Alleen reizen, begin er (niet) aan!

Ik neem de bus naar Aken, want dat prestigeproject dat drielandentrein heet, rijdt sowieso niet als je het nodig hebt. De bus doet er een stuk langer over dan aangekondigd op 9292. Gelukkig heb ik ruim gepland (niet mijn specialiteit) en maak ik me niet echt zorgen dat ik de trein ga missen. Oh gelukzalige onwetendheid.

Bij het station stap ik uit de bus. Er hangt een gespannen sfeer. Politie bij de bushaltes en bij alle stationsingangen. Geen ‘losse’ agenten, maar allemaal in groepjes van drie of meer. In het station heerst chaos. Veel treinen rijden niet vanwege een ontsporing van een goederentrein. Dat van die ontsporing weet ik op dat moment nog niet, maar dat het ellende op het spoor is, is direct duidelijk.

Uiteindelijk lukt het me om in mijn beste Duits te achterhalen hoe ik nu in Keulen en uiteindelijk in Frankfurt moet komen. “Je moet in één van die grijze bussen die nu aan de overkant van de straat staat”, vertelt de medewerker van Deutsche Bahn. “Maar je moet wachten tot die bussen zijn gekeerd. En dat is ongeveer over een half uur.” Terwijl ik op de grijze bussen wacht, trekt een hele groep zingende voetbalsupporters over het plein. Dat verklaart de hoeveelheid agenten.

De bus is relatief luxe, maar wordt wel helemaal vol gestopt. De buschauffeur is streng. Koffers moeten beneden in het ruim. We moeten onze riem vastmaken. We moeten bij aankomst blijven zitten tot hij zegt dat we op mogen staan. De man naast mij valt met wijd open mond in slaap. In de bus maak ik me zorgen. Kan ik met mijn ICE-ticket straks in Keulen in een andere trein stappen? Of moet ik een nieuw ticket kopen en is het jammer van het eerder betaalde bedrag? En hoe laat kom ik in vredesnaam in Frankfurt aan? Ik moet er voor 19 uur zijn. Ik heb mijn hotelkamer niet vooraf betaald en ze garanderen maar tot 19 uur dat ze de kamer voor me vasthouden.

Na ongeveer een kwartier rijden we langs de plek die de oorzaak is van de ellende. De buschauffeur vertelt dat we naar rechts moeten kijken. Ik zie ontspoorde wagons, een hijskraan en heel veel mensen in fluor oranje.

Op het station in Keulen is het eveneens totale chaos. Ook hier een gespannen sfeer. Veel mensen kijken fronsend naar de borden, waarop vooral veel vertragingen staan. Bij alle informatieloketten staan lange rijen. Maar wat me het meest aangrijpt, is de enorme hoeveelheid daklozen in het station. Misschien gebruikelijk als het buiten zo ontzettend koud is als vandaag, maar ik herinner me dit niet van toen ik een tijdje geleden met een vriendin in Keulen was.

Er liggen mensen op stoelen, er liggen mensen tegen de muren. Verschillende mensen graven in de prullenbakken naar statiegeldflesjes en etensresten. Ik probeer mijn neus niet op te halen, want dat zou niet erg respectvol zijn. Maar mijn hemel wat hangt er een penetrante geur. Ik wil zo snel mogelijk naar één van de platforms, maar dan moet ik eerst weten vanaf welk spoor mijn trein gaat.

Het duurt lang voordat ik op de steeds verspringende borden ontcijfer hoe laat en waar de volgende ICE naar Frankfurt vertrekt. Na lang wachten beantwoordt een medewerker van Deutsche Bahn mijn prangende vraag. Met het ticket dat ik heb, mag ik ook in een andere trein stappen. Die over drie kwartier komt, als de vertraging van nu al een kwartier tenminste niet verder oploopt. Natuurlijk blijk ik bij het eerste klas gedeelte te staan en moet ik een heel stuk teruglopen om bij de tweede klas in te stappen. Op wonderbaarlijke wijze vind ik nog een zitplek.

