En toen werd het zomer

Enquêtes afnemen op een nagenoeg lege parkeerplaats zonder mogelijkheden om te schuilen, behalve als je onder een auto zou passen. Ik word er nat, melancholisch en ‘dichterlijk’.

20140721_165136

Natte zomer

Rillend zit ik in de stationsrestauratie
Mijn natte spijkerbroek plakt aan mijn benen
Mijn haar pluist
Ik probeer te werken maar heb geen inspiratie

Ik drink mijn koffie veel te heet
Mijn tong gloeit na van ongeduld
Het koekje is een kleine troost
Maar in mijn hoofd klinkt een oerkreet

Al twee dagen regen aan één stuk
Lange broek, dichte schoenen, regenjas
Ondanks de koffie word ik niet echt wakker
Moedeloos zit ik op een barkruk

Vaders, moeders en kinderen komen binnen
Ze bestellen allemaal een ijsje
Want het is zomer
Liefde in verregende gezinnen

Zomer?

 

 

Zoeken naar een plek om te blijven. Onrust en lichte paniek.

De rente is laag, de overdrachtsbelasting (of hoe het heet) is laag, de huizenprijzen zijn relatief laag. Ik heb soort van bewezen dat mijn eigen bedrijf levensvatbaar is. Van alle kanten wordt ons aangeraden om te kopen. Dit jaar nog. Het werd ons zelfs vorig jaar al aangeraden om dit jaar te kopen. Maar ik ben ontworteld, onthecht en onrustig; dus dat kopen is nogal een ding. Los van onze financiële situatie, waardoor de mogelijkheden behoorlijk worden beperkt.

Je zou het niet zeggen als je weet waar ik al overal heb gewoond, maar ik HAAT verhuizen. Een huis kopen, betekent -als het goed is-  dat ik voorlopig niet meer hoef in te pakken. Van de andere kant vind ik het doodeng om iets te kopen. Het past niet bij mijn onrust. Het past niet bij mijn dromen over wereldreizen. Een koophuis hoort in mijn gedachten bij het fenomeen ‘burgerlijkheid’ waar ik me zo graag tegen afzet. Kopen klinkt een beetje als vast zitten.

“Vroeger” wist ik zeker dat ik nooit terug zou komen naar Maastricht. En waar woon ik alweer bijna 4 jaar? Juist. Ik wist ook zeker dat ik veel zou reizen en ooit in een zonnig buitenland zou gaan wonen. Nu weet ik niets meer zeker. Ik voel me thuis in Maastricht, al foeter ik regelmatig op de stad, dus ik zou hier graag willen blijven. Maar niet ten koste van alles. En daar wringt één van de vele schoenen: om in Maastricht te kunnen blijven, moet ik een deel van mijn wensen (eisen) opgeven:

  • Omdat ik al vaak verhuisde in mijn leven, heb ik veel vrienden die van ver moeten komen. Dus er moet een logeerkamer zijn.
  • Omdat ik zelfstandige ben en mijn zoektocht naar werkruimte buiten de deur nog niets goeds heeft opgeleverd, moet er een werkruimte zijn. Dat mag dezelfde ruimte zijn als de logeerkamer, maar dat betekent dat deze ruimte ruim moet zijn. Er moet een groot bureau naast het logeerbed passen.
  • Omdat alles in mijn voortuintje fantastisch bloeit en groeit en ik daar heel blij van word, maar er nooit écht iets moois van kan maken omdat het om een minuscule voortuin gaat waar soms dingen uit verdwijnen (behalve onze lelijke witte tuinstoelen, die blijkbaar niemand wil hebben), wil ik een achtertuin. Liefst op het zuiden. Ik houd van de zon.

De leuke jongen uit de trein heeft natuurlijk ook nog wat wensen (eisen), die niet noodzakelijkerwijs overeen komen met die van mij. Om het makkelijk te maken.

Kortom, het zal mijn tijd nog wel duren. Misschien tot het te laat is en de huizenprijzen de hoogte in schieten. Lichte paniek…

Bij een nieuw huis, mag ik eindelijk een hond. Al is de kans natuurlijk klein dat het net zo'n lief dier is als dit knuffelbare exemplaar.

Bij een nieuw huis, mag ik eindelijk een hond. Al is de kans natuurlijk klein dat het net zo’n lief dier is als dit knuffelbare exemplaar.

Met dank aan Maartje Luif van wie ik de prachtige titel ‘een plek om te blijven’ pikte. Zij schreef een hele serie over haar zoektocht naar een huis. De moeite van het lezen waard. 

