Brief aan mijn nichtje #8

Lief nichtje,

Ik mag je troosten als je pijn hebt en je naar bed brengen als je moe bent. Ik krijg een kusje en een knuffel als ik erom vraag en soms ook als ik er niet om vraag. Je durft met me van de hoogste en steilste glijbanen en je bent onvermoeibaar als we samen een stukje gaan wandelen. Wij houden van elkaar, jij en ik. Jammer dat je je dat later niet meer kunt herinneren.

Je was er al weken over bezig, dat we samen moesten gaan zwemmen. Dat deden we afgelopen vrijdag. Je mama en de leuke jongen uit de trein gingen ook mee. Onverschrokken en enthousiast liep je van het ene bad in het andere. Als we even niet goed opletten, was je alweer uit het zicht verdwenen. Chloorwater vind je een lekkernij. De grote zwemband, daar wilde je uit, want met alleen vleugeltjes had je veel meer bewegingsvrijheid. We gingen van de waterglijbaan waarbij een groot bord met 6+ aangaf dat je er nog veel te klein voor was. We waren nog maar nauwelijks boven water en je riep al “Nog een keer!”. Tegen die tijd werden je lippen langzaam blauw en liep je te rillen en te bibberen. Maar natuurlijk wilde je niet naar huis.

De volgende dag kwam je bij ons logeren. Je voelt je helemaal thuis bij ons en hebt er vaste ritueeltjes. Als eerste loop je naar ‘konijn’ die je van de bank pakt om mee te knuffelen. Daarna zijn de gitaren en de piano aan de beurt. Je weet dat ik altijd met je naar buiten ga. Je weet ook dat er altijd lekkere koekjes in de koektrommel zitten.

Je ontwikkelt je zo ontzettend snel, dat ik soms met open mond naar je kijk en met flapperende oren naar je luister. We liepen van de ene speeltuin naar de andere. Plotseling bleef je staan. “Die heeft mama ook thuis, blauw”, zei je en je wees naar een bos stoffen bloemen bij mensen op de vensterbank. Mama heeft dezelfde bloemen inderdaad in de keuken. Ze zijn niet allemaal blauw, maar een kleinigheidje heb je al gauw.

’s Avonds kroop je zelf in je ‘tentbed’ na een kop warme melk, een koekje en een verhaaltje en ik denk dat je binnen een paar seconden was vertrokken. Middenin de nacht werd ik wakker, omdat je lag te kletsen. “Bij Lieke slapen”, was één van de dingen die je zei. Ik smolt. De volgende ochtend deed je de roekende duiven na die voor het huis zaten. “Oe, ooooeee, oe”, klonk het vanuit je tentje. Zoooooo schattig.

Maar het was niet alleen lief en leuk dit weekend. Je bent een behoorlijk lastige eter geworden. Minuten lang kauwen, maar niet doorslikken, dat is een beetje je handelsmerk geworden. Nadat je al een half uur over een halve boterham deed, verloren de leuke jongen uit de trein en ik ons geduld. Heel vertederend vraag je dan “Boos?” Het is dan moeilijk om boos te blijven, maar we hielden vol. Op luide toon verkondigden we dat je je mond leeg moest eten, dat je geen tweede boterham met chocopasta meer kreeg en dat ook het stukje worst (je bent een echte carnivoor) dat we voor je hadden bewaard aan je neus voorbij ging. Je was zwaar onder de indruk van onze stemverheffing en keek ons met grote schrikogen aan. Ondertussen bleef je op het laatste stukje boterham kauwen zonder het door te slikken. Ik bracht je naar bed zonder verhaaltje en met de laatste kruimels nog in je mond. Je protesteerde niet.

Na je middagslaapje leek je ons vergeven te hebben. De leuke jongen uit de trein haalde je uit bed en je kroop tegen hem aan op de bank. Even lekker wakker worden. Verliefd keek ik naar jullie. Ineens leek je te schrikken en barstte je uit in een ongecontroleerde huilbui waarvan je hele lijfje schokte. Terwijl je nog volop snikte, zei je “mond leeg eten” en er brak een stukje van mijn hart. Waren we te streng geweest?

