jurkje, netjes tot aan de knie. Daaronder een glimmende, huidkleurige panty (met een beginnende ladder bij mijn dikke teen, onzichtbaar voor wie het niet wist). Pumps, oorbellen en armbandjes in dezelfde, bijpassende kleur. En een diadeem in mijn keurig gekamde en pas geverfde haar.

Toch ben ik nooit een vreemdere eend in de bijt geweest. Misschien viel niet zozeer mijn kleding op, als wel mijn grote ogen en mijn openvallende mond. De meeste andere bezoekers liepen er uiterst zelfverzekerd rond. Kin omhoog. Catalogus onder de in bont, tweed, of kant gestoken arm.

De Tefaf.

Prachtige dingen gezien. Blijkbaar overtuigend verliefd naar een ketting (of moet ik collier zeggen) gekeken. Want de verkoopster (of hoe moet ik haar noemen) ging meteen demonstreren dat dit witgouden exemplaar met kleine diamantjes in elkaar geritst kon worden tot een armband.

Maar bij elk nieuw kunstwerk ging ik me ongemakkelijker voelen. Zeker bij de kunstwerken waarop een stickertje kleefde: verkocht!

Van de bedragen die bij de Tefaf worden uitgegeven, kan het schoolgeld betaald worden van alle kinderen in een gemiddeld ontwikkelingsland. Om maar even iets belangrijks te noemen.

Bevoorrecht dat ik het een keer heb mogen meemaken. En absoluut het ongemak waard: weer een hele trits nieuwe linkedinvriendjes en hoogstwaarschijnlijk een paar nieuwe schrijfopdrachten.

Stilstand is achteruitgang

Knettergek word ik ervan, het pure gebrek aan vooruitgang. Vooral als ik mezelf met mijn vrienden vergelijk.

Ja, ik weet het, van huis uit meegekregen “jezelf nooit met anderen vergelijken”, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Mijn vrienden maken sprongen. Zij die van het huisje-boompje-beestje zijn, wonen allemaal in een prachtig huis met een keuken met een fatsoenlijke oven (oh jaloezie), een eetkamertafel waaraan met een groter gezelschap dan 4 mensen gegeten kan worden en een tuin met privacy. Zij die graag kinderen willen, zijn zwanger of hebben al kleine mensjes rondkruipen. Zij die van reizen houden, zien elk jaar een andere prachtige plek op deze aarde. Zij die carrière willen maken, hebben allemaal minstens één stap gemaakt; van communicatiemedewerker naar communicatieadviseur, van pedagogisch medewerker naar orthopedagoog, van callcentermedewerker naar callcentersupervisor of van vorgever naar art director.

En ik?
Niets.
Stilstand.
Achteruitgang zelfs.

Ik woon in een huurhuis met een mooie, lichte woonkamer, een grote slaapkamer en een logeerbed voor iedereen die langs wil komen. Het ligt bovendien op een toplocatie. Maar het gebrek aan (berg)ruimte frustreert me steeds meer, net als de keukenkastjes die langzaam uit elkaar vallen en de tuin waar nooit de zon schijnt en waar iedereen op je bord kijkt als je er zit te eten.

Ik heb werk. Net als ons huis, bevindt ‘kantoor’ zich op een toplocatie. Op kruipafstand. Maar daarmee zijn alle pluspunten wel zo’n beetje benoemd. Het is werk dat door iedereen die kan lezen en schrijven gedaan zou kunnen worden. Te weinig uren. Te weinig salaris. Nul mogelijkheden om door te groeien.

Kleine dingen, zoals het openen van een gezamenlijke rekening of het kopen van een auto, daar hebben we het nauwelijks over. Laat staan dat er beslissingen worden genomen over samenlevingscontracten, koophuizen, kinderen of verre reizen. Ook omdat de leuke jongen uit de trein en ik allebei struisvogels zijn.

En dus gebeurt er niets.

Behalve dat ik een steeds onuitstaanbaarder kreng wordt voor de mensen waar ik van houd.
Ik houd ook steeds minder van mezelf.

Moeders en jurkjes

Poging 386 om de spelfout uit mijn blogpost van 7 januari te halen, mislukte. Ook met ctrl F5. Stom systeem! Dan maar opnieuw te publiceren… Erg jammer dat ik dan ook de reacties kwijt ben 😦

Behalve hele lieve, heb ik vooral goudeerlijke vriendinnen, daar schreef ik al eerder over. Als we elkaars kleding beoordelen onder het genadeloze tl-licht van een pashokje worden er zware oordelen geveld: “Je lijkt net een postorderbruidje”, “Wat een oubollige tuttenjurk”, “In dat shirtje heb je enorme borsten”… Ook de leuke jongen uit de trein steekt zijn mening niet onder stoelen of banken: “Als je dat aantrekt, loop ik niet naast je” of “Dat heb je toch zeker voor  carnaval gekocht?”

