Gedumpt per sms

Er was eens een jongen. Hij woonde in een levendig straatje in een verder rustig stadje. Hij had een goed stel hersens en een leuk koppie. Hij had een goede baan en -na wat heftig verlopen en weer afgebroken romances- een leuke vriendin. Hij was sportief en hield van avontuur. Daarnaast leefde hij voor muziek en voor zijn vrienden. In zijn vrienden investeerde hij meer dan dat hij terugkreeg, althans in mijn geval. Mea culpa.

Als hij belde om iets af te spreken, voelde ik me direct schuldig. Het betekende dat we elkaar al schandalig lang niet gezien hadden. Dan trok ik mijn agenda en spraken we iets af. Dan treinde ik naar zijn stad of hij zakte af naar het zuiden. Dan keken we foto’s van zijn laatste reis of luisterden we muziek van door hem ontdekte bands of door hem bezochte concerten. Mijn mp3-speler staat er vol mee.

Deze avontuurlijke, sportieve jongen besloot ergens in de afgelopen maanden dat onze vriendschap voorbij is. Met als aanleiding een carnavalsavond in februari waarvan ik me niet meer alles herinner. Toen ik hem gister een sms’je stuurde om iets af te spreken, kwam er binnen een minuut een boodschap terug die weinig aan de verbeelding overliet: hij wil niet meer met me omgaan en ik hoef nooit meer contact met hem op te nemen.

Ik ga er blindelings vanuit dat ik iets lomps heb gezegd. Misschien maakte ik een rare opmerking tegen zijn vriendin. Misschien stelde ik een domme vraag waarop ik het antwoord al lang had moeten weten. Het zou ook kunnen dat we die bewuste carnavalsavond iets hebben afgesproken wat ik later weer ben vergeten. De reden voor zijn boosheid, is ongetwijfeld mijn fout. Frustrerend dat ik geen enkel idee welke fout ik heb gemaakt.

Verbijsterd keek ik naar mijn telefoon. Mijn maag ging onmiddellijk in de knoop. Mijn hart kroop naar mijn keel. In de linker ooghoek van mijn rechter oog begon een traantje te kriebelen. Ik opende zijn bericht opnieuw en opnieuw. Vannacht heb ik liggen woelen als een woelrat. Ik voel me ontzettend dom. Hoe kan ik het gemist hebben? Hoe kan het me ontgaan zijn dat ik iemand die ik goed dacht te kennen zwaar heb gekwetst? Het feit dat ik hem in april nog belde om hem een fijne verjaardag te wensen en hij toen deed alsof er niet aan de hand was, zelfs de volgende dag nog een sms stuurde om me te bedanken, zou daar wel iets mee van doen kunnen hebben…

We zagen elkaar maar een paar keer per jaar (in elk geval tijdens carnaval) en misten elkaar niet, want we wisten allebei dat als we elkaar weer zouden zien, het gezellig als vanouds zou zijn. Nu zie ik hem misschien nooit meer. Ik mis hem nu al.

Blijkbaar moet er voor alles een eerste keer zijn. Ook voor gedumpt worden per sms. Carnaval maakt meer kapot dan je lief is.

Lange nagels

Zo lang ik ergens naartoe werk, houd ik mezelf wel overeind. Zo lang er dingen te ontdekken of te leren zijn, ben ik een tevreden mens. Een uitdaging? Fijn!

Een opleiding of cursus met een begin en een eind, een nieuwe woonplaats of werkplek waar ik mijn weg nog moet vinden, tijd investeren in nieuwe mensen omdat ik denk dat ze de moeite waard zijn om te leren kennen, mezelf bloot geven in een relatie omdat ik vind dat hij de moeite waard is om mij te leren kennen. Of trainen voor de 10 kilometer en die dan ook gaan lopen. En dan ook nog een maand niet drinken en als aangename bijkomstigheid een paar kilo afvallen. Iets ontdekken, iets leren, iets bereiken.

