Een wonderlijk jaar

2015-05-05 10.06.14
Het is potjandorie alweer 30 december. Dit jaar is echt omgevlogen! Het lijkt pas een paar weken geleden dat ik in het vliegtuig stapte naar Benin (dat vliegtuig ging uiteindelijk niet verder dan Barcelona, maar goed).

Het contrast tussen mijn persoonlijke jaar en de wereld om mij heen, kon niet groter zijn. Voor mijzelf was 2015 een topper. Niet alles verliep vlekkeloos en ik heb af en toe traantjes laten rollen, maar door de bot genomen was het een prima jaar. Niemand in mijn omgeving werd ziek of ging dood. De leuke jongen uit de trein en ik hadden het weer bijzonder goed met elkaar. Vriendschappen bleken opnieuw goud waard. En zakelijk was 2015 een grote stijgende lijn.

Maar denkend aan dat kleine landje aan de Noordzee waar mijn leven zich grotendeels afspeelt, zie ik het uit de hand lopende zwartepietendebat, mafketels die een opvangcentrum voor vluchtelingen bestormen, achtergelaten varkenskoppen, relschoppers die zich vele malen slechter gedragen dan de mensen waar ze zogenaamd bang voor zijn, vluchtelingen die niet in een bejaardenhuis mogen gaan koken, politici van allerlei pluimage met nauwelijks een geweten laat staan een schuldgevoel, en een politieke partij met extreme opvattingen die zo ongeveer het hele jaar de grootste partij in de peilingen was. Hoe mooi zou het zijn als we al deze zaken kunnen achterlaten en begraven in 2015?

Ik wens iedereen een nieuw jaar vol vrolijke verrassingen, onverwachte ontmoetingen, langdurige liefde, snoeihard succes, goede gezondheid en ware woorden. Woorden met inhoud. Woorden waar eerst over is nagedacht voor ze worden uitgesproken of opgeschreven. En stilte. Geniet vooral ook af en toe van de stilte.

Gelukkig Nieuwjaar!

 

 

Schuldgevoel

Ik vind dat ik te weinig doe voor een betere wereld. Dat ik meer vrijwilligerswerk zou moeten doen. Dat ik best mijn handen in de aarde van een gemeenschappelijke groentetuin zou kunnen steken. Ik zou een kind dat moeite heeft met Nederlands kunnen helpen met zijn/haar huiswerk. Of eens op bezoek kunnen gaan bij de hoogbejaarde overbuurvrouw. Er komt zelden iemand bij haar langs en ik vraag me af hoe lang het duurt voor iemand haar mist. En wat ik zéker zou kunnen doen, is korter douchen en minder vlees eten, maar mannen, wat houd ik van een douche op standje sauna en zelfgedraaide gehaktballen.

De leuke jongen uit de trein vindt dat ik onzin verkondig als ik zoiets tegen hem zeg. “Weet je wel hoe veel tijd je in sociale contacten steekt. Hoe vaak vrienden een beroep op jou doen, waar jij altijd op ingaat. En dat je voor de helft van je normale uurtarief schrijft over mondiaal beleid en een debat over vluchtelingen organiseert, wat dacht je daarvan?” Maar het voelt niet als genoeg. En daar voel ik me soms schuldig over.

Ik ben wel vaker de schuldige. Althans, volgens mijn eigen (rot)gevoel.

Schuldig. We wonen in een duur huurhuis, waar we maar kort zouden blijven, ‘tot ik een goed betaalde baan zou vinden, want dan gaan we iets kopen’. Die baan die ik tot op heden niet vond, zo’n 231 sollicitatiebrieven en 27 netwerkbijeenkomsten verder. Een baan die ik misschien niet eens meer wil, want het gaat goed met Lieke Schrijft (hiephoi!). Ondertussen ben ik ons huis kotsbeu, ondanks dat ik er met mijn lief woon en ondanks de toplocatie. Ik heb het gehad met scheefhangende keukenkastjes, het gebrek aan bergruimte en het ontbreken van een tuin en een oven. Ik droom van bloeiende kersenbomen en struiken vol bessen als leverancier van overheerlijke taarten.

Schuldig. We nemen geen beslissing over wel of geen kinderen. Zodat ik straks, als ik later groot ben, geen moeder meer kan worden en me dan schuldig voel tegenover mezelf (en net zo eindig als de bejaarde overbuurvrouw die zelden visite heeft. Al weet ik heus wel dat kinderen geen garantie zijn voor bezoek. Je kunt zomaar egocentrische etters op de wereld zetten). Of dat ik een oude moeder ben samen met een nog oudere vader en me daarover schuldig voel richting kind.Want ik gun een kind jonge ouders. En opa’s en oma’s die nog mee kunnen naar de speeltuin. In elk geval opa’s en oma’s. Wat al moeilijk wordt, in ons geval, maar gelukkig doet de vriend van mijn moeder het ook heel goed als opa.

