In mijn eigen bubbel #2

De dag na de verkiezingen.

Wilders is een paar zetels kwijt, maar uiterst rechts heeft in zijn geheel gewonnen. En in Limburg blijft de PVV “gewoon” de grootste. Juist in Limburg? De provincie met héél veel grenskilometers en dus gebaat bij goede internationale betrekkingen. De provincie die bekend staat om de bourgondische inslag, het vieren van carnaval (hét feest bij uitstek waarbij iedereen gelijk is) en de gastvrijheid.

Betekenissen van gastvrijheid:
1) Gulheid in het onthalen van gasten 2) Hartelijkheid 3) Warm welkom

En dus stemmen we in Limburg massaal op een niet-democratische partij die vooral veel mensen uitsluit? Een partij die eigenlijk geen partij is, omdat er geen leden zijn. Een partij die het volwaardige ziekenhuis in Heerlen zou behouden. Een partij die beloftes sowieso niet na kan komen, omdat veel voorstellen lijnrecht ingaan tegen nationale en internationale wetten. Limburg is zogenaamd gastvrij, maar stemt op een partij die vooral bloeit bij het zwartmaken van de ander.

Ik schreef een paar dagen geleden dat ik wil begrijpen hoe mensen kiezen wat ze kiezen. Dat ik open wil staan voor andermans argumenten en niet meteen wil oordelen. Zeker ook omdat ik een aantal vrienden en goede kennissen heb, waarvan ik weet dat ze voor uiterst rechts zijn gegaan.

Maar het stormt in mijn hoofd.

Limburgers worden vaak als dom, lui en langzaam neergezet in de media. Of althans, dat vinden we zelf. Ik wil niet denken wat ik denk, maar ik denk het toch. In dit geval is het predicaat ‘dom’ best wel terecht. We zijn in ieder geval niet al te slim als we zo massaal stemmen op een niet-democratische partij die inmiddels heeft bewezen niets voor elkaar te krijgen.

En gastvrij? Dan toch vooral voor mensen die zo veel mogelijk op ons lijken.

Bonaire #2

“Snorkelen ging prima, ik kan sowieso goed zwemmen, heb een goede conditie, er is een professional bij, er kan niets mis gaan, let’s go!”

Dat is wat ik dacht toen ik vanmorgen een duikles nam. Ik ben niet bepaald bang aangelegd.

Maar zodra ik onder water ging, schoten mijn hartslag en ademhaling omhoog, mijn benen weigerden dienst en mijn brein schreeuwde alleen nog maar “omhoog, omhoog, omhoog!”

In een enorme hoestbui kwam ik boven. Volgens de instructeur waren mijn ogen onder water bizar groot.

Op een bankje op het strand, duurde het zeker een kwartier voor mijn hartslag weer normaal was.

En toch probeerde ik het nog een keer.

De tweede keer ging veel beter. Mijn ademhaling langzamer, mijn hartslag lager, en na een korte aarzeling besloten mijn benen om gewoon te ‘flipperen’.

Ik kwam vooruit, bleef mooi ‘zweven’ tussen bodem en boven, en na een tijdje durfde ik om me heen te kijken in plaats van alleen naar de professional die voor me zwom.

Vraag me niet welke vissen ik zag. Ik ben afgekeurd als vis.

Dankjewel DiveFactory. Dankjewel Luc. Dankjewel voor de aanmoediging, het geduld en de overwinning op mezelf.

Vermist, kwijt, verstopt

Ik heb nauwelijks meer hoop. Maar aan het einde van de werkdag liggen ze ineens wel op de balie bij het zwembad: mijn jas en mijn sjaal.

Spullen kwijtraken is een van mijn slechte eigenschappen. Ik verlies al dingen zo lang ik me kan herinneren. De keren dat ik van de basisschool thuiskwam met nog maar één handschoen of zonder broodtrommel zijn niet te tellen. Op de middelbare school raakte ik vooral pennen en schriften kwijt. Mijn ouders werden er gek van. Soms werden ze boos (en dat snapte ik dan ook nog). Soms moest ik van mijn eigen geld nieuwe spullen kopen. Of dat hielp? Nee, geen zak.