Het voelt alsof ik stilsta in een moeras. Ik zak weg. De opleidingen die ik wilde volgen, zijn afgerond. De leuke jongen uit de trein en ik hebben een fantastische relatie die ik voor geen goud zou willen missen. We kennen elkaar, zijn op elkaar ingespeeld, zien aan elkaars neus als er iets aan de hand is. Het is goed zoals het is. Maar de onzekerheid is er vanaf. Er is weinig meer te ontdekken.

In mijn huidige functie ben ik uitgeleerd. Op het werk weet ik zowel letterlijk (toilet, kantine, koffieautomaat) als figuurlijk (aan collega M kan ik alles vragen, aan collega T beter niet) de weg.

Mijn conditie is prima in orde en een grotere afstand dan 10 kilometer hoef ik niet zo nodig te rennen.

Het enige wat ik op dit moment wil, is een (deeltijd) baan in ‘de communicatie’. En de kans daarop lijkt met de dag kleiner te worden. Vorige week had ik twee sollicitatiegesprekken en ik was blij. Na zo’n 86 afwijzingen in mail- en brievenbus, zowaar TWEE keer door naar de volgende ronde. Maar de euforie is alweer gezakt. Van het ene gesprek hoorde ik vrijwel meteen dat ik ‘geen goede match’ was en of het andere gesprek iets oplevert, betwijfel ik. Er waren nog minstens drie andere goede kandidaten geselecteerd om aan tafel te schuiven bij de HR- en de Communicatie-meneer. Die ene opmerking blijft maar door mijn hoofd spoken “Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat je met zo’n goede CV al een jaar op een klantendienst werkt. Heb je wel genoeg gesolliciteerd?” Gemiddeld 1 sollicitatiebrief per week in de afgelopen 12 maanden ja, daarvan dacht ik altijd dat het veel was…

Dan trek ik de stoute schoenen maar weer aan en mijn grote mond weer open. Vervolgens zit ik aan tafel bij een communicatiebureau waar ze me ‘op regelmatige basis’ freelance opdrachten denken te kunnen bieden. Maar in de praktijk werkt het toch niet. Dan krijg ik een e-mail van dat ene bedrijf waar ik al ooit als vrijwilliger werkte dat ze het in de volgende teamvergadering er zeker over zullen hebben om mij in de vakantieperiode in te zetten. Om vervolgens te laten weten dat ze me toch niet nodig hebben. Dit duurt nu al een jaar en ik word er gek van! Knettergek! Boos, opstandig, verdrietig. En had ik al knettergek gezegd? Terwijl het ‘maar’ werk is.

Het feit dat ik zelfs mijn nagels laat groeien, zegt genoeg. Dat lukt me echt alleen maar als er geen enkel ander doel binnen handbereik is.

 

Als beeld en geluid met elkaar vloeken #2

Gisteravond gesignaleerd tijdens het optreden van Pearl Jam in de Ziggo Dome: Een kapsel met een scheiding. Een nek die verdween in de rechtopstaande kraag van een gestreepte blauwe polo. Benen gehuld in een grijze pantalon. Voeten in keurig gepoetste schoenen. Linkerarm om de schouder geslagen van een meisje met pareloorbellen en zachtroze gelakte nagels.

Woef

“Weet je wat het ergste is, alleen zijn, niemand hebben om tegen te praten.” We hadden net een toast uitgebracht op mijn tante. Het was gister alweer een jaar geleden dat ze overleed. Mijn oom nam het woord. Hij had het moeilijk.

Oom J is een ‘man-man’. Hij houdt zich groot, vraagt niet om hulp, en begint nooit als eerste over hoe hij zich voelt. Ik denk dat hij wel weet dat ik het meen als ik zeg dat hij altijd langs mag komen als hij eenzaam is, dat hij altijd welkom is voor een koffietje en een praatje. Toch zal hij nooit bellen om iets af te spreken.

