Papa's Pinkpop

Herbert Grxf6nemeyer zong dat ene liedje, dat mooie liedje dat hij schreef over zijn vrouw die stierf aan kanker. Of misschien heb ik dat mezelf wijsgemaakt. En toen was het huilen. Ook na negeneneenhalf jaar kan het me nog overvallen dat mijn papa er niet meer is. Als hij nog geleefd had, was hij dit jaar misschien wel mee gegaan.

Het was Pinkstermaandag dus Pinkpopmaandag. Papa hield van de mooie luisterliedjes van Grxf6nemeyer en met The Boss zong en luchtgitaarde hij enthousiast mee. Voordat hij stierf had nog niemand op het Europese vasteland ooit van Mumford and Sons of Seasick Steve gehoord, maar ik weet zeker dat mijn muziekgekke papa ze had kunnen waarderen.

Tijdens dat intens verdrietige liedje, waarvan ik niet eens weet hoe het heet, maar wel weet dat mijn papa het mooi vond, zag ik het voor me. Dat ik daar met mijn papa stond. Hij op sandalen en in korte broek. Zijn voeten ingesmeerd met zonnebrandcrème, want dat deed hij sinds hij ze op een campeervakantie in Frankrijk ooit lelijk verbrandde. En van mij mocht hij geen sokken aan in zijn sandalen.

Ik hoorde hem zelfs fonetisch meezingen. Hij luisterde nooit zo goed naar de tekst, kon ook niet bijster goed zingen, maar deed dat net als ik bijzonder graag.

Het was een Pinkpopdag om in te lijsten. Ik was er met fantastisch gezelschap (mijn lief en zijn broer), de zon scheen uitbundig, de sfeer op het festivalterrein was ontspannen en de artiesten waar we niet met een grote boog omheen liepen (Gers Pardoel, hallo, wat moet jij in hemelsnaam op Pinkpop?!?) waren briljant. Ik miste mijn papa.

Lelijkheid bij de eerste zonnestraal

Hoe komt het toch dat mensen die het absoluut niet kunnen hebben bij de eerste zonnestraal denken dat ze hotpants aan moeten of een naveltruitje? Of dat ze hun niet zo poezelige voetjes in opzichtige open schoentjes moeten proppen. Sommige beelden blijven op mijn netvlies staan. Brrrrr.

En wat ik me dan afvraag: hebben die meiden geen vriend of vriendinnen? Want die van mij zouden me ze echt de deur niet uit laten gaan. Mijn vriendinnen roepen soms al voor ik zelf in de spiegel van het pashokje heb gekeken dat ik iets beter uit kan trekken. En de leuke jongen uit de trein steekt het ook niet onder stoelen of banken als hij vindt dat iets me niet staat.

Mijn grote mond en ik

Naast de dagelijks terugkerende verschrikking die wiskunde heette, was het dieptepunt van het jaar tijdens mijn middelbare schooltijd toch wel de ‘Bosloop’. In een verplicht wit (dus dikmakend) t-shirt en in een korte broek waar mijn korte beentjes toen al niet van gecharmeerd waren, moesten we drie kilometer door het bos rennen. Het laatste stukje voerde ons met rood hoofd en al langs een aantal volle klaslokalen. Klassen die in het vijfde uur op donderdag altijd véél voller zaten dan op elk ander moment van de week.

We kregen drie weken de tijd om de limiet van twintig minuten te halen en zodoende voor dit onderdeel met een 6 “beloond” te worden. Van de zes jaar dat mijn voorderest zeer aangenamen middelbare schooltijd duurde, haalde ik de limiet alleen de eerste twee jaar. Ondertussen had ik klasgenoten die volgens het geldende beoordelingssysteem een 10 of zelfs een 11 haalden voor dit onderdeel. En geen greintje pijn. Ik ontwikkelde een hartgrondige hekel aan rennen.