Even later speelden we alweer buiten. Ik noemde je klein aapje, terwijl ik je omhoog liet klimmen op de stellage rond de kastanjeboom op het plein. Jij vond dat een mooie naam.

Over namen gesproken. Je noemt jezelf geen Pauw meer, maar antwoordt luid en duidelijk met je echte naam als daarnaar gevraagd wordt.

Het was fijn dat je er was. Kom je snel weer logeren?

Liefs,
Tante Lieke

 

 

Knak

Wij hebben uw kandidatuur niet weerhouden.

Geen naam erboven. Geen uitleg erbij. Niet eens de welbekende succeswens voor de toekomst eronder.
Zo veel moeite als ik in de sollicitatie had gestoken, zo weinig moeite stak het bedrijf in mijn afwijzing.
Ik bleef geen drie weken in bed liggen met een dekbed over mijn hoofd, zoals ik voorspeld had.
Maar daar is dan ook alles mee gezegd.

Mijn ego zei knak.
Mijn zelfvertrouwen zei stik.
Mijn trots zei barst.

En ik zeg: het is de hoogste tijd om op vakantie te gaan.

20130714_231242

Zo voelt het ongeveer om telkens afgewezen te worden: slap en geknakt.

Mijn vijf van de jaren ’90

De jaren ’90. Dat is zonder twijfel mijn muzikale decennium.

Het decennium van lange zomers aan het zwembad. Zoete mixdrankjes. Festivals. Afstudeerfeesten. Tot mijn grote spijt kreeg ik geen Dr. Martens van mijn ouders en het kleedgeld dat ik vanaf halverwege het decennium kreeg, was evenmin genoeg om ze zelf te kopen. Dus kocht ik een paar tweedehands legerkistjes bij ‘De Amerikaanse Hal’. Die droeg ik bij voorkeur onder een kort spijkerrokje. Ook had ik een zwartrood geblokt houthakkershemd en skatebroeken. Mijn lievelingskledingstuk was een donkerblauw vest waarin ik volledig kon verdwijnen. De jaren ’90 was het decennium waarin mijn hart slechts één keer gebroken werd door een vriendje dat ineens niets meer van me wilde weten. Het decennium waarin ik voor het eerst zonder ouders op vakantie ging (naar Salou, godbetert) en voor het eerst in een vliegtuig stapte (naar Cotonou, een stad die niet verder af kon staan van het vredige Bunde waaruit ik vertrok).

Studio Brussel draait de hele week de favoriete vijf platen uit de jaren ’90 van zijn luisteraars. Ik besloot ook een lijstje te maken. Het zijn niet de beste nummers uit die jaren, maar in elk geval de nummers met de meeste herinneringen:

Smashing Pumpkins – Disarmed. Mijn beste vriendin B en ik hadden dit op onze walkman staan en zongen het luidkeels mee in het weiland aan de rand van het zwembad. We konden niet zingen. Dat gaf niets.

The Cranberries – Zombie. Zoals ik al schreef, kon ik ook toen al niet zingen. Dat hoefde ook niet voor dit nummer. Meeschreeuwen was heerlijk. Bovendien was het een ideaal nummer voor het poetsen van hotelkamers. Mijn bijbaantje in de jaren ’90.

Acda & De Munnik – Lopen tot de zon komt. Die ene jongen die mijn hart brak, zou dit nummer zingen als IK het uit zou maken. Zo ver kwam het dus niet.

dEUS – Suds & Soda. Het broertje van B schreeuwde hele middagen ‘friday, friday, friday’ en mishandelde daarbij zijn eerste gitaar. Een paar jaar later was het dit nummer dat mijn ‘oudste’ vriendin en ik altijd aanvroegen bij de Extase in Tilburg. En stuiteren maar.