Ik houd van die eerlijkheid. Als ik om me heen kijk in de stad, kan ik niet anders dan concluderen dat meer mensen wel wat eerlijke vrienden kunnen gebruiken. Indien zowel mijn kritische vriendinnen als mijn lief lovend zijn over de nieuwste aanwinst van mijn kledingkast, weet ik zeker dat het desbetreffende kledingstuk me goed staat. Dan stap ik zelfverzekerd de grote boze buitenwereld in. Kin omhoog, haren wapperend in de wind, glimlach om de lippen. Bij wijze van. Het jurkje dat ik tijdens ons feest droeg oogstte tientallen complimenten, ook van de meest kritische aanwezigen. Maar niet van mijn mama. Zij plakt standaard het etiket ‘te kort’ en/of ‘te strak’ op elk jurkje of rokje dat ik draag, dus ook op mijn feestkleedje.

Blijkbaar kan ik heel goed tegen kritiek en commentaar, behalve als het van mijn mama komt. Ik heb een fantastische mama: lief, zorgzaam, hip en avontuurlijk. Ik weet dat ze van me houdt (dat is wederzijds) en dat ze zich zorgen maakt over mijn overgewicht. Ik weet heel goed dat het op de lange termijn niet slim is voor mijn gezondheid om die overtollige kilo’s mee te slepen. Maar ik zit ondertussen prima in mijn vel en schaam me niet voor mijn lijf (waarmee ik 10 (!) kilometer kan rennen zonder dood neer te vallen). Of toch? Want als ik echt blij was met mezelf, dan zouden mijn mama’s etiketten me na al die jaren niets meer moeten doen. Ze doen me wel iets.

Opnieuw werd ik boos toen ik gister mijn überhippe groen-met-witte-stippen, superleuke, nieuwe jurkje liet zien dat ik korter had laten maken door mijn schoonmama. “Je hebt het toch niet té kort laten maken?”

Mens, erger je niet!

Omdat ik al sinds mijn eerste relatie (die van dat huwelijksaanzoek) weet dat je je lief niet kunt veranderen en dat ook niet moet willen, wil ik van een bepaalde ergernis af. Als iemand me kan helpen, graag!

Ik ben niet gehecht aan spullen en goed in weggooien. Kledingstukken die niet meer passen of die ik een jaar niet meer gedragen heb, gaan naar vriendinnen of de kledingcontainer. Spullen die ik dubbel heb gekregen of die ik toch niet ga gebruiken, worden omgeruild of weggegeven. Ik geef mensen graag cadeautjes. Eén keer per jaar loop ik mijn volledig administratie door; garantiebewijzen die niet meer geldig zijn of bankafschriften en jaaropgaven die de wettelijke bewaartermijn voorbij zijn, gaan vervolgens door de versnipperaar.

Toen ik Brussel verliet, gingen pannen, bestek en servies naar een collega en de helft van mijn meubels liet ik in mijn appartement staan voor het meisje dat er na mij kwam wonen. Er zaten best mooie spullen tussen, maar omdat ik ging samenwonen met de leuke jongen uit de trein en het nut van alles in tweevoud hebben niet zag, deed ik er afstand van. Zo was het ook logisch dat ik de cd’s weggaf die we dubbel bleken te hebben toen onze muziekcollecties met elkaar werden verenigd. Dat deed overigens wel een beetje pijn, aan mijn cd’s bleek ik toch meer gehecht dan ik dacht.

De leuke jongen uit de trein bewaart ALLES en dat is zijn goed recht. Gek word ik ervan. En daar wil ik vanaf. Het slaat namelijk nergens op, dat ik me zo aan zijn verzamelwoede erger. Het is niet handig dat zijn spullen zo veel ruimte in beslag nemen, maar eigenlijk heb ik geen last van zijn bewaarfetisj, zo lang we niet gaan verhuizen.