Afgelopen najaar begon ik voorzichting met rennen. Omringd door vriendinnen die bijzonder goed in hun sportieve vel zaten, leek dit een logische stap. Toen ik relatief snel de beruchte drie kilometers af kon leggen die me vroeger steevast lage cijfers voor gym bozorgden, riep ik met mijn grote mond “Bij Maastrichts Mooiste ren ik de 10!” 10 juni is het zo ver en mijn logge lichaam is er eigenlijk nog niet aan toe. Maar wie A zegt… gaat van A naar B. Ook als er tien kilometers tussen zitten om in een uur te overbruggen.

Mannetjes in Marokko

Alweer bijna een week terug van onze vakantie in Fes en er nog geen woord over geschreven. Er kwamen wat dingen tussen, zoals de geboorte van mijn nichtje. Ik vemoed dat ik aan dit kleine meisje met haar bolle wangetjes en zachte haartjes nog heel wat blogs zal wijden…

Maar eerst Marokko. Iedere cel in mijn lichaam was toe aan vakantie. Die ellendige scriptie gevolgd door een oneindige zoektocht naar een baan in mijn eigen vakgebied, hadden energie gekost en grijze haren opgeleverd. En de freelance opdrachten die maanden niet kwamen om vervolgens totaal ongelegen aan mijn deur te kloppen, hadden me bijna het stempel ‘overspannen’ opgeleverd. Ik moest weg.

Het werd Fes, Marokko. Mooi land met imposante poorten, smalle straatjes en prachtige parken. Land van ooievaars en mussen. Van besneeuwde bergtoppen en droge dalen. We hadden zon en koesterden die. We hadden de helft van de tijd de vrijheid van een eigen appartement (dankjewel vriendin F!!) en de andere helft de luxe van een hotel. En we hadden ‘mannetjes’.

Het tapijt van 200 euro -in beginsel 600- dat al voor ons werd opgerold door de gladde verkoper, strik eromheen, mee met de boot. We kochten het niet. Maar hadden wel medelijden met de ‘achtergrondmannetjes’ die slaafs het ene na het andere tapijt uit het magazijn trokken.

De sjaal die om mijn nek werd geknoopt, handen van de grijnzende verkoper overal. Hij bedekte mijn bescheiden decolleté en liet duidelijk merken dat ik er te ‘zomers’ bij liep. Ik kocht de sjaal en deed ‘m de rest van de vakantie niet meer af.

De gids die maar bleef praten en ons nauwelijks de tijd gunde ergens te blijven staan, behalve dan in de winkeltjes van zijn vriendjes en het onwijs dure ‘tourists only’-restaurant. We beledigden hem ongewild tot op het bot toen we bij één van zijn vriendjes maar 35 dirham wilden betalen voor een riem in plaats van 350.

De rekeningen met de vrolijke gezichtjes erop getekend. De ober van Restaurant Florence was ons lievelingsmannetje. Bescheiden, totaal niet commercieel, en super vrolijk. Wat een lieverd! De harira die zijn vader bereidde was veruit het lekkerst. De zoektocht van zijn zoon naar een muntje van 5 centimes het meest succesvol. Wat een familie!

Onze chauffeur Abdol was ook een schat. Man van de klok. Geduldig antwoordend op onze vele vragen. Hij bezorgde ons een hartverzakking toen hij de prijs noemde van de eerste excursie die we met hem maakten, maar hij was het waard. Zonder met onze ogen te knipperen gingen we nog een tweede dag met hem op pad. Voor dezelfde prijs.

Ik beloofde het aan de mannetjes van Le Souk Artisanale Fès, dat ik ze zou noemen op mijn blog. Ze lieten ons op ons gemak rondkijken, schonken thee, en vertelden verhalen over de herkomst van hun spullen. Op die ene sjaal voor mezelf na, kochten we al onze cadeautjes hier. Ik had er probleemloos honderden euro’s uit kunnen geven, mocht ik die gehad hebben.