En nog net in de jaren ’90 Counting Crows – Hanginaround. Mijn vaders lievelingsnummer van een band waar we allebei fan van waren.

Er zijn nog ontelbaar veel bands die ik kon waarderen toen (en nog steeds), zoals Pearl Jam, The Levellers, Blur én Oasis (jaja), Radiohead, The Black Crowes, Zita Swoon, Silverchair, Faith no more, Placebo, Therapy?, Skunk Anansie, K’s Choice, Hoover (toen nog zonder phonic), Tori Amos… Jongens met gitaren genoten mijn voorkeur en dan af en toe wegdromen bij een mooie vrouwenstem.

De volledige cd van Portishead, Dummy, verdient een eervolle vermelding. Onder invloed van lariam dansen op blote voeten.

Wat is jullie lijstje?

Sollicitatieblues

DSCN2007

Ik solliciteer, ik hoop, ik ontvang een afwijzing, ik baal, ik herhaal. Ad infinitum.

Ik ben de tel al lang kwijtgeraakt, toch doet elke afwijzing nog steeds pijn. En dan als extra zout in de wond van de mensen om mij heen mijn eigen motto horen: “Alles komt goed”. Net als de tel, ben ik ook het geloof in dat motto kwijtgeraakt, althans voor mezelf. Op alle anderen is het natuurlijk nog steeds van toepassing.

De feedback van een prachtige gestandaardiseerde en onpersoonlijke afwijzing heeft altijd de strekking “Na een enorme hoeveelheid brieven (150 blijkt zo ongeveer het minimum te zijn) en een zeer strenge selectie hebben wij besloten u niet uit te nodigen, omdat er andere kandidaten zijn die beter bij ons profiel passen”. Meestal eindigen die brieven dan met een zogenaamd goedbedoelde succeswens voor mijn verdere carrière.

De zeldzame keren dat ik op gesprek mag, krijg ik na afloop te horen dat de vacature alsnog intern is opgevuld, mijn werkervaring niet in het juiste vakgebied is (ik weet te weinig van apps), of dat ik overgekwalificeerd ben en me te snel zal vervelen… (Mag ik dat alsjeblieft zelf uitmaken of ik me ga vervelen?). Maar de mensen aan de andere kant van de tafel vinden me allemaal heel leuk, super ambitieus en weten zeker dat ik er wel kom. Jaja…

Ik solliciteer, ik hoop, ik ontvang een afwijzing, ik baal, ik herhaal. Ad infinitum.

Ondertussen is het dag 3 van de week waarin ik, als het goed is, ga horen of ik op gesprek mag voor mijn droombaan. De sollicitatie bij droombedrijf is er één waarvoor ik echt alles heb gedaan wat ik kon bedenken. Referenten ingeschakeld om een goed woordje voor me te doen, mijn cv en brief door verschillende mensen laten nakijken, van te voren opgebeld naar het bedrijf met een aantal goed voorbereide vragen, naar een lezing geweest georganiseerd door het bedrijf. Als ik niet op gesprek mag…

… blijf ik minstens drie weken in bed liggen met een deken over mijn hoofd.

En laat het niemand in zijn hoofd halen om dan te zeggen dat alles goed komt.

 

 

Dronken mannen

Hij was niet gewend zijn ogen neer te slaan, dat zag ik meteen. Aandacht trekken was zijn missie, intimideren zijn middel. Hem tegenspreken was zinloos. Hij liet niemand uitpraten. Nu eens smoorde hij een zin in een kus en een omhelzing, dan weer doodde hij het gesprek met een botte opmerking. Hij strooide even makkelijk met complimenten als met kritiek. Hij sprak harder dan ieder ander in het café. Hij was handtastelijk. Hij was dronken. Hij was ook vader, echtgenoot en docent.

Door wat hij zei (‘Ik zou jou nooit teksten laten schrijven’ was zo ongeveer zijn mildste uitspraak) had ik boos kunnen worden. Ik voelde slechts medelijden.

Hoe kwam alleen en ging alleen.

