Brief aan mijn nichtje #6

Lieve A,

Het logeerpartijtje zit er weer op en we zijn moe maar voldaan, de leuke jongen uit de trein en ik. Om tien over zes vanmorgen vond jij het welletjes en begon je te vertellen. Jij bent vrolijk en vol energie zodra je je ogen open doet. Je lijkt wat dat betreft helemaal niet op mij. Dansen, springen, tekenen en kusjes geven aan alle knuffelbeesten. Je kunt jezelf uren vermaken. De televisie aanzetten zodat je even rustig blijft zitten, werkt bij jou niet. Je keurt de televisie geen blik waardig. Wat heel goed is natuurlijk.

Toch ben je niet meer zo gemakkelijk in de omgang als een paar maanden geleden. Het woord ‘nee’ maakt geen indruk meer. Pas als we je vastpakken en onze stem verheffen, besef je dat het menens is. De eerste boterham leverde strijd op vanmorgen. Ik werd boos. Jij huilde tot drie keer toe dikke krokodillentranen. We wonnen allebei een beetje. Ik kreeg het voor elkaar dat je een gezonde bruine boterham met fricandeau at, terwijl je bedelde om zoetigheid. Maar de korstjes liet je liggen. Al was ik op mijn kop gaan staan, het zou niet geholpen hebben. Je zou er wel om hebben kunnen lachen.

Ondertussen verbeter je nog steeds je verleidingstechnieken. Je lacht en zwaait naar iedereen. Maakt soms zelfs een praatje. ‘Fiets’ en ‘woef’ zijn je favoriete gespreksonderwerpen die je toelicht in verder nog onverstaanbare zinnen. Vrouwen tussen de 25 en de 35 die de leuke jongen uit de trein met je zien lopen, krijgen meteen rammelende eierstokken en dreigen spontaan verliefd te worden. Jongere meiden roepen vooral ‘oooooh’ en ‘aaaaaah’ als ze je zien.

Je begrijpt ontzettend veel voor een ukkie van anderhalf. Jij zei ‘poept’. Ik zei ‘schone luier’. En voor ik het wist, had je al een luier uit de tas gepakt. Als ik ‘naar buiten’ zeg, loop jij al naar de kapstok voor je jas. We moeten gaan uitkijken wat we tegen elkaar zeggen, want er ontgaat je niets.

Na je middagdutje kroop je bij de leuke jongen uit de trein op schoot. Hij mocht je een hele tijd knuffelen. Ik smolt.

Kom je snel weer logeren?

Liefs,
L

Het is weer voorbij die mooie zomer

Over “goede” timing gesproken. Vanaf het moment dat de leuke jongen uit de trein vakantie had en ikzelf twee weken callcentervrij, hangt er een speciaal soort kou in de lucht die ik al een paar maanden niet meer heb gevoeld. Die kilte wordt ook wel ‘herfst’ genoemd. Van de weeromstuit springt er om het uur kippenvel op mijn armen. Ik heb weerstand geboden door zonder jas naar buiten te gaan. Op slippers zelfs. Ik ben een zomerkind.

Vanmorgen heb ik mijn verzet tegen de herfst opgegeven. Ik dook in mijn kast en vond mijn fluffie zwarte huisbroek achter de stapel kleurrijke zomershirtjes. Vanaf nu laat ik de herfst binnen door grote potten thee te zetten, stamppotten te koken, kaarsen aan te steken en onder een fleecedekentje te kruipen. Voor ik naar buiten ga, wikkel ik mezelf in een lekker lange sjaal. Ik kan weer wollige maillots aan onder mijn rokjes, waarmee het zomerse probleem van tegen elkaar klotsende blote bovenbenen meteen is opgelost. En als kers op de taart: ik mag weer laarzen aan 🙂

Wat de zomer van 2013 betreft, gelukkig hebben we de foto’s nog:

DSCN1727DSCN1783DSCN1716DSCN1780

De basisschool: daar kon je wat beleven!

“School is om te leren, niet om perfect te doen, toch?”, wijsneusde het meisje tegen haar mama vlak voor ze met twee treden tegelijk uit de trein sprong en bijna languit op het perron landde.

Glimlachend reisde ik verder.