Tot slot moet ik Riad Dar Dmana noemen. Het domein van twee vrolijke vrouwen. Wat een mooie mensen. Kamermeisjes en keukenprinsessen. Volmaakte gastvrijheid. Maar tegen de tijd dat we moesten betalen, stond ook hier een man voor onze neus.

Vakantie is goed voor me

Dat het voor mijn geest (humeur) goed is om af en toe vrij te hebben van het werken voor een baas, kunnen vele mensen beamen. Met stip op één de leuke jongen uit de trein, die dagelijks de volle laag krijgt over alle ergernissen op de werkvloer.

Voor mijn administratie is vakantie ook heel goed. Opgespaarde werkbriefjes worden ingescand en naar het uitzendbureau gestuurd. Rekeningen die nog net niet bij het incassobureau liggen, worden betaald. Opdrachtgevers waar ik nog geld van tegoed heb, kunnen steevast rekenen op vasthoudend e-mail en telefoonverkeer. En telkens als ik vrij heb, blijkt het de hoogste tijd voor een gesprek met mijn boekhouder.

Maar het allerbeste is vakantie voor mijn lichaam en mijn uiterlijk. Het ochtendritueel van snel sneller snelst douchen, afdrogen, aankleden, druipnatte haren in een slordig staartje frotten, ontbijten en naar het werk fietsen, maakt in tijden van vakantie plaats voor een uitgebreide dagbesteding.

Ik was me met de lekkerste douchegels, scrub mijn gezicht, smeer me van top tot teen in met bodylotion. Ik doe een maskertjes in mijn haar en trek er een kam door. Ik scheer mijn benen met een dikke laag scheerschuim, knip mijn teennagels en trek dwarsliggende wenkbrauwharen uit. Mijn gezicht krijgt een extra laagje dagcrème en mijn make-up wordt zorgvuldig aangebracht.

En de voordeur gaat pas open als mijn haar droog is.

 

Iets te vieren!

Ik ben er het hele jaar voor te porren, maar ben er zelden zo aan toe geweest als nu. Vakantie. EIN-DUH-LUK.

Er moest nog één dingetje geregeld worden, voordat ik met volle teugen van een paar vrije weekjes kon gaan genieten. Afgelopen woensdag was het zo ver. Op de dag dat mijn papa 58 zou zijn geworden, kreeg ik eindelijk mijn bul fysiek in handen. Mijn twee liefste studiegenoten en de leuke jongen uit de trein stonden paraat om dit heugelijke feit met mij te vieren. Geneeskundekoffie!!

Het viel zwaar tegen dat er gister en vanmorgen nog gewoon gewerkt moest worden. En daar aan mijn grote bureau achter twee computerschermen en een berg papieren was het geen feest. Iets met ‘big brother’, minutenverantwoording, targets en funcioneringsgesprekken…

Maar nu is de beloning des te groter. Het leven is mooi.

Liefdevolle krenterigheid

Krenterigheid. Ik heb het niet van huis uit meegekregen. Dat verklaart misschien voor een deel waarom mijn moeder een beetje de vreemde eend in de familiebijt is.

Mijn moeder en haar broers en zussen zijn er voor elkaar. Dag en nacht. Voor- en tegenspoed. Tonnen goed advies worden uitgewisseld en hulp wordt geboden op alle fronten. Van belastingpapieren tot gecrashte computers. Er wordt voor elkaar gekookt, er wordt naar ziekenhuizen gereden. Mooi om te zien en mooi om soms deel van uit te maken. Maar als het om geld gaat, is er iets vreemds aan de hand.

Geld is een moeilijk ding in de familie. Van het apart afrekenen in een restaurant “want mijn gerecht was drie euro goedkoper”, via niet volledig meebetalen aan een cadeau “want ik ben niet de hele avond op het feest”. Afgelopen weekend was wat mij betreft het toppunt. Het jarige broertje werd even de kamer uitgestuurd zodat de rest het cadeau af kon rekenen. Het bedrag dat per persoon werd betaald, was lager dan wat mijn collega’s bijleggen voor een jubilaris. Ik was met stomheid geslagen. Of eigenlijk beet ik hard op mijn tong om er niets van te zeggen.