Tegen de tijd dat ik eindelijk in Frankfurt aankom, is het donker en nog een paar graden kouder. Ik heb honger en moet plassen. Snel op zoek naar het hotel. Gelukkig is het nog ruim voor 19 uur. Net als in bijna alle steden is de directe omgeving van het station niet de beste plek om te zijn, zeker niet na zonsondergang. Waar worden toch iedere keer die blikken jonge hangmannen opengetrokken? Een man wil mij aanspreken. Ik vertrouw hem niet en versnel mijn pas zo veel als mijn volle blaas dat toelaat. Gelukkig komt hij me niet achterna.

Eenmaal op de wc van mijn hotelkamer kan ik eindelijk ontspannen.

Voor de zoveelste keer vraag ik me af wat er ook alweer leuk is aan alleen op reis gaan.

Dat antwoord komt de volgende ochtend. Ik kijk uit mijn hotelraam en zie een prachtige oranje lucht. De zon komt op tussen de imponerende hoogbouw van de stad. Om half 9 ben ik buiten. Ik maak een mooie wandeling door verrassend groene wijken en door parken waar fanatiek wordt gesport.

Op een bankje in de zon kijk ik naar een jongen die zijn worpen op de basket probeert te perfectioneren. Daarna trekt een klein jongetje mijn aandacht. Hij klimt op een hufter proof crosstrainer (toepasselijk op zondag als ik normaal zelf ook altijd ga fitnessen). Hij komt met zijn handen nauwelijks bij de handvatten en als hij zijn voeten in beweging zet, belandt hij bijna in een split (of is het een spagaat?). Maar een lol dat hij heeft!

Aan het eind van de ochtend drink ik goede koffie in een leuk zaakje waar ik uiteindelijk ook lunch. Ik heb mijn boek en mijn laptop bij me. Ik lees een beetje, werk een beetje en observeer de mensen die in en uitgaan. Hier zitten toeristen en locals. Ik vang leuke gesprekken op. Het is fijn om meerdere talen te verstaan en lekker te luistervinken. Na een paar uur ga ik weer aan de wandel. Ik maak een tussenstop bij de supermarkt. Alleen lunchen was prima, maar ik voel me nog niet zeker genoeg om alleen op restaurant te gaan.

In mijn hotelkamer werk ik nog even verder terwijl buiten de zon uit en de lampen aangaan. Het eerste interview van de negen die ik in Frankfurt hoop uit te werken, is bijna klaar als ik aan deze blog begin. Het bureau in mijn hotelkamer is goedgekeurd.

Reizen is fijn. Samen reizen is fijn. Met een vriendin of met de leuke jongen uit de trein. De leuke jongen uit de trein en ik zijn er heel goed in samen (los van de weg naar de vakantie toe, die is minder aangenaam), vooral in stedentrips. In Brussel leven we allebei helemaal op, dat is echt onze tweede thuisstad. Ik hou extra veel van hem als hij op ons favoriete pleintje zit. Geen idee hoe dat psychologisch werkt. Ook in Zweden, Marokko en Canada waren we een prima team, om maar wat landen te noemen.

Afgelopen zomer in Rotterdam genoten we samen van precies dezelfde dingen. We hadden een toptijd. Met onze handjes Ghanees eten. Met chic bestek een 7-gangen-menu verorberen. Met onze neus in de zon naar dappere mensen kijken die in de Maas springen om te zwemmen.

Alleen reizen is fijn. Denken en doen lopen dan bijna gelijk. Denken ‘de zon schijnt, ik wil naar buiten’ en dan een kwartier later buiten staan. Ik hoef de douche niet af te drogen. Ik kan de boel de boel laten, want het boeit niet dat mijn koffer midden in de kamer staat en de kleren van de vorige dag op het bed liggen. Als ik weg ben, functioneer ik in een heel ander ritme dan thuis. Het lijkt alsof ik in een andere omgeving makkelijker opsta en makkelijker schrijf. Om de één of andere reden laat ik me minder afleiden dan thuis als ik in een hotelkamer of ‘vreemde’ koffietent aan het werk ben.