Mijn basisschooltijd was er één om in te lijsten. Op de ‘openbare’ waar ik zat, mochten we allemaal onszelf zijn. Met perfectionisme hielden we ons niet bezig. De meesters en juffen ook niet. Als je een liedje wilde zingen op de weeksluiting, dan werd dat aangemoedigd, hoe vals je ook zong.

Waar je goed in was, daar mocht je in uitblinken. De meesters en juffen bouwden graag een (figuurlijk) podium voor je. Weken achtereen mocht ik in het kringgesprek voorlezen uit mijn zelfgeschreven epos over Soppie de mier en Tina de miereneter.

Tijdens het keuze-uur ontdekte je vanzelf of je nog onvermoede talenten had: op dinsdagmiddag ging je koken, naaien, fotograferen (en zelf afdrukken!), batikken, stempelen, beeldhouwen…

Behalve in de pauze op het schoolplein, konden we onze energie ook nog kwijt tijdens de gymles, het volksdansen, het expressiedansen en het rock ’n rollen.

De belangrijkste leerstof kwam altijd neer op samen delen en samen spelen.

“Wie heeft er op De Bundeling gezeten?” vroeg de wiskundeleraar bij de eerste les in de brugklas. Enthousiast staken we onze vingers op. “Ah, dan weet ik wie er niet kunnen rekenen.” Hij was een eikel, maar hij had wel gelijk.

Dat gaf niet, want wij Bundelingers bleken stuk voor stuk zelfstandige en sociale wezens te zijn.

Blij stapte ik uit de trein. En struikelde bijna over de trolley van de jongen die voor me liep. Lompheid heeft geen enkele docent mij ooit af kunnen leren.

Onbegrijpelijk Brussel

Brussel. Een stad waar ik van houd zonder dat ik begrijp waarom.

De dichtgetimmerde ramen, de zwervers, de kapotte stoepen en het royaal rondgestrooide afval; ze doen pijn aan mijn ogen. Pas bij goed kijken, vallen de dikke houten deuren op, de ornamenten aan de oude geveltjes, de verscholen groene tuintjes en balkonnetjes. De geur van urine en zweet overstemt op veel plaatsen die van verse wafels en oosterse specerijen. Maar toch, als ik langer dan 3 maanden niet in de Belgische hoofdstad geweest ben, begint het te kriebelen. De plekken die ik het hardste mis, zijn de plekken waar nog nooit iemand van het woord ‘klantvriendelijk’ heeft gehoord.

Bij Café de Walvis met zijn zenuwachtige jazzmuziek, witte Veddetjes van de tap, heerlijke maaltijdsoepjes en perfect uitzicht, kun je naar de bediening zwaaien tot je een ons weegt. Als je vervolgens aan de bar gaat bestellen, krijg je nog net niet te horen dat je niet zo ongeduldig moet zijn. De diepe zucht en rollende ogen maken dat ook wel zonder woorden duidelijk. We hebben er lang gezeten afgelopen weekend en zelfs nog een tweede Veddetje besteld.

Of neem Au Bon Bol. In dit onooglijke tentje wordt de lekkerste noodlesoep geserveerd van het noordelijk halfrond. Het is fascinerend om te zien hoe het kleine vrouwtje met de sterke bovenarmen die noodles vers staat te draaien. Maar veel korter af dan hier, kun je niet bediend worden. En de frisdrank komt in blik. We hebben er alweer heerlijk gegeten afgelopen weekend. En voor het eerst haalde ik de bodem van de kom!

Van de St. Gorikshallen met zijn prachtige interieur waar oude mannetjes schaak spelen en verliefde stelletjes op de banken zitten, is het algemeen bekend dat er binnen niet bediend wordt. De toiletten zijn er een beetje viezig en de toiletjuffrouw doet aan een boze heks uit een sprookje denken. Toch gaan we er altijd naartoe als we in Brussel zijn. Van de twee mensen achter de toog ging er 1 eten terwijl er nog 6 mensen stonden te wachten. Nummer 2 deed een poging het wereldrecord sloomheid te verbreken en kon niet meer dan 2 drankjes onthouden zonder opnieuw te vragen ‘wat het ook alweer moest zijn’. Na 15 minuten aan de toog en zelfs nog geen blik van deze jongeman was ik er klaar mee. Afgelopen weekend liep ik er voor het eerst onverrichter zake naar buiten. Zonder Brugs wit, huisgemaakte ijsthee of pecheresse.