Inmiddels ben ik 44. Verbetering? Noppes. Gisteren liet ik mijn jas en sjaal in het kleedhokje bij het zwembad hangen. Ik merk na het zwemmen dat die spullen dus niet in mijn kluisje liggen en ga zoeken. Ik maak alle kluisjes en kleedhokjes open. Geen jas. Ik ga naar de balie waar de gevonden voorwerpen liggen. Geen jas. Ik kijk bij de wasbakken en föhns. Geen jas. Ook al weet ik zeker dat ik mijn jas mee naar binnen nam, ik controleer voor de zekerheid mijn fietstas. Geen jas.

Eén meevaller: mijn sleutels en mijn telefoon zitten niet in mijn jas. Al helpt dat mijn humeur verder niet. Dus vertrek ik verdrietig naar een klant. Extra verdrietig dit keer omdat het een hele fijne jas is, gekregen van mijn lieve schoonmama.

Op de terugweg, rond 18.00 uur, besluit ik nog even langs het zwembad te rijden. Met weinig hoop, ik heb immers overal gekeken.

Ik loop door de schuifdeur en zie ze meteen op de balie liggen: mijn jas en mijn sjaal.

Na 44 jaar snap ik nog steeds niet hoe ik het voor elkaar krijg. Meestal is kwijt ook echt kwijt. Dit keer word ik op wonderbaarlijke wijze herenigd met mijn bezittingen. Pjiew!

Kwijtraken en vergeten liggen dicht bij elkaar. Toch gaat het zakelijk gezien bijna nooit mis. Ik kom 99 van de 100 k eer op tijd bij afspraken en haal mijn deadlines. Maar vraag me niet waar mijn sleutels liggen. Ik moet dus wel eerder beginnen met me klaarmaken voor een afspraak dan een ‘normaal’ mens, omdat ik al weet dat ik iets moet gaan zoeken.

Ben jij team super georganiseerd en nooit iets kwijt? Of ben jij team chaos?

Het drama van de conflictvermijder

And nothing ever happens, nothing happens at all
The needle returns to the start of the song
And we all sing along like before

– Del Amitri

Ik laat me afschepen, om de tuin leiden, onder de tafel lullen, uit het veld slaan. En iedere andere uitdrukking die er bestaat voor een conflictvermijder. Een onhandige karaktertrek voor een ondernemer, maar vooral lastig in mijn ‘normale leven’.

Krijg ik kritiek, doe ik harder mijn best. Tenzij de kritiek echt nergens op slaat.

Krijg ik iets niet waar ik recht op heb, laat ik het vaak lopen. Geen zin in gedoe. Of nee, erger: angst voor gedoe.

Toen ik vandaag na twee mislukte pogingen, want geen gehoor, de meubelzaak bereikte waar we een fantastische bank kochten (zie mijn vorige blog) had ik mezelf dus al voor de derde keer opgepept.
‘Je niet gewonnen geven Lieke, je staat in je recht, ze zeiden zelf dat je altijd mocht bellen, we hebben ‘in house service’ bijgekocht, dus volhouden’.

Het probleem. De bank schuift iedere keer dat je erin gaat zitten, maar de viltjes blijven staan. Waardoor we iedere avond de bank op zijn kant moeten leggen om de viltjes opnieuw vast te plakken. Kan niet de bedoeling zijn.

Lief als ik ben, begin ik met “De superleuke paarse bank die vorige week werd geleverd… ” om vervolgens voor mijn doen redelijk ferm en volhardend te melden dat ze toch zeker wel een andere oplossing hebben dan viltjes en dat het volgens mij bij de service hoort om niet alleen een bank maar ook vloerbescherming te leveren. Plus dat de mannen die de bank kwamen leveren, zeiden dat we altijd mochten bellen en er voor ieder probleem een oplossing was.

