Brief aan mijn nichtje #5

Gister schreef ik brief nummer 5. Een lange brief. Te privacygevoelig voor het wereldwijde web. Hieronder de ingekorte versie.

Lieve A,

Jouw vrolijke lach, je twinkeloogjes, je zwaaiende en klappende handjes en je liefdevolle begroeting (haaaaai) waar vooral de leuke jongen uit de trein van smelt; we mogen er steeds vaker van genieten. We worden vrolijk elke keer dat we je zien. Als het aan ons lag, kwam je elke dag op bezoek.

Laatst bleef je een heel weekend bij ons. Een heerlijk logeerpartijtje waarin jij het middelpunt van belangstelling was en wij alleen maar konden glunderen. De hele buurt was op slag verliefd op je. De overbuurvrouwen wilden met je knuffelen. De overbuurman zwaaide naar je vanaf het balkon en jij bleef terugzwaaien. Op het terras waar we wat gingen drinken, zat je erbij als een ervaren caféganger. Met allebei je armen op de leuning en een grote lach op je gezicht genoot je van de aandacht die je kreeg vanaf de andere tafels. In de speeltuin durfde je alleen van de glijbaan. Het nichtje van de leuke jongen uit de trein raakte niet over je uitgepraat: “Wat een schatje!”

Je hebt het geschopt tot achtergrond op onze laptop. Telkens als de leuke jongen uit de trein de computer aan zet, zegt hij: “Ik wil knuffelen!”.

Het is jammer dat je je later niets meer van deze periode herinnert. Geliefd door iedereen. Op handen gedragen. Zorgeloos.

Liefs,
L

Over dingen die voorbij gaan

Vanavond zat ik met drie vriendinnen aan tafel die ik respectievelijk al 25, 21 en 10 jaar ken. We zaten in een gezellige kroeg met uitzicht op het water. We dronken koffie en aten chocolademousse. Het gesprek ging over ingrijpende veranderingen in onze eigen levens en die van dierbaren. We spraken over leuke dingen zoals nieuwe liefdes en kinderen die binnenkort ‘hallo wereld’ kunnen zeggen. Maar we spraken vooral over nare dingen zoals pijnlijke scheidingen, verkeerde keuzes, onhoudbaar struisvogelgedrag, en de afnemende gezondheid van onze ouders. Wijzelf en de mensen om ons heen staan voor ontelbare beslismomenten. Beslissingen die véél impact zullen hebben. Beslissingen waar in de meeste gevallen -ongewild maar onvermijdelijk- anderen de dupe van zullen zijn.

Een half leven geleden maakten we ons druk over welk jurkje we aan zouden trekken naar dansles. We werden boos op onze ouders, omdat we veel te vroeg thuis moesten zijn. We stresten voor onze eindexamens. We giechelden over leuke jongens. We bestelden zoete mixjes (bessen-jus, safari-jus, passoa-jus, of bij uitzondering rum-cola) en gingen daar nog harder van giechelen.

We dachten dat ons leven gecompliceerd was.
Wat waren we nog groen achter onze oren…

Proost, op de volgende 16 jaar!

Marokko 22 feb 3 mrt 030

Uitnodigende billen

En zo stond er ineens een jongetje van 3 voor mijn neus, dat van zijn ouders zijn excuses moest aanbieden.

Achter ons in de rij bij de incheckbalie van de vliegmaatschappij staat een grote, vrolijke, internationale familie. In het gezelschap wordt met drie verschillende kleuren paspoorten gezwaaid. De kinderen hebben de grootste lol, ze hebben hun zonnebril alvast opgezet en spelen tikkertje en verstoppertje tussen de koffers.

