Oorlogsmoe

Ik ben een nieuwsjunk. Ik wil weten wat er in de wereld gebeurt. Wil trends zien en de oorsprong van gebeurtenissen kennen. Wil meerdere bronnen raadplegen voordat ik een mening vorm. Maar soms wil ik de krant in 1000 stukjes scheuren en een baksteen naar de televisie gooien. Daar heb ik vooral last van als Palestina en Israël in beeld komen.

Ik blijf me erover verbazen hoe veel oorlogszuchtige en haatdragende mensen zich kunnen verzamelen op een stuk land zo groot als een postzegel. Ik ben geschokt door de propagandafilmpjes die ik voorbij zie komen op Facebook en vraag me af hoeveel geloof eraan wordt gehecht. Ik heb mijn vraagtekens bij oproepen tot allerlei demonstraties en boycots. Maar het meest schrik ik van het grote aantal doden, waaronder veel kinderen die werkelijk niets met het conflict te maken hebben.

Ik zag een filmpje dat stelt dat de oorzaak van het conflict heel simpel is. Dat klopt: onvermogen en onwil van mensen met geld en macht om samen een vreedzame samenleving op te bouwen. (Dat was overigens niet de strekking van het filmpje, waarin de simpele verklaring was dat Hamas alle joden wil doden, terwijl Israël vrede wil). Ik hoop dat beide partijen de uitputting nabij zijn en geen trek meer hebben om te vechten. Maar dat is te simpel gedacht zeker?

Ik vind dat er aandacht moet zijn voor dit conflict, ook al word ik er doodmoe en soms zelfs een beetje agressief van. Maar waar ik nog veel moeër van word, is van al die doden waaraan nauwelijks aandacht wordt besteed. De wereld staat erbij en kijkt ernaar terwijl in de Centraal Afrikaanse Republiek, DR Congo, Nigeria, Soedan, Irak, Libië, Syrië, Pakistan, Tsjetsjenië, Haïti – om maar een paar landen te noemen – mensen voortdurend bommen op hun kop, machetes tegen hun keel of ziektekiemen onder hun leden krijgen.

En wat doe ik? Niks, nada, noppes. Erger nog, ik begin elke alinea in deze blog met ‘ik’.

 

 

En toen werd het zomer

Enquêtes afnemen op een nagenoeg lege parkeerplaats zonder mogelijkheden om te schuilen, behalve als je onder een auto zou passen. Ik word er nat, melancholisch en ‘dichterlijk’.

20140721_165136

Natte zomer

Rillend zit ik in de stationsrestauratie
Mijn natte spijkerbroek plakt aan mijn benen
Mijn haar pluist
Ik probeer te werken maar heb geen inspiratie

Ik drink mijn koffie veel te heet
Mijn tong gloeit na van ongeduld
Het koekje is een kleine troost
Maar in mijn hoofd klinkt een oerkreet

Al twee dagen regen aan één stuk
Lange broek, dichte schoenen, regenjas
Ondanks de koffie word ik niet echt wakker
Moedeloos zit ik op een barkruk

Vaders, moeders en kinderen komen binnen
Ze bestellen allemaal een ijsje
Want het is zomer
Liefde in verregende gezinnen

Zomer?

 

 

Zoeken naar een plek om te blijven. Onrust en lichte paniek.

De rente is laag, de overdrachtsbelasting (of hoe het heet) is laag, de huizenprijzen zijn relatief laag. Ik heb soort van bewezen dat mijn eigen bedrijf levensvatbaar is. Van alle kanten wordt ons aangeraden om te kopen. Dit jaar nog. Het werd ons zelfs vorig jaar al aangeraden om dit jaar te kopen. Maar ik ben ontworteld, onthecht en onrustig; dus dat kopen is nogal een ding. Los van onze financiële situatie, waardoor de mogelijkheden behoorlijk worden beperkt.

Je zou het niet zeggen als je weet waar ik al overal heb gewoond, maar ik HAAT verhuizen. Een huis kopen, betekent -als het goed is-  dat ik voorlopig niet meer hoef in te pakken. Van de andere kant vind ik het doodeng om iets te kopen. Het past niet bij mijn onrust. Het past niet bij mijn dromen over wereldreizen. Een koophuis hoort in mijn gedachten bij het fenomeen ‘burgerlijkheid’ waar ik me zo graag tegen afzet. Kopen klinkt een beetje als vast zitten.