Vertederend om te zien dat hij wél iemand heeft om tegen te praten. Waarschijnlijk hele verhalen, als er niemand anders bij is. Iemand die niets terug zegt en met zijn kleine tandjes venijnige gaatjes maakt in blote armen en alle planten in de tuin. Iemand die stilletjes achter een struik verdwijnt om te poepen. Iemand die in volle vaart uitglijdt op de tegelvloer in de keuken en daar toch weer vrolijk stuiterend vandaan komt. Lang leve Max.

Rampzalige allemansvriend

Hij heeft gelijk, de leuke jongen uit de trein, zo ongeveer elke keer als hij vraagt “Waarom vraag je het mij dan?!” In dit geval riep hij dat naar aanleiding van mijn vernieuwde lijst met wie ik allemaal voor ons feest heb uitgenodigd dat op 11 augustus gaat plaatsvinden. Een feest ter gelegenheid van (onder andere) mijn afstuderen, ons samenwonen, mijn verjaardag. Een feest als bedankje aan iedereen die ons ooit hielp met klussen of verhuizen en een feest omdat we toch nooit gaat trouwen. Een feest dat we, als het aan de leuke jongen uit de trein ligt, helemaal niet hoeven te geven. Maar ik kan een enorme zeur zijn…

Mijn grote mond wint het te vaak van mijn verstand. En ik houd me altijd aan mijn woord, behalve tegen de leuke jongen uit de trein blijkbaar. Of het nu gaat om “Volgend jaar ren ik de 10 kilometer” of om “Als je meewerkt aan mijn afstudeeronderzoek, mag je op mijn feestje komen.” Waarom heb ik niet gewoon en boekenbon verloot onder de deelnemers aan mijn scriptiegeneuzel? Bovendien, de meeste mensen kunnen zich mijn afstudeeronderzoek niet eens meer herinneren, zo lang is het geleden. Dus als ik mijn woord gebroken zou hebben, zou het lang niet iedereen zijn opgevallen.

Maar dus. Ik netjes overleggen met de leuke jongen uit de trein over het aantal gasten (feestruimte en feestbudget zijn ten slotte beperkt) en dan vervolgens toch veel meer mensen uitnodigen. Allemaal aardige mensen natuurlijk, maar de leuke jongen uit de trein kent ze niet eens. En het is ook ZIJN feest. Ik ben onverbeterlijk.

Grote mond kwam er weer mee weg

Terwijl mijn hamstrings nog zachtjes jammeren en mijn knieën nog bezig zijn terug te keren naar hun oorspronkelijke locatie, kan ik met mijn grote mond toch al drie dagen zeggen dat het gelukt is. Afgelopen zondag tien kilometer gerend over verraderlijke kinderkopjes en niet als laatste binnengekomen 🙂

Ik startte moeizaam sukkelend en dacht het eerste kwartier wel vijftien keer dat ik struikelend ten onder zou gaan. Geen vreemde gedachte aangezien ik bij het opstaan de onderste drie treden van de trap had gemist en mezelf al bijna had uitgeschakeld voor ik aan Maastrichts Mooiste kon beginnen.

Familie en vrienden en natuurlijk de leuke jongen uit de trein waren fantastische supporters die telkens weer op een andere plek langs de route opdoken. Dat hielp. Vriendin T week geen seconde van mijn zijde en maakte de ene na de andere opbeurende opmerking. Dat hielp nog meer. Mijn eergevoel deed de rest. En mijn voorbeeldige conditie na maandenlang trainen natuurlijk.

Papa's Pinkpop

Herbert Grxf6nemeyer zong dat ene liedje, dat mooie liedje dat hij schreef over zijn vrouw die stierf aan kanker. Of misschien heb ik dat mezelf wijsgemaakt. En toen was het huilen. Ook na negeneneenhalf jaar kan het me nog overvallen dat mijn papa er niet meer is. Als hij nog geleefd had, was hij dit jaar misschien wel mee gegaan.