En zo werd het de hoogste tijd om af te wijken van de geijkte paden. De ene aangename verrassing volgde de andere. De route van de Basiliek van Koekelberg terug naar het hotel bleek prachtig: door brede straten met statige herenhuizen en veel groen. Per ongeluk belandden we in de Kruidtuin, die op een steenworp afstand van het hotel bleek te liggen. Er stond nog veel in bloei en het gonsde er van de activiteit van hommels en vlinders. We sloten onze minivakantie af in een onopvallend cafeetje waar we neerstreken omdat we te vroeg waren voor de trein maar te laat om nog iets te gaan doen. De ontvangst was er allerhartelijkst en de prijzen laag. Als kers op de taart ontdekten we er een biersoort die meteen in onze ‘zomer-top-3’ terechtkwam.

Zou dat het zijn? Houd ik van Brussel vanwege het onverwachte? Vanwege de tegenstellingen? Of omdat ik er telkens iets nieuws ontdek?
Ik hoef het niet te begrijpen.
Ik moet telkens terug.

DSCN1282

Pssssst

Hoe hoger de temperaturen, hoe hitsiger de DrugsDealertjes om de hoek. Waar ze me in de winter vooral negeren zodra ze snappen dat ik geen potentiële klant ben, is het nu al een maand lang elke dag van ‘Psssst’.

Ik loop er niet schaarsgekleed bij, daar heb ik het figuur niet voor.
Ik ben niet uitbundig opgemaakt, daar heb ik het talent of het geduld niet voor.
En een elegant of uitdagend loopje heb ik ook al niet. Op slippers loop ik een beetje te sloffen en op hakken probeer ik vooral mijn evenwicht te bewaren en te overleven.

Dat maakt de PortiekPissers in mijn buurtje, die ook bij 30 graden nog opvallend vaak in het zwart gekleed zijn, allemaal niets uit. In de afgelopen dagen zijn alle clichés voorbij gekomen na het welbekende ‘Psssst’. Van ‘mooi meisje’ tot ‘lekker ding’, van ‘mag ik je nummer’ tot ‘zal ik even met je meelopen?’ Slechts één van de StoepStumpers gooide het afgelopen week over een andere boeg. Hij begon te klappen toen ik langsliep.

Ik houd van de zomer en ik houd van complimenten. Jammer dat die complimenten voornamelijk van GevelGroupies komen.

Campingnostalgie en een huisje in Normandië

We gingen 29 juni samen op vakantie, mijn zusje, mijn nichtje en ik. Onderweg naar Normandië (althans op de momenten dat ik niet achter het stuur zat) maakte ik een wandeling door mijn herinneringen. Mijn zusje en ik waren meestal een goed duo, in de tijd dat we nog met mijn ouders op vakantie gingen. We gingen altijd kamperen. Oh genot. Oh nostalgie.

Hoogtepunten waren elke vakantie:

  • Over een al bijna donkere camping samen naar het sanitairgebouw lopen (‘solitairgebouw’ volgens mijn zusje) waar de akoestiek perfect was om hard naar elkaar te roepen vanaf het toilet. Samen tandenpoetsen en gekke bekken trekken in de spiegels.
  • Na een lange dag vol zon en zwembad in ons kleine tentje kruipen om ons te nestelen op een hobbelig luchtbed in dunne slaapzakjes met een psychedelische jaren ’70 print. Met de jaren werd het harder lachen om in die slaapzakken te komen. Konden we in de ‘beginjaren’ nog rechtop staan om onze vrolijke topjes en kinderlijke korte broekjes te verruilen voor een schattig nachthemdje, eenmaal boven de 10 moesten we dat halfzittend doen. De grote zaklamp in de nok van ons tentje zorgde dan voor een spannend schaduwspel. We namen de dag door alsof onze ouders niet op een meter afstand een wijntje zaten te drinken op de weinig originele blauwe campingstoeltjes met het witte anker. Waarschijnlijk hoorden ze elk woord en lachten ze erom.
  • Met papa naar de campingbakker lopen en daar ‘un baaget silvoeplet’ bestellen. Blij worden omdat papa daar dan trots bij stond te kijken.