Het is natuurlijk pure luxe dat ik dit af en toe kan doen. Dat ik kan reizen. Samen en alleen.

Dat ik het kan combineren met mijn werk.

Ik duim wel alvast voor een iets soepelere terugweg…

(Schoon)familie, vrienden en je thuisvoelen

Er was eens…

Een tijd van gezamenlijke herfstvakanties in huisjes aan zee. Of met de bus naar Spanje. Van jaarlijkse familiedagen. Van de ene kerstdag met mama’s familie en de andere kerstdag met die van papa. Een tijd dat nichtjes ook vriendinnen waren. Van bij elkaar logeren en samen naar concerten gaan. Dansen op bruiloften. Verjaardagen en jubilea vieren met zijn allen.

In nood kan ik altijd bij mijn mama, zusje en broertje terecht. Ik weet dat ze van me houden en me nooit in de steek laten. En hopelijk weten ze dat ook van mij. We lijken veel op elkaar. Vaak meer dan we willen toegeven.

Verder heb ik nauwelijks nog contact met mijn familie. Aan mama’s kant en aan papa’s kant. Sommige mensen hebben op hun eigen manier laten weten geen behoefte meer te hebben aan contact. Met anderen is het ‘gewoon’ verwaterd. Gelukkig staat de jaarlijkse dameszitting met mijn oudste nicht nog als een huis. Het is wat het is. Ik heb daar inmiddels vrede mee. Denk ik. Dacht ik…

Want er zijn al die mensen die ik zelf koos.

De leuke jongen uit de trein en de allerleukste vrienden van de wereld zijn de rotsen in mijn branding, hoe zoet dat ook klinkt. Om hoogtepunten mee te vieren en om troost van te krijgen bij de dieptepunten. Ze staan me bij met praktische daden, zoals me van een station halen waarvandaan geen treinen meer vertrekken (dankjewel B!). Ze organiseren de jaarlijkse ‘sinterkerstborrel’ en zorgen ervoor dat niemand die datum vergeet (opnieuw dankjewel B!). Ze luisteren naar me als ik in de put zit. Ze sturen lieve appjes met hartjes. Komen langs met een fles wijn. Of lenen boeken uit waar ik onbedaarlijk om moet lachen (dankjewel M!).

We gunnen elkaar alles en feliciteren elkaar bij iedere stap. Sommige vrienden zie ik hooguit twee keer per jaar en toch weten we dat het goed zit. Ik zou onmiddellijk alles uit mijn handen laten vallen en naar de andere kant van het land rijden. En andersom.

En ik heb mijn schoonfamilie. Die koos ik niet. Maar vanaf dag één voelde ik me daar thuis. Pasen 2008. Aan de garnalencocktail met liefde gemaakt door mijn schoonmama. Terwijl ze zelf geen garnalen lust. Ik voelde al snel een soort onvoorwaardelijkheid. Het concept ‘voor wat, hoort wat’ kennen die mensen niet. Dat geldt voor de hele familie aan mijn schoonmama’s kant. Je helpt elkaar waar je kan. Krijgt geen verwijten als je niet kan. En je gaat niet zitten turven of jij vaker iets hebt gedaan dan de ander.

Een potje extra koken van het een of het ander en dat even langs brengen. Muren schilderen, elektra aanleggen, bomen snoeien, dakgoten schoonmaken, verhuisdozen inpakken. Brengen en halen, maakt niet uit waar vandaan of waar naartoe. Noem het en er staat familie klaar. En soms krijg je al hulp voordat je erom kan vragen. Wekelijkse kaartavonden, jaarlijkse familiedagen, nichten en neven die niet alleen familie, maar ook vrienden van elkaar zijn.