De leuke jongen uit de trein en ik lachen om de vrolijkheid van het bonte gezelschap, maar houden onze ogen vooral gericht op het kleurrijke figuur dat voor ons in de rij hangt. Hij neemt enkele vierkante meters vloeroppervlak in beslag. Hij zit temidden van al zijn slordig verspreide spullen, maar heeft enkel oog voor zijn laptop. Zijn kleding is een beetje viezig, net als de dreadlocks op zijn hoofd. Als er beweging in de rij komt, staat hij met tegenzin op, raapt wat spullen bij elkaar, en schopt zijn laptop vooruit. Om vervolgens weer ter aarde te storten. Als iemand van de vliegmaatschappij alvast de paspoorten wil controleren, kan hij die van hem niet vinden.

Gefascineerd door het schouwspel voor ons letten we niet op de kinderen achter ons. Ineens petsen twee kleine handjes tegen mijn billen.

Ik: “Huh?”
Moeder: “Dat mag niet!”
Vader: “Je zegt nu sorry tegen die mevrouw.”
Kind (met zijn hoofd naar de grond): “…”
Moeder: “Je hebt papa gehoord, zeg eens sorry tegen die mevrouw.”
Kind: “…”
Ik: “t Is al goed hoor.”
Leuke jongen uit de trein: “Van wie zou hij dat toch geleerd hebben?”
Vader (met een rood hoofd): “Ehm…”
Kind (fluisterend): “Sorry.”

Nu vraag ik mij al de hele tijd af hoe het kleine jongetje en zijn vader hun tijd in Spanje zijn doorgekomen. Honderden Spaanse en toeristische billen flaneerden er over de boulevards. De meeste Spanjaarden zijn maar klein, dus de billen bevonden zich over het algemeen op ooghoogte van het jongetje en waren bij voorkeur gehuld in (te) kleine, ultrakorte spijkerbroekjes…

Brief aan mijn nichtje #4

Twee weken geleden bleef je voor het eerst bij ons logeren. Je was ongelofelijk verkouden; rochelde en hoestte onafgebroken. Desondanks was je bij binnenkomst meteen je eigen vrolijke en avontuurlijke zelf. Dat avontuurlijke karakter kon je meteen ten volle benutten, want ons huis is ideaal voor een ontdekkingstocht. Alles staat op grijphoogte: boeken, cd’s, planten, kastdeurtjes… Voordat je ergens je handjes naar uitsteekt, kijk je voorzichtig om je heen of er iemand kijkt. Je zet er zo’n onschuldige ogen bij op, dat het bijna moeilijk wordt om ‘nee’ te zeggen. Dus laat maar gaan, trek de kranten en de kaarsen maar van tafel, er kan niet veel aan stuk gaan.

Natuurlijk ging je veel te laat naar bed, want we hadden een chaotisch programma. Iets met spullen ophalen en een auto terugbrengen. Daarna gaf je mama ons nog tekst en uitleg: deze hoestdrank mag je zes keer per dag, neusdruppels vind je niet fijn, deze crème is om je ’s morgens mee in te smeren, bij het ontbijt moet je ook vitamine-D-druppeltjes, er moet zo veel melk bij je pap… Het respect voor mijn kleine zusje werd meteen nóg groter. Een flinke gebruiksaanwijzing, die ze toch grotendeels in haar eentje volgt nu je papa voor een werkproject in zijn thuisland is.

Je viel meteen in slaap en de leuke jongen uit de trein en ik ploften op de bank. Midden in de nacht werd je hoestend en rochelend wakker. Bezweet en met traanogen. We smolten bijna van medelijden. Wilden je uitleggen dat je diep moest ademhalen, dat je slijm best mag uitspugen, dat je een neus ook kunt snuiten. We voelden ons hulpeloos. Na een hoop sussende woorden en een slokje water ging je weer slapen. Maar wij niet meer, onze oren gespitst om elk geluid uit de logeerkamer op te vangen. De leuke jongen uit de trein was aandoenlijk bezorgd. Ook als we niets hoorden, vond hij dat ik op moest staan om te kijken. “Ze is wel heel erg stil, misschien krijgt ze geen lucht meer.”