Aanstootgevende kleding?

We staan voor het gemeentehuis te kletsen. Hij draagt keurig gepoetste bruine schoenen, een donkere spijkerbroek en een netjes gestreken overhemd. Ik sta op donkergroene sleehakken, draag ook een donkere spijkerbroek en een wijdvallend lang shirt in dezelfde kleur als mijn schoenen. Naar mijn bescheiden mening zien we er behoorlijk gemiddeld uit, als mensen die op weg zijn naar een kantoorbaan. We praten over muziek. Hij vertelt met een twinkel in zijn ogen dat hij onverwachts kaartjes voor Werchter heeft bemachtigd zonder de hoofdprijs te betalen. Ik ben jaloers.

Vanuit mijn ooghoek zie ik een mevrouw aarzelend dichterbij komen. Ze heeft blosjes op haar wangen en fixeert haar blik op mijn linkerschouder, waar een klein stukje van mijn bh-bandje zichtbaar is. Een simpel zwart bandje zonder tierelantijnen. Ineens onderbreekt ze ons: “Mevrouw, uw t-shirt is afgezakt. Het zit een beetje scheef. Ik denk niet dat dat de bedoeling is.”

Hij schiet in de lach en zegt: “Natuurlijk wel, dat hoort zo.”
De mevrouw bloost nog harder.
Ik kijk haar aan en zeg: “Als ik naar binnen ga, zal ik me netjes aankleden.”
De mevrouw maakt zich uit de voeten.

Vanuit de straat die ze in wil slaan, komt een meisje aangelopen in een bijzonder kort broekje.
De mevrouw zegt niets.

Rennen. Ik weet nog steeds niet of ik dat nou leuk vind.

Zondag is het weer zo ver. 10 kilometer rennen onder de noemer Maastrichts Mooiste. Voor de derde keer en slechter voorbereid dan ooit. Zo rende ik afgelopen jaren minimaal 2 x 10 km in de weken voorafgaand aan de ‘wedstrijd’ en waren mijn andere trainingsrondjes gemiddeld tussen de 7 en 8 km. Dit jaar rende ik 1 x 9 km en trok ik meestal na 5 km de stekker er al uit. Dat komt vooral omdat mijn renmaatjes me dit jaar één voor één in de steek lieten wegens zwanger, relatiecrisis, of andere hobby’s (maar ik ben ze heel dankbaar en heb veel aan ze gehad). In mijn eentje doe ik minder mijn best en kom ik minder snel vooruit.

Want iedere eerste kilometer is stom. Iedere eerste kilometer denk ik “Zie je wel, ik kan het niet meer, het lukt niet, mijn kuiten zijn stijf, is het nog ver? Ja het is nog ver.” Soms zijn mijn klaaggedachten na 1 kilometer voorbij en leg ik de rest van de afstand redelijk soepeltjes af, soms is het na een paar kilometer nog steeds afzien. Dan is de enige reden dat ik blijf rennen, dat ik niet af wil gaan tegenover mezelf. Of dat ik simpelweg geen tijd heb om te gaan lopen.

De ‘renwereld’ is een verdomd oneerlijke wereld. Soms ren ik me het licht uit mijn ogen en loop ik trots op mezelf te zijn. Op dat moment rent er altijd een atletisch figuur voorbij dat stappen neemt van drie meter en nog adem overhoudt om mee te zingen met wat er in zijn oren klinkt. Waardoor ik eruit ziet als een betonnen tuinkabouter.

Van tegenwind word je veel moeër (moeier? moeder?) dan dat je winst hebt van wind mee. Hetzelfde geldt voor heuvel op en heuvel af. Hoe oneerlijk is dat?

Ook oneerlijk is dat als ik een tijdje niet ren -omdat ik net heb meegedaan aan Maastrichts Mooiste en daarna de zomer begint en de terrasjes lonken- ik daarna weer bijna opnieuw moet beginnen. Mijn hele lichaam lijkt vergeten dat het ooit gedragen werd door hardloopschoenen. Toch begin ik elk jaar weer opnieuw. Ik moet wel, want voordat ik het weet, heb ik me alweer ingeschreven voor Maastrichts Mooiste.  Waar ik de afgelopen twee edities bij de laatste 10 eindigde. Ook zondag zal de bezemwagen in mijn nek hijgen.