Nadat de vrouw aan de andere kant drie keer heeft gezegd dat het beschermen van de vloer volgens haar niet bij de service hoort, dat alleen voor stoelpoten bepaalde dopjes bestaan maar niet voor banken, en dat er echt geen andere oplossing is behalve zelf ergens antislipmateriaal aanschaffen (ze noemt zelfs het bedrijf waar we dat kunnen doen), hang ik toch op.

Om nog twee minuten verbijsterd naar mijn telefoon te kijken.

Kan ik dit niet omdat ‘kinderen die vragen worden overgeslagen’ één van de rode draden was in mijn jonge leven? Kan ik dit niet omdat mijn hele familie kampioen is in zich niet uitspreken? Waar komt de angst vandaan? De knoop in mijn maag?

Zelfs toen ik ontslag nam op een plek waar de leidinggevende mild gezegd een slecht betalende hornox eerste klas was, had ik buikpijn. Bang dat er een discussie zou ontstaan. Bang dat er verwijten zouden komen over dat ik het team in de steek liet. Terwijl ik doodongelukkig was op die plek.

En dan heb ik het nog niet over die relatie waar ik veel te lang in bleef hangen. Hij bracht geweldige muziek op mijn pad (zie ook het begin van deze blog) en de seks was goed, maar verder was er geen bal aan. Hij maakte me onzeker, wilde me veranderen, was jaloers.

Nu baal ik dus weer van mezelf. Maar ik boek vooruitgang. Een paar jaar geleden had ik waarschijnlijk na een minuut al opgehangen. Nu bleef ik toch wel tien minuten aan de telefoon. Helaas met hetzelfde resultaat: nada, noppes, niks.

Bang voor de verkiezingsuitslag

Ik ben links. Goh, verrassing.

Met mijn elektrische fiets en mijn voorliefde voor het openbaar vervoer. Met mijn vrijwilligerswerk voor twee fairtrade gemeenten en voor een buurtpark in Maastricht. Met mijn gepassioneerde betogen om mensen lokaal te laten kopen in plaats van online te bestellen. Met mijn (kerst)kaarten van Oxfam. Met mijn biologische boodschappen en tweedehands kleding. Met mijn regenton en bijenhotel. Ik ben soms ook een hypocriet, want dit jaar vloog ik 3 (!) keer en ik kan nog steeds intens genieten van een lekker peperworstje of een stuk tonijn. Maar goed, in de basis ben ik voor een eerlijke en schone wereld, gelijke rechten, belasting op vervuiling, een ruimhartig asielbeleid en dat ‘de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen’.

In het verleden stemde ik vaak Groen Links, soms PvdA en soms D66. Drie partijen die ik de afgelopen jaren niet echt sterk vond. En Timmermans… die zit echt in mijn allergie. Hoe arrogant moet je zijn voor “Stem Timmermans” in een spotje dat alleen om jou draait en niet om je partij. Maar moet ik uit strategisch opzicht toch op zijn partij stemmen? Want welke partijen mogen straks een regering vormen? De partijen die het hoogst scoorden in de stemwijzers die ik deed, worden hoogstwaarschijnlijk geen regeringspartij. Moet ik daarom stemmen op GroenLinks-PvdA, een partij die een beetje links is en een regeringspartij zou kunnen zijn? Dan krijgen we misschien toch nog iets van een links geluid in de regering. Maar is dat een overwinning? Ik denk dat dat alleen een overwinning is als Timmermans zó veel zetels binnenhaalt dat hij met andere linkse partijen gaat samenwerken in plaats van met Omtzigt, Wilders en Yeşilgöz. Maar dat zie ik niet gebeuren. Jij wel?

Dus weet ik nog niet wat ik ga stemmen.