Wat maakt het mij nou uit dat er in zijn oude tas onleesbare bonnetjes, lege boterhamzakjes, snoeppapiertjes en pakjes zakdoekjes aan zijn agenda van 2011 vastplakken? Dat zijn ‘muziekspullen’ (verkreukelde setlists) in een rugzak zitten waar alle hengsels vanaf zijn gescheurd, zou me evenmin iets uit moeten maken, want heel veel plaats neemt het halfvergane ding niet in. Ik heb er geen last van dat hij al zijn basketbaltenues van de jaargangen 1992 – 2002, compleet met sportsokken, heeft bewaard. Ze zijn door mij netjes opgevouwen in een doos gestopt. Ik heb er ook geen last meer van dat er een stapel van 15 korte broeken in zijn kledingkast ligt, waarvan meer van de helft hem al te klein is zo lang ik hem ken. Ik heb sinds kort mijn eigen kledingkast, dus ‘who cares’? Nou… ik dus.

De enige reden dat ik me zo erger, is -denk ik- dat ik het niet snap. Ik kan zijn bijna autistische drang om ieder weekend ons huis van onder tot boven te poetsen, totaal niet rijmen met zijn gewoonte om de pasta die zijn ouders ooit meebrachten uit Italië, of de chocolaatjes die hij zelf ooit uit Canada meebracht, tot ver voorbij de houdbaarheidsdatum in de kast te laten staan. Ik kan zijn gulheid (hij trakteert mij regelmatig op van alles en nog wat en tijdens het stappen is hij de koning van de rondjes) niet rijmen met het bewaren van dubbele boeken (twee identieke exemplaren staan naast elkaar in onze boekenkast) en van cd’s die zelfs nog in het plastic zitten en die hij nooit gaat luisteren. Daar kan hij toch iemand anders blij mee maken? Maar hij zal er ongetwijfeld een goede reden voor hebben. Die ik dus niet begrijp.

Van mijn papa en mama heb ik geleerd om mensen te accepteren zoals ze zijn. Om van verschillen te leren. Om niet te veroordelen wat ik niet begrijp. In dit specifieke geval houd ik toevallig ook nog eens hartstikke veel van de persoon die zo van mij verschilt. Ik ben van plan (als hij dat goed vindt) nog héél lang met hem onder hetzelfde dak te wonen, misschien wel voor altijd. Dus ik wil van dat totaal nutteloze gevoel van ergernis af. Ik zeur veel te veel aan zijn kop en dat verdient hij niet. Hij begrijpt niet waarom ik me erger en ik begrijp het zelf ook niet. Dus daar schieten we allebei niets mee op.

Overigens vond ik mijn verbazing wél terecht toen de leuke jongen uit de trein vroeg of hij alle vier de lades in alle twee de nachtkastjes mocht hebben… Mijn droomhuis van twee blogs geleden, heeft een enorme zolder 😉

Lange nagels

Zo lang ik ergens naartoe werk, houd ik mezelf wel overeind. Zo lang er dingen te ontdekken of te leren zijn, ben ik een tevreden mens. Een uitdaging? Fijn!

Een opleiding of cursus met een begin en een eind, een nieuwe woonplaats of werkplek waar ik mijn weg nog moet vinden, tijd investeren in nieuwe mensen omdat ik denk dat ze de moeite waard zijn om te leren kennen, mezelf bloot geven in een relatie omdat ik vind dat hij de moeite waard is om mij te leren kennen. Of trainen voor de 10 kilometer en die dan ook gaan lopen. En dan ook nog een maand niet drinken en als aangename bijkomstigheid een paar kilo afvallen. Iets ontdekken, iets leren, iets bereiken.

Het voelt alsof ik stilsta in een moeras. Ik zak weg. De opleidingen die ik wilde volgen, zijn afgerond. De leuke jongen uit de trein en ik hebben een fantastische relatie die ik voor geen goud zou willen missen. We kennen elkaar, zijn op elkaar ingespeeld, zien aan elkaars neus als er iets aan de hand is. Het is goed zoals het is. Maar de onzekerheid is er vanaf. Er is weinig meer te ontdekken.

In mijn huidige functie ben ik uitgeleerd. Op het werk weet ik zowel letterlijk (toilet, kantine, koffieautomaat) als figuurlijk (aan collega M kan ik alles vragen, aan collega T beter niet) de weg.

Mijn conditie is prima in orde en een grotere afstand dan 10 kilometer hoef ik niet zo nodig te rennen.