DSCN1422

 

 

 

Filosoferen over vriendschappen

“Heel even bestaat er misschien een soort van vriendschap tussen moeder en dochter. Tot dochter thuiskomt met een vriendje dat moeder niet ziet zitten. Dan is het meteen afgelopen.”

De leuke jongen uit de trein en ik zitten middenin het theaterseizoen van 2014. Bijna elke week gaan we naar een voorstelling en net als de afgelopen drie jaar zullen we ook deze zomer in een klein zwart gat vallen. Gelukkig beginnen dan de festivals. Gisteravond was het tijd voor de Avond van het Woord met als thema vriendschap. Hoe vriendschap ontstaat en weer ophoudt. Dat vriendschappen die een leven lang meegaan, zeldzaam zijn. Dat mannen boezemvrienden zijn en vrouwen hartsvriendinnen. Over vriendschappen tussen mannen en vrouwen, waarvan veel mensen vinden dat die onmogelijk zijn. Over vriendschappen tussen ouders en kinderen, die volgens familietherapeut Else-Marie van den Eerenbeemt niet bestaan, omdat ouders en kinderen nooit een gelijkwaardige relatie hebben.

Over vriendschappen die alleen bestaan omdat ze nuttig zijn, deed onderzoeksjournalist Joep Dohmen een boekje open. Limburg spant de kroon waar het om dit soort vriendschappen gaat, waarmee mijn frustratie over zonder vriendjes op de juiste plekken geen baan vinden, goed onderbouwd werd. Het mooiste verhaal kwam van mijn favoriete schrijfster Lieve Joris, die door haar vele reizen vooral ‘treinvriendschappen’ onderhoudt. Mensen zijn openhartig tegen Lieve, terwijl ze samen reizen van A naar B, want misschien zien ze haar nooit meer terug.

Filosoof Paul van Tongeren haalde zijn belangrijkste leermeester op het gebied van de vriendschap aan, Aristoteles, volgens wie vriendschap gelijk staat aan wederkerige welwillendheid, oftewel de houding dat je elkaar wederzijds het beste toewenst en dat ook van elkaar weet. Ik ben gezegend met een tiental vrienden die aan die definitie voldoen. Ik ben daar ongelofelijk blij mee. En terwijl ik dit schrijf, overvallen schuldgevoelens mij vanwege al die vrienden waar ik al veel te lang niet naar geïnformeerd heb. Gelukkig kun je met echte vrienden altijd de draad weer oppakken.

 

 

Gefascineerd door de buurvrouw

Ik woon in een buurt waar de meeste mensen elkaar groeten. Een buurt waar we elkaars honden en katten knuffelen (of uitlaten) en een praatje met elkaar maken. Een buurt waar buren af en toe bij elkaar binnenlopen en soms samen barbecueën.

Er is één uitzondering.

Ik heb haar nog nooit zien lachen. Ik heb haar nog nooit iemand aan zien kijken. Ze gaat niet aan de kant met haar fiets als je door het gangetje tussen de huizen loopt. Ze gaat ook niet aan de kant met haar boodschappenkar als je haar in het gangpad van de supermarkt treft. Ze neemt grote stappen, heeft vaak een enorme koptelefoon op haar hoofd en duikt diep weg in haar jas. Ze heeft altijd haast. Ze zegt nooit goeiendag.

Ik betrap mezelf er steeds vaker op dat ik in haar buurt vieze gezichten trek, mijn tong uitsteek, of van mijn hand een pistool maak dat ik op haar achterhoofd richt. Ooit betrapt ze me. Maar dat zal geen enkel verschil maken.

Ik denk dat ze alle mensen haat, behalve haar vriendin. Haar spontane, vriendelijke, goedlachse vriendin.

Fascinerend.

Over chronische klunzigheid en altijd de weg kwijt

Ik brand mijn vingers aan pannen, deksels of de oven. Ik bots dagelijks tegen de bank, de salontafel of een deurpost. Ik stoot glazen wijn om op feestjes. Bij voorkeur op hele chique feestjes, zoals toen die keer in de residentie van de ambassadeur. 