“Vroeger” wist ik zeker dat ik nooit terug zou komen naar Maastricht. En waar woon ik alweer bijna 4 jaar? Juist. Ik wist ook zeker dat ik veel zou reizen en ooit in een zonnig buitenland zou gaan wonen. Nu weet ik niets meer zeker. Ik voel me thuis in Maastricht, al foeter ik regelmatig op de stad, dus ik zou hier graag willen blijven. Maar niet ten koste van alles. En daar wringt één van de vele schoenen: om in Maastricht te kunnen blijven, moet ik een deel van mijn wensen (eisen) opgeven:

  • Omdat ik al vaak verhuisde in mijn leven, heb ik veel vrienden die van ver moeten komen. Dus er moet een logeerkamer zijn.
  • Omdat ik zelfstandige ben en mijn zoektocht naar werkruimte buiten de deur nog niets goeds heeft opgeleverd, moet er een werkruimte zijn. Dat mag dezelfde ruimte zijn als de logeerkamer, maar dat betekent dat deze ruimte ruim moet zijn. Er moet een groot bureau naast het logeerbed passen.
  • Omdat alles in mijn voortuintje fantastisch bloeit en groeit en ik daar heel blij van word, maar er nooit écht iets moois van kan maken omdat het om een minuscule voortuin gaat waar soms dingen uit verdwijnen (behalve onze lelijke witte tuinstoelen, die blijkbaar niemand wil hebben), wil ik een achtertuin. Liefst op het zuiden. Ik houd van de zon.

De leuke jongen uit de trein heeft natuurlijk ook nog wat wensen (eisen), die niet noodzakelijkerwijs overeen komen met die van mij. Om het makkelijk te maken.

Kortom, het zal mijn tijd nog wel duren. Misschien tot het te laat is en de huizenprijzen de hoogte in schieten. Lichte paniek…

Bij een nieuw huis, mag ik eindelijk een hond. Al is de kans natuurlijk klein dat het net zo'n lief dier is als dit knuffelbare exemplaar.

Bij een nieuw huis, mag ik eindelijk een hond. Al is de kans natuurlijk klein dat het net zo’n lief dier is als dit knuffelbare exemplaar.

Met dank aan Maartje Luif van wie ik de prachtige titel ‘een plek om te blijven’ pikte. Zij schreef een hele serie over haar zoektocht naar een huis. De moeite van het lezen waard. 

Aanstootgevende kleding?

We staan voor het gemeentehuis te kletsen. Hij draagt keurig gepoetste bruine schoenen, een donkere spijkerbroek en een netjes gestreken overhemd. Ik sta op donkergroene sleehakken, draag ook een donkere spijkerbroek en een wijdvallend lang shirt in dezelfde kleur als mijn schoenen. Naar mijn bescheiden mening zien we er behoorlijk gemiddeld uit, als mensen die op weg zijn naar een kantoorbaan. We praten over muziek. Hij vertelt met een twinkel in zijn ogen dat hij onverwachts kaartjes voor Werchter heeft bemachtigd zonder de hoofdprijs te betalen. Ik ben jaloers.

Vanuit mijn ooghoek zie ik een mevrouw aarzelend dichterbij komen. Ze heeft blosjes op haar wangen en fixeert haar blik op mijn linkerschouder, waar een klein stukje van mijn bh-bandje zichtbaar is. Een simpel zwart bandje zonder tierelantijnen. Ineens onderbreekt ze ons: “Mevrouw, uw t-shirt is afgezakt. Het zit een beetje scheef. Ik denk niet dat dat de bedoeling is.”

Hij schiet in de lach en zegt: “Natuurlijk wel, dat hoort zo.”
De mevrouw bloost nog harder.
Ik kijk haar aan en zeg: “Als ik naar binnen ga, zal ik me netjes aankleden.”
De mevrouw maakt zich uit de voeten.

Vanuit de straat die ze in wil slaan, komt een meisje aangelopen in een bijzonder kort broekje.
De mevrouw zegt niets.

Rennen. Ik weet nog steeds niet of ik dat nou leuk vind.