Toch kan ik het iedereen aanraden, dat hardlopen. Ik waardeer het ‘spelletje’ om

  • de mooie plekken waar ik anders niet zou komen,
  • om de wind in mijn haar,
  • om het leegmaken van mijn hoofd,
  • om de soms briljante gedachten die bij me opkomen,
  • om de weegschaal die de volgende ochtend lief naar me lacht,
  • omdat het na een tijdje braaf volhouden telkens een beetje makkelijker gaat,
  • en om het heerlijk voldane gevoel dat ik heb als ik na het rennen en douchen naast de leuke jongen uit de trein op de bank plof. Hij zegt dan altijd dat hij trots op me is 🙂

Update 17 juni 2014.
De uitslagen staan online en ik blijk 1.7.22 te hebben gelopen. Maar liefst 5 minuten sneller dan vorig jaar. Hiephoi! 

 

Sollicitatieblues

DSCN2007

Ik solliciteer, ik hoop, ik ontvang een afwijzing, ik baal, ik herhaal. Ad infinitum.

Ik ben de tel al lang kwijtgeraakt, toch doet elke afwijzing nog steeds pijn. En dan als extra zout in de wond van de mensen om mij heen mijn eigen motto horen: “Alles komt goed”. Net als de tel, ben ik ook het geloof in dat motto kwijtgeraakt, althans voor mezelf. Op alle anderen is het natuurlijk nog steeds van toepassing.

De feedback van een prachtige gestandaardiseerde en onpersoonlijke afwijzing heeft altijd de strekking “Na een enorme hoeveelheid brieven (150 blijkt zo ongeveer het minimum te zijn) en een zeer strenge selectie hebben wij besloten u niet uit te nodigen, omdat er andere kandidaten zijn die beter bij ons profiel passen”. Meestal eindigen die brieven dan met een zogenaamd goedbedoelde succeswens voor mijn verdere carrière.

De zeldzame keren dat ik op gesprek mag, krijg ik na afloop te horen dat de vacature alsnog intern is opgevuld, mijn werkervaring niet in het juiste vakgebied is (ik weet te weinig van apps), of dat ik overgekwalificeerd ben en me te snel zal vervelen… (Mag ik dat alsjeblieft zelf uitmaken of ik me ga vervelen?). Maar de mensen aan de andere kant van de tafel vinden me allemaal heel leuk, super ambitieus en weten zeker dat ik er wel kom. Jaja…

Ik solliciteer, ik hoop, ik ontvang een afwijzing, ik baal, ik herhaal. Ad infinitum.

Ondertussen is het dag 3 van de week waarin ik, als het goed is, ga horen of ik op gesprek mag voor mijn droombaan. De sollicitatie bij droombedrijf is er één waarvoor ik echt alles heb gedaan wat ik kon bedenken. Referenten ingeschakeld om een goed woordje voor me te doen, mijn cv en brief door verschillende mensen laten nakijken, van te voren opgebeld naar het bedrijf met een aantal goed voorbereide vragen, naar een lezing geweest georganiseerd door het bedrijf. Als ik niet op gesprek mag…

… blijf ik minstens drie weken in bed liggen met een deken over mijn hoofd.

En laat het niemand in zijn hoofd halen om dan te zeggen dat alles goed komt.

 

 

Dronken mannen

Hij was niet gewend zijn ogen neer te slaan, dat zag ik meteen. Aandacht trekken was zijn missie, intimideren zijn middel. Hem tegenspreken was zinloos. Hij liet niemand uitpraten. Nu eens smoorde hij een zin in een kus en een omhelzing, dan weer doodde hij het gesprek met een botte opmerking. Hij strooide even makkelijk met complimenten als met kritiek. Hij sprak harder dan ieder ander in het café. Hij was handtastelijk. Hij was dronken. Hij was ook vader, echtgenoot en docent.

Door wat hij zei (‘Ik zou jou nooit teksten laten schrijven’ was zo ongeveer zijn mildste uitspraak) had ik boos kunnen worden. Ik voelde slechts medelijden.

Hoe kwam alleen en ging alleen.

DSCN1422

 

 

 

Gefascineerd door de buurvrouw

Ik woon in een buurt waar de meeste mensen elkaar groeten. Een buurt waar we elkaars honden en katten knuffelen (of uitlaten) en een praatje met elkaar maken. Een buurt waar buren af en toe bij elkaar binnenlopen en soms samen barbecueën.

Er is één uitzondering.