Los daarvan ben ik bang voor de uitslag. Straks wordt Wilders de grootste. De man van de “minder-minder” uitspraak. De man die geen enkele vluchteling meer wil binnenlaten en desnoods bestaande verdragen wil opzeggen. De man die vindt dat moslims minder rechten hebben dan andere mensen. De man die natuur en milieu niet belangrijk vindt. Hij is voor meer olie- en gasboringen in de Noordzee en vindt dat kolencentrales gewoon open kunnen blijven. En een voorbeeld van beleefde, empathische omgangsvormen gaat hij al helemaal niet zijn. Gezellig in een coalitie met Pieter wiens stemgedrag het meest overeenkomst met de SGP. En met Dilan omdat de VVD om een reden die ik niet snap altijd groot blijft. Daar kun je dan nog wel een Frans bij zetten, maar die gaat zo veel water bij de wijn moeten doen dat we daar weinig mee opschieten.

In een land met die coalitie wil ik helemaal niet wonen.

Maar moet ik nu strategisch stemmen of niet?

Schoenen

Schoenen die niet wisten waar ze heengingen
Spoelen aan op Griekse en Italiaanse stranden

Vluchteling zijn is een beetje sterven
Ook als je de overkant haalt
Een vluchteling is ontworteld
Met of zonder schoenen

In een ideale wereld blijft iedereen in zijn thuisland wonen
Maar een thuisland is soms angst, vernedering, pijn of honger
En dan vluchten mensen op zoek naar een beter leven
Of gewoon naar een leven, of iets dat op een leven lijkt

Wie de overkant niet haalt
Blijft vaak naamloos en zonder gezicht
Vijf miljonairs die vastzitten in een onderzeeër
Spreken veel meer tot onze verbeelding

En geen brokstuk, zelfs geen schoen
Blijft achter

Ze komt

Schooljaar 1997/1998.

Wat had ik een geluk met F. als ‘koppelgenoot’ tijdens mijn ‘uitwisselingsjaar’ met Benin. F. was de assertiefste, avontuurlijkste en meest geïnteresseerde deelnemer van de zes Beninezen die meededen, vond ik. En ze woonde op de leukste plek, ver buiten de chaotische stad waar je met gevaar voor eigen leven straten zonder verkeersregels moest oversteken. Drie maanden woonde ik bij haar en haar moeder, oma, tante, neefje en afwisselend tussen de 1 en 3 broers en zussen en soms een stiefvader. Die laatste had meerdere vrouwen en moest zijn tijd een beetje verdelen.

We woonden in een dorp met hoog gras langs de stoffige, rode paden. Een dorp opgebouwd rondom een eenvoudig kerkje dat meerdere keren per week bomvol zat. Op het kerkplein stond een reusachtige boom waaronder meubelmakers eenvoudige bedden en kasten maakten. Een dorp waar de ‘fietskippen’ (zoek dat maar op) onder de palmbomen scharrelden. Een dorp waar om 19 uur de olielampjes aangingen, want elektriciteit was er niet. En ’s ochtends haalde je water uit de put om te kunnen “douchen” (= uit een grote emmer water scheppen met een kommetje en dat kommetje over je hoofd gooien). Ik leerde er het principe kennen van ‘het dorp dat een kind opvoed’. Dat een familie er alles aan doet om geen gezichtsverlies te lijden en daarom ieder ander familielid beschermt. En ik leerde er in in sneltreinvaart Frans spreken. Ik had er de tijd van mijn leven. Maar eerlijk is eerlijk, wél omdat ik wist dat het tijdelijk was.