Anderhalve week geleden overleed ‘ome M’. Als eerste van acht broers en zussen. De bourgondische en goedlachse oom die ik me vooral zal herinneren door zijn enthousiaste muzikale aanmoedigingen als ik meedeed aan Maastrichts Mooiste. In het crematorium huilde ik eerst en vooral om hem en de vrouw, broers, zussen, kinderen en kleinkinderen die hij achterlaat. Daarna huilde ik om de herinneringen aan die ene crematie, 22 jaar geleden. En tot slot huilde ik om het contrast. Om hoe het misschien in mijn familie nog had kunnen zijn. Namelijk zoals het was, toen mijn oma en mijn papa nog leefden.

Op de foto’s die bij de crematie voorbij kwamen van ver voor mijn tijd tot nu kon iedereen zien dat mijn schoonfamilie altijd al die onvoorwaardelijke zoete inval was. De manier waarop iedereen elkaar vastpakte. De mooie woorden over gezamenlijke activiteiten zoals kelders uitgraven en vijvers aanleggen. Er werd met zo veel warmte aan gebeurtenissen teruggedacht. Herinneringen aan samen keihard werken worden misschien wel meer gekoesterd dan herinneringen aan vakanties en uitstapjes. Dat zegt veel.

Ik wist het al, maar op deze dag van afscheid nemen kwam het extra hard binnen: in mijn schoonfamilie zijn mensen er voor elkaar. En dus ook voor mij, simpelweg omdat ik samen ben met ‘een van hen’.

Wat een geluk.

Vermist, kwijt, verstopt

Ik heb nauwelijks meer hoop. Maar aan het einde van de werkdag liggen ze ineens wel op de balie bij het zwembad: mijn jas en mijn sjaal.

Spullen kwijtraken is een van mijn slechte eigenschappen. Ik verlies al dingen zo lang ik me kan herinneren. De keren dat ik van de basisschool thuiskwam met nog maar één handschoen of zonder broodtrommel zijn niet te tellen. Op de middelbare school raakte ik vooral pennen en schriften kwijt. Mijn ouders werden er gek van. Soms werden ze boos (en dat snapte ik dan ook nog). Soms moest ik van mijn eigen geld nieuwe spullen kopen. Of dat hielp? Nee, geen zak.

Inmiddels ben ik 44. Verbetering? Noppes. Gisteren liet ik mijn jas en sjaal in het kleedhokje bij het zwembad hangen. Ik merk na het zwemmen dat die spullen dus niet in mijn kluisje liggen en ga zoeken. Ik maak alle kluisjes en kleedhokjes open. Geen jas. Ik ga naar de balie waar de gevonden voorwerpen liggen. Geen jas. Ik kijk bij de wasbakken en föhns. Geen jas. Ook al weet ik zeker dat ik mijn jas mee naar binnen nam, ik controleer voor de zekerheid mijn fietstas. Geen jas.

Eén meevaller: mijn sleutels en mijn telefoon zitten niet in mijn jas. Al helpt dat mijn humeur verder niet. Dus vertrek ik verdrietig naar een klant. Extra verdrietig dit keer omdat het een hele fijne jas is, gekregen van mijn lieve schoonmama.

Op de terugweg, rond 18.00 uur, besluit ik nog even langs het zwembad te rijden. Met weinig hoop, ik heb immers overal gekeken.

Ik loop door de schuifdeur en zie ze meteen op de balie liggen: mijn jas en mijn sjaal.

Na 44 jaar snap ik nog steeds niet hoe ik het voor elkaar krijg. Meestal is kwijt ook echt kwijt. Dit keer word ik op wonderbaarlijke wijze herenigd met mijn bezittingen. Pjiew!

Kwijtraken en vergeten liggen dicht bij elkaar. Toch gaat het zakelijk gezien bijna nooit mis. Ik kom 99 van de 100 k eer op tijd bij afspraken en haal mijn deadlines. Maar vraag me niet waar mijn sleutels liggen. Ik moet dus wel eerder beginnen met me klaarmaken voor een afspraak dan een ‘normaal’ mens, omdat ik al weet dat ik iets moet gaan zoeken.

Ben jij team super georganiseerd en nooit iets kwijt? Of ben jij team chaos?

Mag ik je ogen lezen?