Ik doe mijn best om geen kostbaarheden uit mijn handen te laten vallen, zoals fototoestellen. Vervolgens blijf ik bij het naar buiten rennen met de mouw van mijn trui achter de deurklink haken, zodat de camera alsnog een duikvlucht maakt. Wat ik wilde fotograferen is ondertussen al lang gevlogen.

Ook mijn telefoon houd ik angstvallig vast, maar vervolgens blijf ik achter het snoertje haken waarmee het ding in het stopcontact zit. Mijn baksels worden graag gegeten, maar als de cake eindelijk in de oven staat, ziet de keuken eruit alsof er een bom is ontploft. De mixer doet namelijk altijd wat ie zelf wil. Met stokjes eten kan ik verrassend genoeg best goed, maar ik laat de sushi op een onbewaakt moment dan wél in het schaaltje sojasaus vallen. En een pak of zak (melk, nootjes, yoghurt, crackers) openmaken… daar hebben we het maar helemaal niet over.

Toch is mijn chronische klunzigheid niets vergeleken met mijn totale gebrek aan richtingsgevoel en ruimtelijk inzicht. Ik stel er het geduld van de leuke jongen uit de trein regelmatig mee op de proef. “Waarom vertrouw ik in hemelsnaam op jou!?”, riep hij geërgerd toen we het hostel in Brussel probeerden te vinden dat ik geboekt had. Ik had thuis op een kaartje gekeken en dacht dat ik er blind naartoe zou kunnen lopen.

We hadden uiteraard twee heerlijke dagen in de Belgische hoofdstad. Er is (bijna) niets leuker dan met de leuke jongen uit de trein op een Brussels bankje zitten en mensjes kijken. Maar het zou nog leuker zijn als ik de weg van A naar B onthoud.

Brussel

De make-up en het meisje

Vroegen vriendinnetjes een pop voor hun verjaardag, dan vroeg ik een houten trein of een garage waar je autootjes vanaf kon laten rijden. Ik las liever de VPRO-gids dan de Yes. Liever de boeken over De Kameleon dan die van Afke’s Tiental. Ik hield niet van de kleur roze. Ik klom graag in bomen, verstopte me tussen de hooibalen op de boerderij of tussen het mais in het veld aan de overkant en ik was niet vies van modder. Ik ging liever fietsen dan knutselen. Jurkjes en sieraden droeg ik zelden, want die waren niet praktisch bij al deze activiteiten.

Inmiddels hangen er meer jurkjes in mijn kast dan broeken, heb ik oorbellen, armbandjes en kettinkjes in bijna alle kleuren zodat kleding en sieraden altijd met elkaar ‘matchen’ en staan tussen mijn uitgebreide assortiment gympen en laarzen ook elegante pumps en sleehakken. Ik zal nooit voorop lopen qua mode en heb geen verstand van crèmepjes of kapsels, maar als ik zin en tijd heb, loop ik er best mooi bij (al zeg ik het zelf).

Daar gaat een heel gevecht aan vooraf, want als ik iets niet kan, dan is het mezelf opmaken. Een lijntje boven mijn ogen moet ik minstens drie keer zetten per oog en weer wegvegen met een wattenstaafje en weer zetten… Mascara belandt behalve op mijn wimpers altijd ergens boven mijn ogen, tot in mijn wenkbrauwen aan toe. Oogschaduw beperkt zich ook nooit tot mijn oogleden, maar zoekt zijn eigen weg door mijn gezicht of het komt op mijn handen terecht die ik vervolgens nietsvermoedend aan mijn schone shirtje afveeg. En dan heb ik het nog niet over het subtiel aanbrengen van een kleurtje op mijn wangen, op dagen dat ik bleek zie van vermoeidheid. Waarom spetteren die tubes foundation altijd als je erin knijpt? En waarom vergeet ik dat elke keer dat ik ze gebruik?