De drie jaar oudere F. woonde daarna ook drie maanden bij mij, mijn ouders, broertje en zusje. Ook in een dorp. En daar houdt de overeenkomst op. Zij leerde dat we onze grootouders niet in huis nemen, maar in een bejaardenhuis laten wonen (die bestonden toen nog). Zij leerde dat onze kranen niet van goud zijn, dat we niet iedere week in een vliegtuig stappen en we niet allemaal een chauffeur hebben. Dat was in Benin een beetje het beeld van de westerse wereld, omdat ze er naar Dallas keken op televisie. Maar natuurlijk zag ze ook hoe ongelofelijk goed we het hier hadden. Zelfs de armste mensen hadden een inkomen, schoon drinkwater en elektriciteit. Onze huisdieren verkeerden in een luxere positie dan sommige van haar buren. En we hadden niet allemaal een chauffeur, maar in ieder geval wel een auto en een paar fietsen.

Ik ben twee keer terug geweest. Nu is het haar beurt een bezoek aan Nederland te brengen. Ik wil het nu even niet hebben wat voor een ongelofelijk koud en ongastvrij land Nederland is voor mensen die vanuit een niet-Schengen land willen komen, want dat is een blog op zich waard. Wat ik wel wil delen, is de onrust die steeds groter wordt naarmate het zekerder is dat ze haar visum krijgt. Ik ben blij dat ze komt, dat ze de kans krijgt de mensen die ze hier leerde kennen, nog eens te zien. Ik vind het leuk dat we herinneringen kunnen ophalen aan onze avonturen als jongvolwassenen, wonend bij onze ouders, terwijl we nu zelf een grote mensen leven hebben. Of iets wat daarvoor doorgaat 😉 Ik vind het fantastisch dat ik haar mijn huis, mijn stad, mijn leven kan laten zien.

Maar het gevoel is dubbel. Ik kan de gastvrouw niet zijn die ik wil zijn. Ik voel me nu al tekort schieten. Terwijl ik enorme stapels papier heb ingevuld, de gemeente heb betaald voor een handtekening en regelmatig geld naar haar heb overgemaakt dat ze kan bijleggen voor haar ticket. Ik kan haar niet al mijn aandacht geven. Ik moet werken als ze hier is. Onze vakantie is pas half september. Ik kan het me niet veroorloven om in de maand juli vrij te nemen. De leuke jongen uit de trein moet ook werken, al heeft hij af en toe een snipperdag voor een spannende bergetappe in de Tour.

Laat ik haar alleen als ik voor een interview de deur uit moet? Redt zij zich met een OV-chipkaart en een simkaart en kan ze zelf eropuit? Voelt zij zich nog welkom als ik regelmatig weg ben? Is het stom of ongastvrij als ik met haar in het huis van mijn zusje ‘woon’ in plaats van in mijn eigen huis, waar de leuke jongen uit de trein dan ook zijn privacy moet inleveren? Kan ik het maken om haar daar af en toe een nacht alleen te laten slapen? Kan ik haar uitleggen dat ik met alle liefde de boodschappen voor haar betaal, graag een keer op mijn kosten met haar ga winkelen, maar dat het me niet lukt om daarnaast nog allerlei uitstapjes te betalen? Of zou ze dat ook helemaal niet verwachten?

Ik heb er vaker last van tegenover vrienden en familie, dat gevoel om tekort te schieten. Dan vind ik dat ik te lang niet heb gebeld. Of dat ik niet vaak genoeg heb aangeboden om ergens mee te helpen. Maar bij F is het gevoel erger. Buikpijngevender. De kans dat ze nog eens naar Nederland komt, is klein. De kans dat ik in de komende jaren naar Benin ga ook. Misschien is het de laatste keer dat we elkaar zien. In ieder geval is het de laatste keer dat ze ‘bekenden’ uit de generatie van mijn ouders gaat zien. Daar wil ik bij zijn. Om te brengen en te halen. Om te horen hoe ze herinneringen ophaalt met mensen die ze sinds 1998 niet meer zag. Om te vertalen waar nodig.

Maar hoe doe ik dat zonder mezelf voorbij te lopen, zonder mijn relatie te verwaarlozen en zonder haar tekort te doen?

Een dag om te vergeten

Dinsdag 24 november 2020. Een genadeloze rotdag.