Krenterigheid. Het zou goed zijn als ik wat meer op mijn moeders familie leek. Mijn bankrekening zou er een stuk beter bijliggen. Maar ik kan dat niet. Als iemand die me dierbaar is, iets graag wil hebben, dan koop ik het, ongeacht het prijskaartje.

Maar het is natuurlijk veel belangrijker om voor elkaar klaar te staan, dan om dure cadeaus te geven. Dus ik heb gewoon een familie om te waarderen en om op te lijken.

Bellen

Vroeger wilde ik door zo veel mogelijk mensen vriendin genoemd worden, het liefst beste vriendin. Ik wilde een uitnodiging voor elke ‘fuif’ en ik wilde bij de stoere mensen horen.

In die tijd, de tijd van de telefoon met draaischijf en later van het eerste modelletje waarmee je door het huis kon lopen, wist ik met gemak dertig telefoonnummers uit mijn hoofd. Bellen was mijn grootse hobby. Uuuuuuuren hing ik met vriendinnetje B aan de lijn. Welk jurkje we aan zouden trekken naar de dansles, was een van de favoriete onderwerpen. En jongens. We hadden het veel over jongens.

Nu weet ik het nummer van de leuke jongen uit de trein niet eens. Ik ken nog twee telefoonnummers uit mijn hoofd: het vaste nummer van mijn mama dat nog hetzelfde is als toen we een huis deelden, en het vaste nummer van vriendinnetje A dat nog thuis woont en wiens nummer evenmin veranderd is in de laatste twintig jaar.

Ik houd helemaal niet meer van bellen en vermijd het zo veel mogelijk (niet handig als je callcenterwerk doet – maar gebeld worden is minder erg dan naar buiten bellen). Veel minder mensen noemen me vriendin. Ik ben vaker collega, studiegenoot of kroegmaatje. En dat is prima. Voor iedereen is plek in mijn telefoon.

Te vroeg voor goede voornemens

Ik was bloedserieus toen ik me vorige week voornam iets aan mijn overgewicht te doen. Ik kan namelijk wel janken als ik mezelf in de spiegel bekijk. Als ik in een pashokje met genadeloos tl-licht heb eprobeerd mezelf in een broek of truitje maat XL te wurmen, ben ik de rest van de dag niet te genieten. En dat is zielig voor de leuke jongen uit de trein.

Ik begon goed, zoals gewoonlijk. Ik verhoogde de frequentie van het sporten en voegde zwemmen en rennen toe aan het vaste repertoire van bodytraining en steps. Ik deed boodschappen op momenten dat ik geen honger had, haalde niets lekkers meer in huis en kwam dus ook niet in de verleiding. Bovendien ging ik (toevallig) steeds meer uren werken, wat gunstig was, want mijn werkgever promoot een gezonde levensstijl met gratis fruit, overal watertanks, en gezond fairtradevoedsel in de kantine.

Maar na een paar dagen ging het mis. Een collega besloot op appelgebak te trakteren ‘gewoon omdat het mooi weer is’ en het woord ‘nee’ kreeg ik ineens mijn mond niet meer uit. Een vriend bood een gratis Moluks buffet aan; weigeren geen optie. Mijn schoonouders bakten frietjes. En gister nam de leuke jongen uit de trein, attent als altijd, een heerlijk romig witte, onweerstaanbare chocoladeletter voor me mee. Tot overmaat van rampxc2 besloot mijn rechterenkel in de blessurestand te schieten, waardoor het sporten in de wacht moest.

Sinds mijn goede voornemen zijn er al twee kilo’s bijgekomen. Het is de hoogste tijd voor een slecht voornemen. Ik had ook gewoon tot 1 januari moeten wachten.