Als de make-up eindelijk goed zit, komt mijn onhandelbare, pluizige bos krullen er nog achteraan. Minstens honderd haarspeldjes en haarbandjes in allerlei kleuren wonen in mijn badkamerla naast een uitgebreid assortiment aan haarsprays, wonderserums, voedende oliën en weet ik het wat nog meer. Toch eindigt mijn haar meestal in een staart. Na luid gevloek welteverstaan. Sommige speldjes sneuvelen al voordat ik er één keer mee de deur uit geweest ben.

Het is maar goed dat ik als zelfstandige werk en ik zelden ergens op een bepaalde tijd hoef te zijn. Het is maar goed dat het me meestal niet uitmaakt hoe ik erbij loop. Comfort verkies ik bijna altijd boven schoonheid. En schoonheid komt sowieso van binnenuit. Toch? 😉

Maar ik vraag het me wel af; hoe doen die vrouwen dat die er altijd als ik ze tegenkom uitzien om door een ringetje te halen?

Memorabele avond

Het is 18.30 uur. Misschien wat vroeg, maar toch geen heel uitzonderlijk tijdstip om een restaurant binnen te lopen. We kiezen voor een sushirestaurant. Het is er leeg en een beetje donker. De stilte is er oorverdovend. Het enige geluid komt uit het aquarium waarin verveelde vaaloranje vissen zwemmen. De pomp van het glazen gevaarte klinkt als een toilet dat na het doorspoelen is blijven lopen. Onze eerste indruk is niet bijzonder positief, maar we durven het wel aan, ondanks de goedkope tegeltjes tegen de wanden, die meer aan een shoarmatent doen denken dan aan een plek waar je verfijnde Japanse gerechten krijgt.

Van achter de toog duikt een jongetje op dat niet ouder kan zijn dan 12. Er volgt een wonderlijk gesprek, waarbij het jongetje ons nauwelijks aan durft te kijken.
“Willen jullie Chinees of Japans, want Chinees hebben we niet?”
“Haha, doe dan maar Japans.”
“Hebben jullie gereserveerd?”
Wij kijken het restaurant in en worden aangestaard door veertig lege stoelen.
“Nee we hebben niet gereserveerd, is dat erg?”

Het duurt lang voordat er een volwassene het restaurant binnen loopt, het duurt lang voordat deze meneer besluit om menukaarten te brengen, en het duurt een eeuwigheid voordat hij onze bestelling komt opnemen. Wij worden er een beetje zenuwachtig van, want we zijn onderweg naar een concert waar we geen noot van willen missen.

Het personeel blijkt gespecialiseerd in het stellen van bijzondere vragen. De meneer komt terug met een kannetje saké en vraagt aan mijn buurjongen: “Waar zal ik het neerzetten?”
Zijn gevatte antwoord: “Nou, zet het maar voor me op tafel.”

En verder gaat het grote wachten. Het duurt nog een dik half uur voor de eerste gerechtjes op tafel staan. Gerechtjes waarmee ons wachten niet echt wordt beloond. De zalmsushi druipt van het vet, tussen de sojabonen zit een haar, de futomaki vallen uit elkaar en de temaki zijn taai. Toch bestellen we nog een tweede ronde, want het concept is ‘all you can eat’ waarvoor we veel geld per persoon moeten neertellen. Bovendien moeten we een bodem leggen voordat we bij de jaren ’90 helden van dEUS uit ons dak kunnen gaan.

Bij het brengen van de tweede ronde, waar we ook weer een half uur op wachten, stoot de meneer een sojakannetje om. “Dat was niet de bedoeling”, is alles wat hij erover zegt. Het ligt bij ons allemaal op de lippen om te reageren met “Er gebeuren hier wel meer dingen die niet de bedoeling zijn!” Maar we houden ons in, goed opgevoed als we zijn.

We hadden vijf rondes mogen nuttigen, maar moeten er noodgedwongen vandoor na de tweede. Niemand vindt het erg.

Het bleef nog lang onrustig in Zwolle. En in onze magen.