Laat ik voorop stellen dat ik weet hoe goed ik het heb. Dak boven mijn hoofd. Eten op tafel. Kleren om mijn lijf. Mensen die van me houden. Ik ben gezond, heb geen schulden en word niet gediscrimineerd. Dus ik mag in mijn handjes knijpen en de grond kussen.

Dat gezegd hebbende.

Wat een rotdag.

Het eerste mailtje dat ik opende, was een slecht en afstandelijk opgesteld document van de politie. Dat ze na de brievenselectie hadden besloten dat ik niet op gesprek mocht. Voor een functie die me echt héél gaaf leek.

Gelukkig heb ik vandaag een sollicitatiegesprek, dacht ik. Eén waar ik serieus kans maak, dacht ik. Ik verheugde me op mijn favoriete treinreis. Die naar Roermond. Die waarop ik de leuke jongen uit de trein ontmoette. Maar de trein reed niet. Dus moest ik met de auto. En iedereen weet dat ik niet van autorijden houd.

Op weg naar het sollicitatiegesprek kwam ik in een wegomleiding terecht. Net op dat moment werd ik gebeld (zonder handjes). Maar vanwege lichte stress, reageerde ik ietwat kortaf tegen de potentiële klant aan de lijn en doordat ik geen twee dingen tegelijk kan, reed ik mezelf vast in een doodlopende straat. Ik had natuurlijk moeten zeggen dat ik later terug zou bellen, maar dat bedacht ik te laat. Ternauwernood kwam ik op tijd. Ik trok een sprintje naar de deur (zo ver ik dat kan met mijn hobbelbeen). Daardoor moest ik de eerste minuten van het gesprek nog even bijkomen.

De rest van het gesprek verliep vlot. Op alle vragen had ik een antwoord. Ik kwam goed uit mijn woorden. Gaf voorbeelden die mijn kennis ondersteunden. En de drie vrouwen aan de andere kant van de tafel reageerden bewonderend op mijn cv. Toen begonnen ze over vormgeving. Mijn antwoord dat ik de basis beheers van een aantal vormgeefprogramma’s was niet bevredigend. Want ineens bleek ik ook from scratch te moeten kunnen ontwerpen. Daarop antwoordde ik eerlijk dat ik dat niet kan. Het stond trouwens ook niet in de vacature dat dat moest.

Ik vind ook nog steeds niet dat ik dat zou moeten kunnen. Grafisch vormgeving is – net als fotografie – niet voor niets een vierjarige opleiding. Maar toen ik nog geen twee uur na mijn gesprek werd gebeld met de mededeling dat ik de functie niet kreeg, omdat ze voor de kandidaat hadden gekozen die wel kon ontwerpen, was ik zo teleurgesteld dat ik me inmiddels heb ingeschreven voor een cursus InDesign. No worries echte vormgevers. Ik zal jullie altijd blijven inhuren als het kan.

Op weg naar een volgende afspraak kwam ik nog een keer in een omleiding terecht en reed ik bijna een fietspad op. De eigenaar van een busje dat meer dan de helft van de weg blokkeerde, maakte geen aanstalten zijn voertuig aan de kant te zetten. Toen op hoop van zegen mijn spiegels ingeklapt en erlangs gereden. Doodeng! Eindelijk aangekomen in de straat waar ik moest zijn, kon ik het juiste huisnummer niet vinden. Dom, dommer, domst, had ik het verkeerde huisnummer opgeschreven. Een paar rondjes voor niets gereden en gelopen. Dus ook bij die afspraak kwam ik lichtelijk buiten adem binnen.

Eenmaal thuis na een rit die goed verliep op een bijna-botsing met een randdebiel na die besloot om een doorgetrokken streep te negeren, volgde een interview dat nergens naartoe ging. De persoon die ik interviewde had nog niet nagedacht over wat hij eigenlijk wilde vertellen. Het was duwen en trekken en nergens uitkomen. Dus komt er nog een vervolginterview.