De leuke jongen uit de trein staat al een eeuwigheid in de Duitse supermarkt. En gelijk heeft hij. Hij kan niet kiezen uit de bijzondere smaakjes Schweppes die we in Nederland niet hebben. Ik sta buiten de winkel, bij de speeltoestellen in het sfeerloze overdekte winkelcentrum in Aken. (Hoe mooi een stad ook is, winkelcentra, brrrrr). Aan mijn voeten een tas vol tandpasta, bodylotion en andere belachelijk goedkope producten uit de DM. Lang leve wonen in de grensregio en voordelig inkopen doen.

Met ferme pas komt ze op me af. Ik wil niet denken wat ik denk, maar doe dat toch. Ik voel wantrouwen. Ze is klein en heeft lang, donker haar. Ze draagt een strakke jurk en goudkleurige sieraden. Haar uiterlijk doet me denken aan de vrouwen in Brussel die bedelen met een gedrogeerd kind op schoot. Aan de meisjes die me in Barcelona probeerden wijs te maken dat ik mijn ring had laten vallen in de hoop dat ik me zou bukken en zij mijn zakken konden rollen. Ik wil dit niet denken. Ik wil mensen niet op basis van hun uiterlijk in een hokje zetten. Maar het is bizar hoe mijn hoofd soms werkt.

Ze staat voor me en kijkt me aan. Een vriendelijke blik. Maar ik ben nog steeds op mijn hoede.

“Mag ik je ogen lezen?”

Ik stamel in mijn beste Duits dat dat niet hoeft en dat ik waarschijnlijk toch niet alles ga begrijpen wat ze zegt.

“Ik wil je toch wat zeggen. Het is positief. Je bent een krachtige vrouw.”

“Dankjewel”, zeg ik. En speur over haar heen de winkel in om te kijken waar de leuke jongen blijft.

“Jij bent iemand die heel goed aanvoelt of mensen deugen of dat ze slecht zijn. Je bent sterk. Maar de laatste twee jaar gaat het zozo.”

De laatste zin onderstreept ze door een golfbeweging te maken met haar hand.

Ze geeft me nog een compliment voor de kleurrijke rok die ik aanheb en loopt weg.

Niets aan de hand dus. Wantrouwen voor niets. Dus ik vraag me af of ze gelijk heeft. Zo goed voel ik mensen blijkbaar niet aan. En wat was twee jaar geleden dan de aanleiding voor ‘zozo’?

Het drama van de conflictvermijder

And nothing ever happens, nothing happens at all
The needle returns to the start of the song
And we all sing along like before

– Del Amitri

Ik laat me afschepen, om de tuin leiden, onder de tafel lullen, uit het veld slaan. En iedere andere uitdrukking die er bestaat voor een conflictvermijder. Een onhandige karaktertrek voor een ondernemer, maar vooral lastig in mijn ‘normale leven’.

Krijg ik kritiek, doe ik harder mijn best. Tenzij de kritiek echt nergens op slaat.

Krijg ik iets niet waar ik recht op heb, laat ik het vaak lopen. Geen zin in gedoe. Of nee, erger: angst voor gedoe.

Toen ik vandaag na twee mislukte pogingen, want geen gehoor, de meubelzaak bereikte waar we een fantastische bank kochten (zie mijn vorige blog) had ik mezelf dus al voor de derde keer opgepept.
‘Je niet gewonnen geven Lieke, je staat in je recht, ze zeiden zelf dat je altijd mocht bellen, we hebben ‘in house service’ bijgekocht, dus volhouden’.

Het probleem. De bank schuift iedere keer dat je erin gaat zitten, maar de viltjes blijven staan. Waardoor we iedere avond de bank op zijn kant moeten leggen om de viltjes opnieuw vast te plakken. Kan niet de bedoeling zijn.

Lief als ik ben, begin ik met “De superleuke paarse bank die vorige week werd geleverd… ” om vervolgens voor mijn doen redelijk ferm en volhardend te melden dat ze toch zeker wel een andere oplossing hebben dan viltjes en dat het volgens mij bij de service hoort om niet alleen een bank maar ook vloerbescherming te leveren. Plus dat de mannen die de bank kwamen leveren, zeiden dat we altijd mochten bellen en er voor ieder probleem een oplossing was.