De volgende morgen was er aan jou niets te merken van een gebroken nacht. Jouw zonnige humeur verdreef al snel onze vermoeidheid. Na het ontbijt nam ik je mee naar de speeltuin. Voor de klimtoestellen en de glijbaan had je niet veel belangstelling. Wel voor het grindpad rondom de speeltuin, voor het hek dat je zelf open en dicht kon doen, en voor de mannen die buiten de speeltuin aan het werk waren met allerlei zwaar gereedschap. Als ik je niet had tegengehouden, had je bij ze in de garage gestaan.

’s Middags gingen we op bezoek bij een vriendin wiens zoontje op dezelfde dag werd geboren als jij, maar dan een jaar later. Het baby’tje vond je niet interessant, zijn oudere zus en haar speelgoed wel. Samen stonden jullie in het miniatuurkeukentje. Jij vooral met je handen op dat wat voor een fornuis door moet gaan…

Op weg naar huis viel je in slaap. In een onmogelijke houding. Maar ook nu was je bij het wakker worden weer meteen je vrolijke zelf. Je mama kwam wat ons betreft veel te vroeg om je op te halen. Ze boft maar met zo’n zonnetje als jij.

Op vakantie droom ik van een leven in traagheid

Als ik over een kleur- en geurrijke markt struin of tapas eet op een terras met uitzicht op zee, ga ik dromen. Dromen van een leven in traagheid. Een buitenleven.

Ik droom dat ik gelukkiger zal zijn als ik vanachter mijn laptop uitkijk over olijfboomgaarden of zonnebloemvelden. Zittend in mijn tuin waar kruiden, fruit en groenten weelderig groeien, typ ik af en toe een column of een blog. Of misschien doe ik iets heel anders. Een kamer verhuren voor de inkomsten en verder een beetje tuinieren en boekjes lezen. Ik leef in elk geval een ‘basic’ leven, met weinig materiële behoeften. Blote voeten in het gras.

zonnebloemen

Mijn overvolle, onoverzichtelijke eet- annex schrijftafel van waarachter ik dit stukje typ, is er ver weg. Grijsheid en haast zijn nergens te bekennen. Nooit meer het geluid van die idiote verkeersregelaar met zijn snerpende fluit. Geen winters die zo lang duren dat je aan het eind van het seizoen soep kunt koken van je winterjas.

Over een dikke week is het zo ver, dan gaan we op vakantie. Als een naïeve dromer zal ik een week doorbrengen onder de zon. En dan huiswaarts keren. En weten dat het bij dromen blijft. En dat het goed is zo.

In hetzelfde schuitje

We zijn gezellig, spontaan en sympathiek  We hebben gestudeerd en een studieschuld opgebouwd. We hebben (bij)baantjes in de horeca, de productie en de verkoop afgewisseld met stages en échte banen, die nooit voor lang waren. We zijn de 30 inmiddels gepasseerd, een leeftijd waarvan we ‘vroeger’ dachten dat we tegen die tijd alles voor elkaar zouden hebben. We solliciteren ons suf, maar we zijn te duur en/of te oud en/of te hoog opgeleid. Voor simpele baantjes willen ze ons niet, omdat we de werkgever er niet van kunnen overtuigen dat we de functie echt willen. Voor ingewikkelde banen willen ze ons evenmin. Liever iemand die net is afgestudeerd met veel parate kennis, goedkoop en nog lekker kneedbaar.

We zitten met een man of vijf in hetzelfde schuitje. Op een schip dat maar niet wil zinken. Het callcenter. We draaien er steeds meer uren, omdat ons leven steeds duurder wordt. Maar hoe meer uren we er werken, hoe humeuriger we ervan worden. Elke keer dat de telefoon rinkelt, slaken we een zucht. Na elk afgehandeld telefoontje rollen we met onze ogen. We kijken elkaar aan met een hulpeloze blik als er weer iemand in ons oor tettert dat ze de + op haar telefoon niet kan vinden.