    DSCN1743

Deze vakantie was de eerste voor de zusjes zonder ouders. De reden dat ik meeging -jaren na ons laatste kampeeravontuur- was niet omdat ik toch toevallig 7 weken schoolvakantie had. Ik viel in voor de man van mijn zusje, die langer dan gepland in zijn thuisland verblijft. Het was ook geen tentje dit keer, maar een schattig klein huisje met schilderijtjes van bootjes en vissen aan de muur. Bij de bakker bestelden we ons brood in correct Frans. Niemand die trots op ons neerkeek. Lekker was het wel (pain au chocolat, brioche, croissants!). We deelden geen tent, maar wel een bed. We hadden een heerlijke vakantie. We bleken nog steeds een goed duo, mijn zusje en ik.

Onze volgende missie: kamperen! Ik gun mijn nichtje net zo’n fijne herinneringen als mezelf.

DSCN1676

Vannacht op de huisartsenpost…

Een van mijn slechtste eigenschappen is dat ik te veel klaag. Vaak over dingen die helemaal niet zo dramatisch zijn of over dingen waar ik toch niets aan kan veranderen, zoals het ongelofelijk slechte weer deze zomer of de lange rij aan de kassa van de supermarkt. Bovendien ben ik een echte jankert; voel ik me gekwetst of onbegrepen, dan rolt er al snel een traantje. Dat vind ik ook geen al te beste eigenschap, ik vind mezelf op dat moment meestal een aansteller.

Heel anders is het bij fysieke pijn, daar klaag ik zelden over en erom huilen gebeurt al helemaal niet. Toen ik op de boerderij waar ik altijd speelde mijn onderbeen openhaalde aan een roestige spijker, klom ik rustig uit het hooi en ging binnen aan het jongetje des huizes om een pleister vragen. Een docent op de basisschool viel bijna flauw toen hij het gat in mijn been zag dat ik opliep toen ik in plaats van over een muurtje te springen er tegenaan sprong. Ik bleef volkomen kalm en zei ‘doe er maar wat jodium op, dan kan ik verder spelen’.

Die tolerantie ten opzichte van pijn heb ik weten te behouden tot vandaag.
De ontsteking achter mijn oor die om de zoveel tijd terugkomt.
De blaren op mijn voeten na het rennen.
De eeuwige botsing tussen mijn bovenbenen en hoekjes van tafels.
Ik haal er mijn schouders over op.
Het zij zo.

Maar vannacht, op de huisartsenpost in het ziekenhuis, had ik gewild dat ik had kunnen vloeken, tieren, klagen en huilen. Ik kon het niet. Ik kon alleen maar rondlopen en in stilte heel ongelukkig uit mijn ogen kijken. Waarschijnlijk een galsteen, concludeerde de dokter toen ik eindelijk aan de beurt was.

Zelden ben ik overigens onvriendelijker behandeld dan door de doktersassistente in de huisartsenpost. Er hangen overal bordjes dat de medewerkers respect verdienen, dat kwaad worden slecht is voor je hart, dat agressie niet wordt geaccepteerd en dat vriendelijkheid een belangrijke deugd is. Misschien even aan de assistente uitleggen wat vriendelijkheid betekent? Dat betekent niet dat er geen ‘goedenacht’ vanaf kan als je binnenkomt en dat betekent ook niet dat je iemand af moet blaffen omdat ze geen afspraak heeft gemaakt. De dokter zelf was ook geen toonbeeld van vriendelijkheid. Als ik mijn broek voor je moet laten zakken omdat je een lange naald in mijn bil wil steken, mag je je op zijn minst even aan me voorstellen.

En zo ben ik toch weer aan het klagen.

P.S. Waar ik absoluut NIETS over te klagen heb, is over de leuke jongen uit de trein, die mij in een taxi hees en mijn hand vasthield. Aaaaaah.

Elke week een schoon huis. Djuuh.

Poetsen. Er zijn maar weinig dingen waar ik zo’n hekel aan heb. Geen enkele klus is zo ondankbaar. En zo saai. Zo hard als ik studieontwijkend gedrag vertoonde toen mijn scriptie af moest, zo hard vertoon ik poetsontwijkend gedrag sinds het diploma binnen is.