Het enige wat ik op dit moment wil, is een (deeltijd) baan in ‘de communicatie’. En de kans daarop lijkt met de dag kleiner te worden. Vorige week had ik twee sollicitatiegesprekken en ik was blij. Na zo’n 86 afwijzingen in mail- en brievenbus, zowaar TWEE keer door naar de volgende ronde. Maar de euforie is alweer gezakt. Van het ene gesprek hoorde ik vrijwel meteen dat ik ‘geen goede match’ was en of het andere gesprek iets oplevert, betwijfel ik. Er waren nog minstens drie andere goede kandidaten geselecteerd om aan tafel te schuiven bij de HR- en de Communicatie-meneer. Die ene opmerking blijft maar door mijn hoofd spoken “Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat je met zo’n goede CV al een jaar op een klantendienst werkt. Heb je wel genoeg gesolliciteerd?” Gemiddeld 1 sollicitatiebrief per week in de afgelopen 12 maanden ja, daarvan dacht ik altijd dat het veel was…

Dan trek ik de stoute schoenen maar weer aan en mijn grote mond weer open. Vervolgens zit ik aan tafel bij een communicatiebureau waar ze me ‘op regelmatige basis’ freelance opdrachten denken te kunnen bieden. Maar in de praktijk werkt het toch niet. Dan krijg ik een e-mail van dat ene bedrijf waar ik al ooit als vrijwilliger werkte dat ze het in de volgende teamvergadering er zeker over zullen hebben om mij in de vakantieperiode in te zetten. Om vervolgens te laten weten dat ze me toch niet nodig hebben. Dit duurt nu al een jaar en ik word er gek van! Knettergek! Boos, opstandig, verdrietig. En had ik al knettergek gezegd? Terwijl het ‘maar’ werk is.

Het feit dat ik zelfs mijn nagels laat groeien, zegt genoeg. Dat lukt me echt alleen maar als er geen enkel ander doel binnen handbereik is.

 

Bellen

Vroeger wilde ik door zo veel mogelijk mensen vriendin genoemd worden, het liefst beste vriendin. Ik wilde een uitnodiging voor elke ‘fuif’ en ik wilde bij de stoere mensen horen.

In die tijd, de tijd van de telefoon met draaischijf en later van het eerste modelletje waarmee je door het huis kon lopen, wist ik met gemak dertig telefoonnummers uit mijn hoofd. Bellen was mijn grootse hobby. Uuuuuuuren hing ik met vriendinnetje B aan de lijn. Welk jurkje we aan zouden trekken naar de dansles, was een van de favoriete onderwerpen. En jongens. We hadden het veel over jongens.

Nu weet ik het nummer van de leuke jongen uit de trein niet eens. Ik ken nog twee telefoonnummers uit mijn hoofd: het vaste nummer van mijn mama dat nog hetzelfde is als toen we een huis deelden, en het vaste nummer van vriendinnetje A dat nog thuis woont en wiens nummer evenmin veranderd is in de laatste twintig jaar.

Ik houd helemaal niet meer van bellen en vermijd het zo veel mogelijk (niet handig als je callcenterwerk doet – maar gebeld worden is minder erg dan naar buiten bellen). Veel minder mensen noemen me vriendin. Ik ben vaker collega, studiegenoot of kroegmaatje. En dat is prima. Voor iedereen is plek in mijn telefoon.

Het grote wachten komt eraan

Het lijkt erop dat ik morgen de eerste versie van mijn scriptie ga inleveren. Te laat. Althans collegegeldgewijs. Maar toch een monumentaal moment. Waarna een dansje volgt midden in de hal van de bibliotheek. (Komt dat zien!).

Ik heb het onderschat. Alweer. Terwijl het ondertussen mijn derde scriptie is. Hoewel… het schrijfsel voor de opleiding journalistiek mag die naam eigenlijk niet hebben. In Senegal verzonnen V en ik fantastische verhalen om onze docenten later te overstelpen met onbestaande bronnen en nooit gehouden interviews. Deze keer heb ik alles wetenschappelijk onderbouwd. Ik heb in de afgelopen weken een hoeveelheid artikelen gelezen waarmee we ons hele huis zouden kunnen behangen. Tot aan de plafonds toe.

Behalve lezen en schrijven, hoorden vloeken, schelden, klagen en mezelf uit bed slepen tot mijn dagelijkse bezigheden. En daar ging ik weer met drie boeken, zes artikelen, een literfles water en mijn laptop op weg naar de bieb. Gratis en voor niets vergezeld door nat herfstweer.

Ik ben al weken onaangenaam gezelschap voor de leuke jongen uit de trein, een slechte vriendin voor mijn vriendinnen, en een nare stalker van vage bekenden. Want werkelijk iedereen heb ik met een vragenlijst om de oren geslagen in de hoop genoeg proefpersonen te vinden voor het statistiekhoofdstuk. Ook mensen waar ik al maanden geen contact meer mee had.