Vanmorgen zongen we met 3 tegelijk een klaagzang.
“Zo veel domheid.”
“Die mensen snappen er echt niets van.”
“Ik kan het niet meer aan.”
“Mijn hersencellen sterven af.”
“Ik heb zin om te gillen.”
“Ik moet hier echt weg.”
“Ik ga terug de horeca in.”

Toch blijven we. Zelfs in de horeca willen ze ons niet meer. En eigenlijk is het zo slecht nog niet in het callcenter. Een werkplek midden in de stad. Flexibele werktijden. Redelijke koffie. Gezellige, spontane en sympathieke mensen. Maar de vlaai van onze jonge collega’s die trakteren omdat ze vertrekken voor een stage of hun eerste echte baan smaakt bitterzoet.

S, veel succes op stage! Je hebt het goed gedaan als we je niet meer terugzien.

Als het toch eens lente werd

 

Ik beleef de laatste tijd meer lastige dagen dan me lief is. Dagen die bestaan uit: van hot naar her rennen, algehele moeheid, gebrek aan concentratie, dingen kwijtraken en mijn kop stoten (favoriete botsingen: mijn bovenbeen en de hoek van de salontafel, mijn tenen en de onderkant van de deur).

Die lastige dagen moeten eigenlijk gerelativeerd worden, want wie me lief is, is gezond. Maar relativeren is niet mijn sterkste kant en dat op zich is dan ook weer een reden om boos te worden op mezelf.

DSCN1480

Binnenkort is het niet alleen volgens de kalender, maar ook in de praktijk lente. Dan wordt alles beter.

De vreemdste eend in de kunstvijver

We kwamen er op de fiets, maar in een fietsenstalling was (uiteraard) niet voorzien. En daar stonden we dan, de leuke jongen uit de trein en ik.

Ik had mijn best gedaan. Een vrolijk jurkje, netjes tot aan de knie. Daaronder een glimmende, huidkleurige panty (met een beginnende ladder bij mijn dikke teen, onzichtbaar voor wie het niet wist). Pumps, oorbellen en armbandjes in dezelfde, bijpassende kleur. En een diadeem in mijn keurig gekamde en pas geverfde haar.

Toch ben ik nooit een vreemdere eend in de bijt geweest. Misschien viel niet zozeer mijn kleding op, als wel mijn grote ogen en mijn openvallende mond. De meeste andere bezoekers liepen er uiterst zelfverzekerd rond. Kin omhoog. Catalogus onder de in bont, tweed, of kant gestoken arm.

De Tefaf.

Prachtige dingen gezien. Blijkbaar overtuigend verliefd naar een ketting (of moet ik collier zeggen) gekeken. Want de verkoopster (of hoe moet ik haar noemen) ging meteen demonstreren dat dit witgouden exemplaar met kleine diamantjes in elkaar geritst kon worden tot een armband.

Maar bij elk nieuw kunstwerk ging ik me ongemakkelijker voelen. Zeker bij de kunstwerken waarop een stickertje kleefde: verkocht!

Van de bedragen die bij de Tefaf worden uitgegeven, kan het schoolgeld betaald worden van alle kinderen in een gemiddeld ontwikkelingsland. Om maar even iets belangrijks te noemen.

Bevoorrecht dat ik het een keer heb mogen meemaken. En absoluut het ongemak waard: weer een hele trits nieuwe linkedinvriendjes en hoogstwaarschijnlijk een paar nieuwe schrijfopdrachten.

Brief aan mijn nichtje #3

Ruim een week geleden vierde je je eerste verjaardag. Het was een echt feestje met slingers, bezoek, cadeaus en taart.

Je tuitte je lipjes, maar kreeg het ene kaarsje niet uit. Je had toestemming om je handen in de taart te steken, maar deed het niet. Gemiste kans! Je at er wel een enorm stuk van. Chocolademarshmellowtaart mag je mama vaker maken, als ze de frambozen dan maar weg laat (of aan de leuke jongen uit de trein geeft), want die spuugde je meteen uit. Je boft maar met je mama. Alles wat ze uit de oven haalt is lekker. En ze steekt héél vaak iets in de oven.