Nadat de vrouw aan de andere kant drie keer heeft gezegd dat het beschermen van de vloer volgens haar niet bij de service hoort, dat alleen voor stoelpoten bepaalde dopjes bestaan maar niet voor banken, en dat er echt geen andere oplossing is behalve zelf ergens antislipmateriaal aanschaffen (ze noemt zelfs het bedrijf waar we dat kunnen doen), hang ik toch op.

Om nog twee minuten verbijsterd naar mijn telefoon te kijken.

Kan ik dit niet omdat ‘kinderen die vragen worden overgeslagen’ één van de rode draden was in mijn jonge leven? Kan ik dit niet omdat mijn hele familie kampioen is in zich niet uitspreken? Waar komt de angst vandaan? De knoop in mijn maag?

Zelfs toen ik ontslag nam op een plek waar de leidinggevende mild gezegd een slecht betalende hornox eerste klas was, had ik buikpijn. Bang dat er een discussie zou ontstaan. Bang dat er verwijten zouden komen over dat ik het team in de steek liet. Terwijl ik doodongelukkig was op die plek.

En dan heb ik het nog niet over die relatie waar ik veel te lang in bleef hangen. Hij bracht geweldige muziek op mijn pad (zie ook het begin van deze blog) en de seks was goed, maar verder was er geen bal aan. Hij maakte me onzeker, wilde me veranderen, was jaloers.

Nu baal ik dus weer van mezelf. Maar ik boek vooruitgang. Een paar jaar geleden had ik waarschijnlijk na een minuut al opgehangen. Nu bleef ik toch wel tien minuten aan de telefoon. Helaas met hetzelfde resultaat: nada, noppes, niks.

Ik ben veel tegelijk, maar kan niet veel tegelijk

Als een kind in de snoepwinkel zo blij ben ik met de nieuwe, paarse bank die vanmorgen is geleverd. De paarse bank die perfect kleurt bij de donkergroene muur erachter. Ik ben een sucker voor kleur. Het leven is te kort voor saai. Compleet met badeendjes in mijn oren, Snoopy veters in mijn schoenen en jurkjes in meer kleuren dan de regenboog.

Ik functioneer goed bij kleur en bij verandering, want ik word onrustig van eentonig en saai. Zit er een donkerblauw kostuum of een grijs mantelpak tegenover me, moet ik veel beter mijn best doen om bij het gesprek te blijven dan als er een statement tegenover me zit. Dus kom maar op met kleur. Met die nieuwe opdracht. Die nieuwe werkplek. En joepie, vanmorgen dus met die nieuwe bank.

Tegelijk schreeuwt mijn hoofd op dit moment dat ik nondeju gebaat ben bij routine en herhaling. En bij het halen van tijdwinst door niet mijn armbandjes en oorbellen te willen matchen met mijn schoenen. Baat bij bewust dingen doen en spullen op een vaste plek leggen.

De afgelopen week was het weer vaker bonanza dan anders. In een wachtdienst week zonder laptop de deur uit en dus terug naar huis moeten. Fietsensleutel verliezen van de ‘werkplekfiets’ die nu dus afgesloten op de markt staat. Een afspraak vergeten met de leuke jongen uit de trein (op dezelfde dag!) om een ijsje te gaan eten. Terwijl je mij kunt wakker maken voor ijs. Van de voordeur teruglopen naar de auto omdat ik niet meer weet of ik heb afgesloten. En continu mijn huissleutels en telefoon kwijt. Lang leve verandering én lang leve routine. Al moet ik voor dat laatste dus echt beter mijn best doen.

Ik houd van veel dingen tegelijk.

Ik ben veel tegelijk.