Het was Pinkstermaandag dus Pinkpopmaandag. Papa hield van de mooie luisterliedjes van Grxf6nemeyer en met The Boss zong en luchtgitaarde hij enthousiast mee. Voordat hij stierf had nog niemand op het Europese vasteland ooit van Mumford and Sons of Seasick Steve gehoord, maar ik weet zeker dat mijn muziekgekke papa ze had kunnen waarderen.

Tijdens dat intens verdrietige liedje, waarvan ik niet eens weet hoe het heet, maar wel weet dat mijn papa het mooi vond, zag ik het voor me. Dat ik daar met mijn papa stond. Hij op sandalen en in korte broek. Zijn voeten ingesmeerd met zonnebrandcrème, want dat deed hij sinds hij ze op een campeervakantie in Frankrijk ooit lelijk verbrandde. En van mij mocht hij geen sokken aan in zijn sandalen.

Ik hoorde hem zelfs fonetisch meezingen. Hij luisterde nooit zo goed naar de tekst, kon ook niet bijster goed zingen, maar deed dat net als ik bijzonder graag.

Het was een Pinkpopdag om in te lijsten. Ik was er met fantastisch gezelschap (mijn lief en zijn broer), de zon scheen uitbundig, de sfeer op het festivalterrein was ontspannen en de artiesten waar we niet met een grote boog omheen liepen (Gers Pardoel, hallo, wat moet jij in hemelsnaam op Pinkpop?!?) waren briljant. Ik miste mijn papa.

Lelijkheid bij de eerste zonnestraal

Hoe komt het toch dat mensen die het absoluut niet kunnen hebben bij de eerste zonnestraal denken dat ze hotpants aan moeten of een naveltruitje? Of dat ze hun niet zo poezelige voetjes in opzichtige open schoentjes moeten proppen. Sommige beelden blijven op mijn netvlies staan. Brrrrr.

En wat ik me dan afvraag: hebben die meiden geen vriend of vriendinnen? Want die van mij zouden me ze echt de deur niet uit laten gaan. Mijn vriendinnen roepen soms al voor ik zelf in de spiegel van het pashokje heb gekeken dat ik iets beter uit kan trekken. En de leuke jongen uit de trein steekt het ook niet onder stoelen of banken als hij vindt dat iets me niet staat.

Mijn grote mond en ik

Naast de dagelijks terugkerende verschrikking die wiskunde heette, was het dieptepunt van het jaar tijdens mijn middelbare schooltijd toch wel de ‘Bosloop’. In een verplicht wit (dus dikmakend) t-shirt en in een korte broek waar mijn korte beentjes toen al niet van gecharmeerd waren, moesten we drie kilometer door het bos rennen. Het laatste stukje voerde ons met rood hoofd en al langs een aantal volle klaslokalen. Klassen die in het vijfde uur op donderdag altijd véél voller zaten dan op elk ander moment van de week.

We kregen drie weken de tijd om de limiet van twintig minuten te halen en zodoende voor dit onderdeel met een 6 “beloond” te worden. Van de zes jaar dat mijn voorderest zeer aangenamen middelbare schooltijd duurde, haalde ik de limiet alleen de eerste twee jaar. Ondertussen had ik klasgenoten die volgens het geldende beoordelingssysteem een 10 of zelfs een 11 haalden voor dit onderdeel. En geen greintje pijn. Ik ontwikkelde een hartgrondige hekel aan rennen.

Afgelopen najaar begon ik voorzichting met rennen. Omringd door vriendinnen die bijzonder goed in hun sportieve vel zaten, leek dit een logische stap. Toen ik relatief snel de beruchte drie kilometers af kon leggen die me vroeger steevast lage cijfers voor gym bozorgden, riep ik met mijn grote mond “Bij Maastrichts Mooiste ren ik de 10!” 10 juni is het zo ver en mijn logge lichaam is er eigenlijk nog niet aan toe. Maar wie A zegt… gaat van A naar B. Ook als er tien kilometers tussen zitten om in een uur te overbruggen.