Je cadeautjes moesten wij voor je open maken, ermee spelen deed je zelf. Je hebt een grote fantasie en kunt je prima amuseren. De roze kinderwagen die je van ons kreeg, was gelukkig een succes. Razendsnel liep je erachteraan, tot het ding botste tegen de kast, de muur of je papa’s benen. Achteruit lopen met kinderwagen lukte niet zo goed en ook het concept ‘omdraaien’ heeft nog wat oefening nodig.

Je wil sowieso het liefste lopen, lopen, lopen. Kruipen is voor mietjes. Je loopt het liefst aan iemands hand. Wiens hand dat is, maakt je niet uit. Je bent bepaald niet eenkennig. Wie eenmaal met je rondloopt, mag niet meer gaan zitten. Behalve dan als spelletje, zodat jij de desbetreffende persoon weer overeind kan trekken.

Aan het eind van de dag stond je stijf van de suiker. Bij de leuke jongen uit de trein op schoot dronk je rustig je fles, maar in plaats van in te dommelen zoals je normaal doet, stond je even later weer te springen en te dansen op mijn schoot.  Energie voor 10!

Toch hebben je ouders niets te klagen, want uitslapen heb je tot kunst verheven.

Je bent een kind naar mijn hart!

Stilstand is achteruitgang

Knettergek word ik ervan, het pure gebrek aan vooruitgang. Vooral als ik mezelf met mijn vrienden vergelijk.

Ja, ik weet het, van huis uit meegekregen “jezelf nooit met anderen vergelijken”, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Mijn vrienden maken sprongen. Zij die van het huisje-boompje-beestje zijn, wonen allemaal in een prachtig huis met een keuken met een fatsoenlijke oven (oh jaloezie), een eetkamertafel waaraan met een groter gezelschap dan 4 mensen gegeten kan worden en een tuin met privacy. Zij die graag kinderen willen, zijn zwanger of hebben al kleine mensjes rondkruipen. Zij die van reizen houden, zien elk jaar een andere prachtige plek op deze aarde. Zij die carrière willen maken, hebben allemaal minstens één stap gemaakt; van communicatiemedewerker naar communicatieadviseur, van pedagogisch medewerker naar orthopedagoog, van callcentermedewerker naar callcentersupervisor of van vorgever naar art director.

En ik?
Niets.
Stilstand.
Achteruitgang zelfs.

Ik woon in een huurhuis met een mooie, lichte woonkamer, een grote slaapkamer en een logeerbed voor iedereen die langs wil komen. Het ligt bovendien op een toplocatie. Maar het gebrek aan (berg)ruimte frustreert me steeds meer, net als de keukenkastjes die langzaam uit elkaar vallen en de tuin waar nooit de zon schijnt en waar iedereen op je bord kijkt als je er zit te eten.

Ik heb werk. Net als ons huis, bevindt ‘kantoor’ zich op een toplocatie. Op kruipafstand. Maar daarmee zijn alle pluspunten wel zo’n beetje benoemd. Het is werk dat door iedereen die kan lezen en schrijven gedaan zou kunnen worden. Te weinig uren. Te weinig salaris. Nul mogelijkheden om door te groeien.

Kleine dingen, zoals het openen van een gezamenlijke rekening of het kopen van een auto, daar hebben we het nauwelijks over. Laat staan dat er beslissingen worden genomen over samenlevingscontracten, koophuizen, kinderen of verre reizen. Ook omdat de leuke jongen uit de trein en ik allebei struisvogels zijn.

En dus gebeurt er niets.

Behalve dat ik een steeds onuitstaanbaarder kreng wordt voor de mensen waar ik van houd.
Ik houd ook steeds minder van mezelf.