Ik ben de spring in het veld die vreugdedansjes doet bij leuke vooruitzichten, maar ik ben ook rustig en bedachtzaam.
Ik ben tevreden en bij vlagen ronduit gelukkig, maar zwem daarnaast in een grote vijver verdriet.
Ik ben goed in koetjes en kalfjes, maar verlang vaak naar diepgang.
Ik ben oersterk, maar ook onzeker en kwetsbaar.
Ik lach veel, maar huil ook snel en om van alles.
Ik kan vaak meer dan ik denk, maar denk vaak te veel.
Ik ben super leergierig en gemotiveerd, maar ben vaak niet vooruit te branden.

Ik heb het knetterdruk en nog twee deadlines opstaan, maar ik schrijf een blog…

Met dank aan de kleurrijke Wieteke van Diggele die iets soortgelijke plaatste op LinkedIn en mij daarmee inspireerde voor het einde van deze blog. Ga haar vooral volgen op LinkedIn als je van vrolijke foto’s en spontaniteit houdt!

Machteloos

Zoals ik me machteloos voel tegenover de situatie in Gaza, Jemen, Eritrea en Somalië voel ik me dat ook tegenover een paar mensen die heel dichtbij staan.

Geld overmaken naar Unicef, Oxfam en naar vrienden die de Nacht van de Vluchteling lopen, neemt dat gevoel van machteloosheid niet weg. Schrijven over onrecht en hoe onze beoogde nieuwe regering dat onrecht versterkt, helpt ook niet. Maar is het minste dat ik kan doen.

Duizenden mensen die honger lijden, bang zijn, wegvluchten van een plek versus een paar mensen dichtbij met mentale en/of lichamelijke problemen. Die laatsten frustreren me soms meer. Zo werkt dat met ‘nabijheid’. Willen helpen, het goede willen doen en geen idee hebben hoe.

Tips geven waar ze zelf al lang aan hebben gedacht, is in ieder geval niet de goede manier heb ik geleerd. In het verleden had ik daar nog wel eens last van om dingen te gaan zeggen als ‘meer bewegen, minder werken, langer vrij nemen, een andere huisarts…’ Ik probeer om dat vooral niet meer te doen. Samen leuke dingen doen, simpelweg een pot koffie zetten of praktische taken uit handen nemen, biedt soms wat verlichting. Oprecht belangstellend vragen hoe het gaat, helpt heel even.

Maar als het antwoord is:

“Slecht en ik wil het er niet over hebben.”

“Ik was bijna dood, laat me voorlopig met rust.”

“Ik ben niet depressief, ik ben gewoon geïrriteerd.”

Dan krijg ik een soort kortsluiting. Is met rust laten echt het beste idee? Vragen hoe het gaat, is misschien ook heel stom. Want als het klote met je gaat, wil je dat misschien niet hoeven zeggen.

Zelf zat ik in coronatijd en de eerste maanden daarna niet lekker in mijn vel. Daar had ik last van. Daar had de leuke jongen uit de trein last van. Wat mij hielp was praten met vriendinnen en met een fijne coach. Consequent iedere werkdag beginnen met een wandeling. Een week in mijn uppie weggaan. Nee zeggen tegen minder leuke opdrachten. Maar wat werkte voor mij is geen ‘recept’ voor iedereen.

Wat doe jij als het met een naaste niet goed gaat?

En wat doe jij met de ‘wereldellende’ verder weg?

Sterven doe je niet iedere dag

Vroeger, toen ik in bomen klom, in het hooi speelde op de boerderij en steentjes gooide in het kanaal, leek het leven eindeloos. De zomervakantie duurde lang en was zorgeloos. Al had ik soms de pest in als mijn ouders weer besloten naar een andere camping te gaan terwijl ik net een vriendinnetje had ‘gemaakt’. (Rare uitdrukking, vrienden maken).

Dood ging je pas in het bejaardenhuis als je geen zin meer had om te kienen of te kaarten. Of als je heel veel pech had, zoals de moeder van mijn vader, stierf je aan kanker in het ziekenhuis. Maar in ieder geval na je 60e. Dat duurde in mijn kinderhoofd nog een eeuwigheid, dus waarom zou ik me daar druk over maken?