Ik heb haar nog nooit zien lachen. Ik heb haar nog nooit iemand aan zien kijken. Ze gaat niet aan de kant met haar fiets als je door het gangetje tussen de huizen loopt. Ze gaat ook niet aan de kant met haar boodschappenkar als je haar in het gangpad van de supermarkt treft. Ze neemt grote stappen, heeft vaak een enorme koptelefoon op haar hoofd en duikt diep weg in haar jas. Ze heeft altijd haast. Ze zegt nooit goeiendag.

Ik betrap mezelf er steeds vaker op dat ik in haar buurt vieze gezichten trek, mijn tong uitsteek, of van mijn hand een pistool maak dat ik op haar achterhoofd richt. Ooit betrapt ze me. Maar dat zal geen enkel verschil maken.

Ik denk dat ze alle mensen haat, behalve haar vriendin. Haar spontane, vriendelijke, goedlachse vriendin.

Fascinerend.

Over chronische klunzigheid en altijd de weg kwijt

Ik brand mijn vingers aan pannen, deksels of de oven. Ik bots dagelijks tegen de bank, de salontafel of een deurpost. Ik stoot glazen wijn om op feestjes. Bij voorkeur op hele chique feestjes, zoals toen die keer in de residentie van de ambassadeur. 

Ik doe mijn best om geen kostbaarheden uit mijn handen te laten vallen, zoals fototoestellen. Vervolgens blijf ik bij het naar buiten rennen met de mouw van mijn trui achter de deurklink haken, zodat de camera alsnog een duikvlucht maakt. Wat ik wilde fotograferen is ondertussen al lang gevlogen.

Ook mijn telefoon houd ik angstvallig vast, maar vervolgens blijf ik achter het snoertje haken waarmee het ding in het stopcontact zit. Mijn baksels worden graag gegeten, maar als de cake eindelijk in de oven staat, ziet de keuken eruit alsof er een bom is ontploft. De mixer doet namelijk altijd wat ie zelf wil. Met stokjes eten kan ik verrassend genoeg best goed, maar ik laat de sushi op een onbewaakt moment dan wél in het schaaltje sojasaus vallen. En een pak of zak (melk, nootjes, yoghurt, crackers) openmaken… daar hebben we het maar helemaal niet over.

Toch is mijn chronische klunzigheid niets vergeleken met mijn totale gebrek aan richtingsgevoel en ruimtelijk inzicht. Ik stel er het geduld van de leuke jongen uit de trein regelmatig mee op de proef. “Waarom vertrouw ik in hemelsnaam op jou!?”, riep hij geërgerd toen we het hostel in Brussel probeerden te vinden dat ik geboekt had. Ik had thuis op een kaartje gekeken en dacht dat ik er blind naartoe zou kunnen lopen.

We hadden uiteraard twee heerlijke dagen in de Belgische hoofdstad. Er is (bijna) niets leuker dan met de leuke jongen uit de trein op een Brussels bankje zitten en mensjes kijken. Maar het zou nog leuker zijn als ik de weg van A naar B onthoud.

Brussel

De make-up en het meisje

Vroegen vriendinnetjes een pop voor hun verjaardag, dan vroeg ik een houten trein of een garage waar je autootjes vanaf kon laten rijden. Ik las liever de VPRO-gids dan de Yes. Liever de boeken over De Kameleon dan die van Afke’s Tiental. Ik hield niet van de kleur roze. Ik klom graag in bomen, verstopte me tussen de hooibalen op de boerderij of tussen het mais in het veld aan de overkant en ik was niet vies van modder. Ik ging liever fietsen dan knutselen. Jurkjes en sieraden droeg ik zelden, want die waren niet praktisch bij al deze activiteiten.

Inmiddels hangen er meer jurkjes in mijn kast dan broeken, heb ik oorbellen, armbandjes en kettinkjes in bijna alle kleuren zodat kleding en sieraden altijd met elkaar ‘matchen’ en staan tussen mijn uitgebreide assortiment gympen en laarzen ook elegante pumps en sleehakken. Ik zal nooit voorop lopen qua mode en heb geen verstand van crèmepjes of kapsels, maar als ik zin en tijd heb, loop ik er best mooi bij (al zeg ik het zelf).