De leuke jongen uit de trein heeft me al best goed opgevoed. Zo droog ik iedere ochtend de badkuip, de tegels en de douche. Iets wat ik nóóóóit zou doen als ik mijn huis niet met hem zou delen. Komaan, het is een huurhuis, en zo veel vlekken zie je niet op die lelijke beigebruine tegeltjes. 

Onkruid uittrekken, afval naar de container brengen, de vaatwasser uitruimen… ja zelfs aan boodschappen doen en strijken, heb ik een minder grote hekel dan aan poetsen. Ons huis is nogal stoffig van aard en drie dagen later kan ik mijn naam alweer op de vensterbank schrijven. Eén keer koken en het fornuis ziet er alweer uit of er een ontploffing is geweest.

Toch betrapte ik mezelf laatst met een vuilniszak in de ene en een vaatdoek in de andere hand. Vrijwillig. En niet eens in mijn eigen huis. Bij een goede vriend ging ik de knuffelkatten voeren. Zijn woonkamerkeukencombinatie was zo smerig (“Die lucht!!!”, hoor ik Gerard Ekdom nu zeggen) dat mijn brein mijn lichaam blijkbaar automatisch inschakelde.

Maar hier zit ik weer. Te bloggen. Facebook te checken. De krant te lezen. Alles om nog geen stofdoek, bleekmiddel of afwasborstel ter hand te nemen. 

Maandag had ik tijd. En dinsdag. Maar morgen ook…

 

Toch anders

Ze hebben min of meer dezelfde achtergrond, mijn moeder en de moeder van de leuke jongen uit de trein. Beiden komen uit een groot gezin als dochter van hardwerkende arbeiders (mijnen). Beiden zijn opgegroeid in een Limburgs dorp. Niet in rijkdom, in echte armoede evenmin. Met de katholieke waarden en normen.

Op papier zijn ook de familiedagen nagenoeg gelijk:

Familiedag bij de leuke jongen uit de trein:
*verzamelen met koffie en vlaai
*een (sportieve) activiteit
*eten
*naar de kroeg

Familiedag bij ‘ons’:
*verzamelen met koffie en vlaai
*een (sportieve) activiteit
*eten
*naar huis

Bij de leuke jongen uit de trein is het flauwekulgehalte enorm hoog. De activiteit wordt doorgaans niet serieus uitgevoerd. Zo ging het fietsskeltertreinding afgelopen zaterdag alle kanten uit behalve de goede. Mensen sprongen uit en weer in hun stoeltje, reden elkaar in de wielen, gingen langs de kant staan met een zakdoek als formule-1 vlag en probeerden zo hard mogelijk de berg af te rausen. De activiteit was net als eerdere jaren gewoon een excuus om daarna weer met zijn allen te gaan drinken. Als de pot leeg is, legt iedereen bij. En nog een keer. Ondertussen gaan de gesprekken vooral over vakanties, feestjes en de achterneef van de vrouw van de klant van de bakker en daar dan de vriendin van. Er wordt geknuffeld dat het een lieve lust is. Rond middernacht worden de eerste taxi’s gebeld.

Bij mijn familie wordt af en toe een grap gemaakt, maar blijft de sfeer net als de gespreksonderwerpen serieus. Het gaat vaak over werk of geld. Het is gezellig maar wordt nooit lollig (de rol van lolbroek werd in het verleden door mijn vader uitgevoerd en is na zijn overlijden door niemand anders opgepakt). Iedereen is oprecht geïnteresseerd in elkaar; er wordt uitgebreid bijgepraat en meegeleefd, maar zonder fysieke bijval. Knuffelen, dat is iets voor achter de voordeur. Net als gek doen, als dat al ooit gebeurt. Mijn moeder waagt zicht op elk familiefeestje wel aan een dansje, maar vindt meestal weinig bijval. Na het eten vallen de gesprekken stil. De vrouwen geven elkaar drie zoenen, de mannen geven elkaar een hand. En iedereen kan nog naar huis in zijn eigen auto.

Het laat zich raden in welke familie ik zonder kritiek mezelf kan zijn 😉

IMG-20130615-WA0000