Zondag is het weer zo ver. 10 kilometer rennen onder de noemer Maastrichts Mooiste. Voor de derde keer en slechter voorbereid dan ooit. Zo rende ik afgelopen jaren minimaal 2 x 10 km in de weken voorafgaand aan de ‘wedstrijd’ en waren mijn andere trainingsrondjes gemiddeld tussen de 7 en 8 km. Dit jaar rende ik 1 x 9 km en trok ik meestal na 5 km de stekker er al uit. Dat komt vooral omdat mijn renmaatjes me dit jaar één voor één in de steek lieten wegens zwanger, relatiecrisis, of andere hobby’s (maar ik ben ze heel dankbaar en heb veel aan ze gehad). In mijn eentje doe ik minder mijn best en kom ik minder snel vooruit.

Want iedere eerste kilometer is stom. Iedere eerste kilometer denk ik “Zie je wel, ik kan het niet meer, het lukt niet, mijn kuiten zijn stijf, is het nog ver? Ja het is nog ver.” Soms zijn mijn klaaggedachten na 1 kilometer voorbij en leg ik de rest van de afstand redelijk soepeltjes af, soms is het na een paar kilometer nog steeds afzien. Dan is de enige reden dat ik blijf rennen, dat ik niet af wil gaan tegenover mezelf. Of dat ik simpelweg geen tijd heb om te gaan lopen.

De ‘renwereld’ is een verdomd oneerlijke wereld. Soms ren ik me het licht uit mijn ogen en loop ik trots op mezelf te zijn. Op dat moment rent er altijd een atletisch figuur voorbij dat stappen neemt van drie meter en nog adem overhoudt om mee te zingen met wat er in zijn oren klinkt. Waardoor ik eruit ziet als een betonnen tuinkabouter.

Van tegenwind word je veel moeër (moeier? moeder?) dan dat je winst hebt van wind mee. Hetzelfde geldt voor heuvel op en heuvel af. Hoe oneerlijk is dat?

Ook oneerlijk is dat als ik een tijdje niet ren -omdat ik net heb meegedaan aan Maastrichts Mooiste en daarna de zomer begint en de terrasjes lonken- ik daarna weer bijna opnieuw moet beginnen. Mijn hele lichaam lijkt vergeten dat het ooit gedragen werd door hardloopschoenen. Toch begin ik elk jaar weer opnieuw. Ik moet wel, want voordat ik het weet, heb ik me alweer ingeschreven voor Maastrichts Mooiste.  Waar ik de afgelopen twee edities bij de laatste 10 eindigde. Ook zondag zal de bezemwagen in mijn nek hijgen.

Toch kan ik het iedereen aanraden, dat hardlopen. Ik waardeer het ‘spelletje’ om

  • de mooie plekken waar ik anders niet zou komen,
  • om de wind in mijn haar,
  • om het leegmaken van mijn hoofd,
  • om de soms briljante gedachten die bij me opkomen,
  • om de weegschaal die de volgende ochtend lief naar me lacht,
  • omdat het na een tijdje braaf volhouden telkens een beetje makkelijker gaat,
  • en om het heerlijk voldane gevoel dat ik heb als ik na het rennen en douchen naast de leuke jongen uit de trein op de bank plof. Hij zegt dan altijd dat hij trots op me is 🙂

Update 17 juni 2014.
De uitslagen staan online en ik blijk 1.7.22 te hebben gelopen. Maar liefst 5 minuten sneller dan vorig jaar. Hiephoi! 

 

Van die dagen

Ik heb iets te veel van deze dagen de laatste tijd:

She spilled her coffee, broke her shoelace.
Smeared the lipstick on her face.
Slammed the door and said
“I’m sorry, I had a bad day again.”
[Fuel – Bad Day]

En als het nou nog alleen om gemorste koffie en kapotte schoenveters ging… Ik laat met even veel plezier een pan met saucijsjes door de lucht vliegen terwijl ik over de deur van de vaatwasser struikel. Bij het dweilen (3 x vloer, kasten, muur én plafond) is er één ding dat de pijn een beetje verzacht. Heel hard Bad Day draaien.