Daar gaat een heel gevecht aan vooraf, want als ik iets niet kan, dan is het mezelf opmaken. Een lijntje boven mijn ogen moet ik minstens drie keer zetten per oog en weer wegvegen met een wattenstaafje en weer zetten… Mascara belandt behalve op mijn wimpers altijd ergens boven mijn ogen, tot in mijn wenkbrauwen aan toe. Oogschaduw beperkt zich ook nooit tot mijn oogleden, maar zoekt zijn eigen weg door mijn gezicht of het komt op mijn handen terecht die ik vervolgens nietsvermoedend aan mijn schone shirtje afveeg. En dan heb ik het nog niet over het subtiel aanbrengen van een kleurtje op mijn wangen, op dagen dat ik bleek zie van vermoeidheid. Waarom spetteren die tubes foundation altijd als je erin knijpt? En waarom vergeet ik dat elke keer dat ik ze gebruik?

Als de make-up eindelijk goed zit, komt mijn onhandelbare, pluizige bos krullen er nog achteraan. Minstens honderd haarspeldjes en haarbandjes in allerlei kleuren wonen in mijn badkamerla naast een uitgebreid assortiment aan haarsprays, wonderserums, voedende oliën en weet ik het wat nog meer. Toch eindigt mijn haar meestal in een staart. Na luid gevloek welteverstaan. Sommige speldjes sneuvelen al voordat ik er één keer mee de deur uit geweest ben.

Het is maar goed dat ik als zelfstandige werk en ik zelden ergens op een bepaalde tijd hoef te zijn. Het is maar goed dat het me meestal niet uitmaakt hoe ik erbij loop. Comfort verkies ik bijna altijd boven schoonheid. En schoonheid komt sowieso van binnenuit. Toch? 😉

Maar ik vraag het me wel af; hoe doen die vrouwen dat die er altijd als ik ze tegenkom uitzien om door een ringetje te halen?

Memorabele avond

Het is 18.30 uur. Misschien wat vroeg, maar toch geen heel uitzonderlijk tijdstip om een restaurant binnen te lopen. We kiezen voor een sushirestaurant. Het is er leeg en een beetje donker. De stilte is er oorverdovend. Het enige geluid komt uit het aquarium waarin verveelde vaaloranje vissen zwemmen. De pomp van het glazen gevaarte klinkt als een toilet dat na het doorspoelen is blijven lopen. Onze eerste indruk is niet bijzonder positief, maar we durven het wel aan, ondanks de goedkope tegeltjes tegen de wanden, die meer aan een shoarmatent doen denken dan aan een plek waar je verfijnde Japanse gerechten krijgt.

Van achter de toog duikt een jongetje op dat niet ouder kan zijn dan 12. Er volgt een wonderlijk gesprek, waarbij het jongetje ons nauwelijks aan durft te kijken.
“Willen jullie Chinees of Japans, want Chinees hebben we niet?”
“Haha, doe dan maar Japans.”
“Hebben jullie gereserveerd?”
Wij kijken het restaurant in en worden aangestaard door veertig lege stoelen.
“Nee we hebben niet gereserveerd, is dat erg?”

Het duurt lang voordat er een volwassene het restaurant binnen loopt, het duurt lang voordat deze meneer besluit om menukaarten te brengen, en het duurt een eeuwigheid voordat hij onze bestelling komt opnemen. Wij worden er een beetje zenuwachtig van, want we zijn onderweg naar een concert waar we geen noot van willen missen.

Het personeel blijkt gespecialiseerd in het stellen van bijzondere vragen. De meneer komt terug met een kannetje saké en vraagt aan mijn buurjongen: “Waar zal ik het neerzetten?”
Zijn gevatte antwoord: “Nou, zet het maar voor me op tafel.”

En verder gaat het grote wachten. Het duurt nog een dik half uur voor de eerste gerechtjes op tafel staan. Gerechtjes waarmee ons wachten niet echt wordt beloond. De zalmsushi druipt van het vet, tussen de sojabonen zit een haar, de futomaki vallen uit elkaar en de temaki zijn taai. Toch bestellen we nog een tweede ronde, want het concept is ‘all you can eat’ waarvoor we veel geld per persoon moeten neertellen. Bovendien moeten we een bodem leggen voordat we bij de jaren ’90 helden van dEUS uit ons dak kunnen gaan.

Bij het brengen van de tweede ronde, waar we ook weer een half uur op wachten, stoot de meneer een sojakannetje om. “Dat was niet de bedoeling”, is alles wat hij erover zegt. Het ligt bij ons allemaal op de lippen om te reageren met “Er gebeuren hier wel meer dingen die niet de bedoeling zijn!” Maar we houden ons in, goed opgevoed als we zijn.

We hadden vijf rondes mogen nuttigen, maar moeten er noodgedwongen vandoor na de tweede. Niemand vindt het erg.

Het bleef nog lang onrustig in Zwolle. En in onze magen.