Zoals een kinderhoofd blijkbaar werkt. Ik herinner me van mijn oma in het ziekenhuis vooral dat ik een keer nieuwe schoenen had en dat die veel geluid maakten in de ziekenhuisgangen.

Inmiddels ben ik nauwelijks jonger dan mijn vader was toen hij stierf. Een aantal vrienden is al ouder. De leuke jongen uit de trein werd in maart 48. Als hij zijn volgende verjaardag haalt, is hij mijn papa voorbij. De zeis van Magere Hein was in december 2002 een lichtflits en donderslag bij heldere hemel. Ondertussen heeft de dood een stevige voet aan de grond gekregen. Waar ik lang een uitzondering was, leeft nu van veel vrienden nog maar één ouder. En in een enkel geval leeft er geen ouder meer.

Het plaatst mijn leven in een ander perspectief. Of nee, niet altijd. Dat doet het soms, als ik erover nadenk. Dat is confronterend en dan borrelt de paniek omhoog. Ik wil nog, ik moet nog, ik zou nog… En tegelijkertijd: wat een rijkdom dat ik leef. Dat ik leef zoals ik leef in een land waar we steen en been klagen maar waar ‘we’ het over het algemeen hartstikke goed hebben.

Maar laat ik voor mezelf spreken. Ik heb het hartstikke goed. Ik ben gezond, wat het aller belangrijkste is. Ik woon met de leuke jongen uit de trein in een fijn huis op een fijne locatie. En heb ontzettend veel mensen om me heen waar ik op kan bouwen.

Hoe kan het dan dat ik mezelf soms moet dwingen om de waarde daarvan te blijven zien? Potverdorie, we sterven maar één keer (denk ik) en we leven iedere dag. Dus als je het zo goed hebt als ik: genieten, zolang als het duurt!

En als je klaagt ‘wat word ik oud’, denk dan ‘het alternatief is erger!’

Dode journalisten

Live in een uitzending kreeg cameraman Samer Abu Daqqa in oktober te horen dat bij een Israëlisch bombardement zijn vrouw, een zoon, een dochter en een kleinkind waren omgekomen. Maar hij werkte door. Tot die fatale reportage over een door Israël gebombardeerde school. Waar “toevallig” een raket insloeg toen hij klaar was met filmen. Samer had in België kunnen zijn, maar besloot in Gaza te blijven tot de oorlog voorbij was.

Ik had journalist kunnen zijn
Onderzoeker. Correspondent. Oorlogsverslaggever
Maar ik koos de makkelijke weg
Die van de minste weerstand
Ik schrijf commerciële stukjes
Interviews voor bladen die geen steen verleggen
Een persbericht, een aankondiging, een blog
Want we hebben allemaal zo veel “belangrijks” te zeggen

Soms een gratis tekst voor een goed doel
Fairtrade, duurzaamheid, of een sympathiek buurtinitiatief
Kan ik mezelf weer een schouderklopje geven
Kijk mij goed bezig zijn
En ondertussen klagen over mijn ‘eerste wereld leven’

Het regent
Alweer

Ik huilde lang en hard vanmorgen
103 journalisten en mediamedewerkers gedood sinds 7 oktober
Tranen drupten op de schouder van de leuke jongen uit de trein
Tranen drupten op de krant
Het venster van de wereld op Gaza wordt steeds kleiner, las ik in NRC
Mijn kop koffie in de hand

PRESS op hun helm
PRESS op hun scherfvest
Dat moet bescherming bieden
Maar maakt doelwit
Schietschijf voor wie de waarheid niet wil weten
Schietschijf voor wie hoopt
Dat we ook deze oorlog weer vergeten

Auto geraakt door een granaat
Huis geraakt door een bom
Collateral dammage?
Vette pech?
Natuurlijk niet
Maar de daders komen ermee weg

Videojournalist Issam Abdallah werd op 13 oktober 2023 gedood toen hij samen met andere journalisten Israëlische bombardementen filmde in Zuid-Libanon. Onderzoek wijst uit dat de granaat afkomstig was van een Israëlische tank aan de andere kant van de grens.