Brief aan mijn nichtje #8

Lief nichtje,

Ik mag je troosten als je pijn hebt en je naar bed brengen als je moe bent. Ik krijg een kusje en een knuffel als ik erom vraag en soms ook als ik er niet om vraag. Je durft met me van de hoogste en steilste glijbanen en je bent onvermoeibaar als we samen een stukje gaan wandelen. Wij houden van elkaar, jij en ik. Jammer dat je je dat later niet meer kunt herinneren.

Je was er al weken over bezig, dat we samen moesten gaan zwemmen. Dat deden we afgelopen vrijdag. Je mama en de leuke jongen uit de trein gingen ook mee. Onverschrokken en enthousiast liep je van het ene bad in het andere. Als we even niet goed opletten, was je alweer uit het zicht verdwenen. Chloorwater vind je een lekkernij. De grote zwemband, daar wilde je uit, want met alleen vleugeltjes had je veel meer bewegingsvrijheid. We gingen van de waterglijbaan waarbij een groot bord met 6+ aangaf dat je er nog veel te klein voor was. We waren nog maar nauwelijks boven water en je riep al “Nog een keer!”. Tegen die tijd werden je lippen langzaam blauw en liep je te rillen en te bibberen. Maar natuurlijk wilde je niet naar huis.

De volgende dag kwam je bij ons logeren. Je voelt je helemaal thuis bij ons en hebt er vaste ritueeltjes. Als eerste loop je naar ‘konijn’ die je van de bank pakt om mee te knuffelen. Daarna zijn de gitaren en de piano aan de beurt. Je weet dat ik altijd met je naar buiten ga. Je weet ook dat er altijd lekkere koekjes in de koektrommel zitten.

Je ontwikkelt je zo ontzettend snel, dat ik soms met open mond naar je kijk en met flapperende oren naar je luister. We liepen van de ene speeltuin naar de andere. Plotseling bleef je staan. “Die heeft mama ook thuis, blauw”, zei je en je wees naar een bos stoffen bloemen bij mensen op de vensterbank. Mama heeft dezelfde bloemen inderdaad in de keuken. Ze zijn niet allemaal blauw, maar een kleinigheidje heb je al gauw.

’s Avonds kroop je zelf in je ‘tentbed’ na een kop warme melk, een koekje en een verhaaltje en ik denk dat je binnen een paar seconden was vertrokken. Middenin de nacht werd ik wakker, omdat je lag te kletsen. “Bij Lieke slapen”, was één van de dingen die je zei. Ik smolt. De volgende ochtend deed je de roekende duiven na die voor het huis zaten. “Oe, ooooeee, oe”, klonk het vanuit je tentje. Zoooooo schattig.

Maar het was niet alleen lief en leuk dit weekend. Je bent een behoorlijk lastige eter geworden. Minuten lang kauwen, maar niet doorslikken, dat is een beetje je handelsmerk geworden. Nadat je al een half uur over een halve boterham deed, verloren de leuke jongen uit de trein en ik ons geduld. Heel vertederend vraag je dan “Boos?” Het is dan moeilijk om boos te blijven, maar we hielden vol. Op luide toon verkondigden we dat je je mond leeg moest eten, dat je geen tweede boterham met chocopasta meer kreeg en dat ook het stukje worst (je bent een echte carnivoor) dat we voor je hadden bewaard aan je neus voorbij ging. Je was zwaar onder de indruk van onze stemverheffing en keek ons met grote schrikogen aan. Ondertussen bleef je op het laatste stukje boterham kauwen zonder het door te slikken. Ik bracht je naar bed zonder verhaaltje en met de laatste kruimels nog in je mond. Je protesteerde niet.

Na je middagslaapje leek je ons vergeven te hebben. De leuke jongen uit de trein haalde je uit bed en je kroop tegen hem aan op de bank. Even lekker wakker worden. Verliefd keek ik naar jullie. Ineens leek je te schrikken en barstte je uit in een ongecontroleerde huilbui waarvan je hele lijfje schokte. Terwijl je nog volop snikte, zei je “mond leeg eten” en er brak een stukje van mijn hart. Waren we te streng geweest?

Even later speelden we alweer buiten. Ik noemde je klein aapje, terwijl ik je omhoog liet klimmen op de stellage rond de kastanjeboom op het plein. Jij vond dat een mooie naam.

Over namen gesproken. Je noemt jezelf geen Pauw meer, maar antwoordt luid en duidelijk met je echte naam als daarnaar gevraagd wordt.