Aan het verhaal dat ik vandaag wilde schrijven, ben ik ondertussen nog niet toegekomen en het is al 17 uur. “Ja, dan moet je niet gaan lopen bloggen!” Klopt. Maar als ik nog vol irritatie en frustratie zit, schrijf ik niet mijn beste verhalen.

Dus.

Dat.

Als nu het verkeerde liedje voorbij komt op de radio ga ik huilen. Zeker weten.

Sorry voor deze klaagzang.

Hoe is jouw dag?

Worden de lontjes straks weer langer?

De afgelopen maanden zijn voor veel mensen de vreemdste maanden die ze ooit meemaakten. Alles wijst erop dat het – ondanks goed nieuws over vaccinaties – voorlopig vreemd blijft. Of is dit echt ons nieuwe normaal?

In maart werden mensen overvallen door angst, hamsterden toiletpapier en pasta, wisten niet naar wie ze moeten luisteren, deelden af en toe nepnieuws en vermoedens. Het minste hoestje of een halve graad verhoging gooide planningen door elkaar. Maar dat was dan maar zo, even volhouden. Even klappen voor de zorg en meteen ook boodschappen meenemen voor de oude buurvrouw. Beertjes en hartjes voor het raam.

Maar met zijn allen de schouders eronder, werd protest een doemdenken. Werd demonstreren, afzetten tegen en lontjes zo kort dat de explosieven al ontploffen een halve seconde na het aansteken. De vermoedens die in maart nog aan enkele ‘gekkies’ konden worden toegeschreven, zijn inmiddels diepgewortelde overtuigingen die hele volksstammen vervullen met angst of haat. Deep state, satanistische pedofielennetwerken en Bill Gates die op dat alles toeziet. Wie bij een 5G mast in de buurt woont, maakt roerei van zijn hersenen. De overheid maakt ons met alle maatregelen bewust werkloos en straks krijg je alleen nog een werkloosheidsuitkering als je bent gevaccineerd. Oh ja, en acteurs krijgen betaald om door een teststraat te rijden. Ook mensen die ik ken en aardig vind, geloven dingen waar ik met mijn verstand niet bij kan.

Gelukkig heb ik nog geen echt gewelddadige dingen gezien, levend in mijn veilige bubbel. Heel blij dat ik niet in de buurt was van die trieste tegendemonstratie in Maastricht vorige week. Maar ook van ‘kleinere incidenten’ word ik verdrietig. Zoals de chauffeur die mij een paar weken geleden afsneed in de bocht. Toen hij eenmaal voor me reed, zag ik de sticker op zijn bumper: fuck de anderhalve meter. Ja, dat was duidelijk.

Hoe lang moet je nu al met een mandje of winkelkar de supermarkt in? Al maanden. Toch probeerde vorige week een meneer naar binnen te glippen zonder. Toen een medewerker van de winkel hem aansprak, begon hij te schreeuwen. Dat het een onzinmaatregel is en dat corona ook onzin is. Gelukkig pakte hij wel alsnog een mandje.

Hoe lang is het al dat je maar met een paar mensen ergens naar binnen mag? Toch stiefelden twee winkelende dames vorig weekend het koffietentje binnen waarmee ze de anderhalve meter direct onmogelijk maakten voor de mensen die al binnen waren. En een meneer die wel buiten stond te wachten, klaagde al na twee minuten hardop over hoe lang het duurde en dat de vrouw die binnen aan het werk was dat veel te traag deed. Na nog een minuut stampte hij boos weg terwijl hij de andere mensen in de rij een meewarige blik toewierp.

Het kan natuurlijk dat dit mensen zijn die ook vóór corona al vonden dat de wereld om hun draaide. Maar ik denk van niet. En dat geeft mij tenminste nog een beetje hoop. Dat als de wereld weer ‘normaal’ is de lontjes vanzelf weer langer worden. 

Wat denk jij?