Ook met schuldgevoel kan ons hele huis inmiddels behangen worden.

Nog een paar uur typen. Nog een paar uur pijnlijke ogen en polsen kweken omdat mijn miniscule laptop totaal ongeschikt is voor reusachtige bestanden. Nog één nacht te kort slapen. Nog één ochtend op mijn tandvlees. En dan op ‘send’ duwen. Waarna het grote wachten op commentaar begint. Ondertussen ga ik met mijn lief naar Brussel. Podia en musea afstruinen. Eten in mijn lievelingsrestaurantjes. Witte vedettjes van de tap in café De Walvis. Wachten zal nog nooit zo aangenaam zijn geweest!

't Is een klein beetje zwaar

Nee ik mag niet klagen. Geen honger en dorst. Geen levensbedreigende ziekte. Sowieso mag ik niet klagen zonder studiegenoten en geneeskundekoffie. Maar oef wat zijn ze zwaar die laatste loodjes.

De feiten:

Mijn scriptie is aangeland in een periode waarin ik de vorderingen niet helemaal in eigen hand heb, althans als ik het spel volgens de regels speel. Dus is het wachten op proefpersonen. Collega’s, familie, dikke vrienden en vage bekenden; allemaal hebben ze mijn vragenlijstje op hun dak gekregen. En nog steeds niet genoeg antwoorden binnen… Ik was zeker en vast van plan me aan de ademische ethiek te houden, maar het begint nu langzamerhand te kriebelen om een paar proefpersonen een nieuwe nationaliteit te geven om aan genoeg Belgen te komen.

En dan dat vermaledijde hoofdstuk dat de titel Theoretisch Kader draagt. Aaaargh. Als ik er alleen al naar kijk, zie ik dingen om te veranderen. Ik blijf bezig. Het is nooit af.

Ondertussen voel ik me steeds een beetje schuldiger ten opzichte van de leuke jongen uit de trein. Hij klaagt niet, integendeel, maar toch… Dat hij al een jaar driekwart van de huur betaalt. Dat hij in zijn uppie gas, water, licht, televisie en internet bekostigt. Dat ik met mijn ochtenddiensten in het callcenter net genoeg heb voor de helft van de boodschappen.

Van het sollicitatiegesprek dat ik drie weken geleden in St. Vith had, heb ik niets meer vernomen. Op drie andere brieven die al meer dan een week geleden zijn gestuurd, heb ik (nog) geen enkele reactie, zelfs geen ontvangstbevestiging. Het goede nieuws is dat ik aanstaande maandag ben uitgenodigd voor een jobinterview. Voor een functie van 18 uur, wat dan eigenlijk weer veel te weinig is. Maar ook daar mag ik niet over klagen, want het is beter dan het werk dat ik nu doe.

Alles komt goed, ongetwijfeld, maar mag dat NU?

Azijnpisser zegt sorry

Boodschap: ik ben een azijnpisser, een muggenzifter en een zwartkijker. Daar wil ik hier en nu absoluut SORRY voor zeggen: sorry!!!

Oorzaak: in de afgelopen weken ben ik hard om mijn oren geslagen door mensen met als motto ‘Het is niet goed of het deugt niet’. Mensen die me dierbaar zijn.

Gevolg: huilen op de brede linkerschouder van de leuke jongen uit de trein.

Overpeinzing: ik wil andere mensen, zeker mensen die me dierbaar zijn, inclusief mezelf, niet verdrietig maken.

Conclusie: ik moet ophouden met het negatieve van dingen inzien.

En dus: als iemand te laat komt, moet ik niet meer denken “Hij/zij is de afspraak vergeten, omdat hij/zij mij niet belangrijk vindt”, maar ik moet denken “Hij/zij heeft vast een briljant excuus om te laat te komen.” Blijde boodschappen over bruiloften en zwangerschappen moet ik verwelkomen als een blijde boodschap. Geen “Zou je dat nu wel doen?” of “Gaan we nu nooit meer samen op stap?”, maar “Hartelijk gefeliciteerd!”

Dus.

Twee dingen:
1. wat de Nederlandse taal betreft blijf ik absoluut een muggenzifter;
2. klagen blijft mijn hobby. Zeker zo lang mijn scriptie niet geschreven is en er nog een bar met geneeskundekoffie en goed gezelschap bestaat.