Het was fijn dat je er was. Kom je snel weer logeren?

Liefs,
Tante Lieke

 

 

Knak

Wij hebben uw kandidatuur niet weerhouden.

Geen naam erboven. Geen uitleg erbij. Niet eens de welbekende succeswens voor de toekomst eronder.
Zo veel moeite als ik in de sollicitatie had gestoken, zo weinig moeite stak het bedrijf in mijn afwijzing.
Ik bleef geen drie weken in bed liggen met een dekbed over mijn hoofd, zoals ik voorspeld had.
Maar daar is dan ook alles mee gezegd.

Mijn ego zei knak.
Mijn zelfvertrouwen zei stik.
Mijn trots zei barst.

En ik zeg: het is de hoogste tijd om op vakantie te gaan.

20130714_231242

Zo voelt het ongeveer om telkens afgewezen te worden: slap en geknakt.

Mijn vijf van de jaren ’90

De jaren ’90. Dat is zonder twijfel mijn muzikale decennium.

Het decennium van lange zomers aan het zwembad. Zoete mixdrankjes. Festivals. Afstudeerfeesten. Tot mijn grote spijt kreeg ik geen Dr. Martens van mijn ouders en het kleedgeld dat ik vanaf halverwege het decennium kreeg, was evenmin genoeg om ze zelf te kopen. Dus kocht ik een paar tweedehands legerkistjes bij ‘De Amerikaanse Hal’. Die droeg ik bij voorkeur onder een kort spijkerrokje. Ook had ik een zwartrood geblokt houthakkershemd en skatebroeken. Mijn lievelingskledingstuk was een donkerblauw vest waarin ik volledig kon verdwijnen. De jaren ’90 was het decennium waarin mijn hart slechts één keer gebroken werd door een vriendje dat ineens niets meer van me wilde weten. Het decennium waarin ik voor het eerst zonder ouders op vakantie ging (naar Salou, godbetert) en voor het eerst in een vliegtuig stapte (naar Cotonou, een stad die niet verder af kon staan van het vredige Bunde waaruit ik vertrok).

Studio Brussel draait de hele week de favoriete vijf platen uit de jaren ’90 van zijn luisteraars. Ik besloot ook een lijstje te maken. Het zijn niet de beste nummers uit die jaren, maar in elk geval de nummers met de meeste herinneringen:

Smashing Pumpkins – Disarmed. Mijn beste vriendin B en ik hadden dit op onze walkman staan en zongen het luidkeels mee in het weiland aan de rand van het zwembad. We konden niet zingen. Dat gaf niets.

The Cranberries – Zombie. Zoals ik al schreef, kon ik ook toen al niet zingen. Dat hoefde ook niet voor dit nummer. Meeschreeuwen was heerlijk. Bovendien was het een ideaal nummer voor het poetsen van hotelkamers. Mijn bijbaantje in de jaren ’90.

Acda & De Munnik – Lopen tot de zon komt. Die ene jongen die mijn hart brak, zou dit nummer zingen als IK het uit zou maken. Zo ver kwam het dus niet.

dEUS – Suds & Soda. Het broertje van B schreeuwde hele middagen ‘friday, friday, friday’ en mishandelde daarbij zijn eerste gitaar. Een paar jaar later was het dit nummer dat mijn ‘oudste’ vriendin en ik altijd aanvroegen bij de Extase in Tilburg. En stuiteren maar.

En nog net in de jaren ’90 Counting Crows – Hanginaround. Mijn vaders lievelingsnummer van een band waar we allebei fan van waren.

Er zijn nog ontelbaar veel bands die ik kon waarderen toen (en nog steeds), zoals Pearl Jam, The Levellers, Blur én Oasis (jaja), Radiohead, The Black Crowes, Zita Swoon, Silverchair, Faith no more, Placebo, Therapy?, Skunk Anansie, K’s Choice, Hoover (toen nog zonder phonic), Tori Amos… Jongens met gitaren genoten mijn voorkeur en dan af en toe wegdromen bij een mooie vrouwenstem.

De volledige cd van Portishead, Dummy, verdient een eervolle vermelding. Onder invloed van lariam dansen op blote voeten.

Wat is jullie lijstje?