Schuldig. De leuke jongen uit de trein maakt zijn universitaire studie niet af ‘want dat is niet te combineren met een voltijds baan.’ En volgens mijn lief kunnen we het ons niet veroorloven als hij een dag inlevert. Ik denk van wel, als we de discipline op zouden kunnen brengen om minder vaak naar het theater of op restaurant te gaan en festivals aan ons voorbij te laten gaan. Enkel nog boeken lenen bij de bieb in plaats van ze te kopen. De krant opzeggen. Misschien een jaar niet op vakantie. Wat pijn zal doen (mij veel meer dan hem) en waar ik geen vrolijker mens van word. Maar waar een wil is… En ik zou het voor hem over hebben. Dus eigenlijk is dit helemaal niet mijn schuld 🙂

Oef.

En me nu schuldig voelen dat het net lijkt of ik de leuke jongen uit de trein overal de schuld van geef.

 

Brief aan mijn nichtje #14

Lieve kletskous,

Je bent je van geen goed bewust, maar de beste afleiding van stress en zorgen, dat ben jij.

De laatste weken lopen mijn hoofd en mijn agenda behoorlijk over. Daar dacht ik gisteravond geen seconde aan. Onhaalbare deadlines, administratieve rotklussen, lastige beslissingen, slapeloze nachten en lege bankrekeningen verdwenen uit mijn systeem toen je gisteravond aan tafel schoof.

Met veel smaak at je de spruiten waar je zelf om gevraagd had. Halverwege je portie, had je genoeg.
“Oké’, nog drie happen”, zei ik.
“Nou, ik denk dat je er nog wel vier op kunt”, zei de leuke jongen uit de trein.
“Vijf!”, riep jij.
En zo geschiede. Er paste zelfs geen toetje meer bij.
“Wat gaan we nu doen?”
“Spelen op de bank!”

Het grote gooi- en smijtwerk kon beginnen. Ik was een beetje bang dat je spruitjes terug naar buiten zouden komen, maar jij hebt blijkbaar een hermetisch afsluitbare maag. De leuke jongen uit de trein gooide met je. Je maakte koprollen en speelde voor vliegtuig. We maakten een schommel van je door je bij armen en benen vast te pakken. Hoe harder we je tegen de bankleuning lieten botsen, hoe leuker jij het vond.

Daarna begonnen de fratsen en het betere acteerwerk. De leuke jongen uit de trein bond een kussen op zijn hoofd. “Nu ben je een luchtballon”, concludeerde jij. Daarna bond hij het kussen voor als een slabber. “Nu ben je een baby.” Je zette een keel op om -zeer geloofwaardig- een huilende baby na te doen en kroop bij me op schoot.

Toen ik voorzichtig vroeg of we zo naar bad zouden gaan, stond jij al halverwege de trap. Ik was helemaal niet van plan om ook in bad te gaan, maar jij kunt zeer overtuigend zijn. Met het douchegordijn dicht hadden we onze eigen tent. Verder deed het bad uitstekend dienst als waterglijbaan en wedstrijddomein tussen een duikende badeend en een springende kikker. De badkamer stond binnen tien minuten blank. Dikke schik dus.

Toch deed je ook niet moeilijk met naar bed gaan. En -bewonderenswaardig- toen ik je anderhalf uur later weer wakker moest maken omdat je mama terug was, stond je meteen op. We kregen een dikke knuffel en een kus en weg was je weer.

Een paar gouden uurtjes op een doordeweekse herfstavond.

Vluchtelingen en dieren

Sphinx
“Nederlanders hebben al genoeg problemen.”
“Zij krijgen voorrang op een huurwoning en ze krijgen van alles gratis, terwijl ik al jaren op een huis wacht.”
“Als we al die sloebers gaan opvangen, gaat de belasting zeker weer omhoog.”

Er blijken ongelofelijk veel mensen in Nederland te wonen die vinden dat ze het slecht hebben. Veel mensen zijn er door de financiële crisis inderdaad op achteruit gegaan, baan kwijtgeraakt, spaargeld opgemaakt. Er zijn Nederlanders die moeite hebben om rond te komen; afhankelijk zijn van de Voedselbank of de Weggeefwinkel. Maar hoe erg dat ook is, je kunt het toch niet vergelijken met leven in oorlogsgebied? Met de voortdurende angst om opgepakt, gemarteld of gedood te worden?

De leuke jongen uit de trein en ik kijken soms naar Een dubbeltje op zijn kant. Dat leidt steevast tot grote ergernis en geschreeuw richting televisie. De ene helft van de kandidaten kan weinig aan de situatie verbeteren. De andere helft rookt, leeft op afhaalvoedsel, heeft een dure hobby, weigert voltijds te werken, kan geen afstand doen van de tweede auto en besluit ondertussen om een derde, vierde of vijfde kind op de wereld te zetten of om nog een kat, kanarie, slang of hond aan de inventaris toe te voegen.

Ghandi zou ooit gezegd hebben ‘The greatness of a nation can be judged by the way its animals are treated’.

Tussen de eigen-volk-eerst-schreeuwers zitten hele volksstammen die niet schromen om honderden euro’s per jaar aan hondenvoer of de nieuwste krabpaal uit te geven, maar die geen cent (of vriendelijk woord) over hebben voor een asielzoeker. Dat onze dieren het zo goed hebben, maakt ons dat een grootse natie?

Ik dacht het niet.

Ken je die mop…

… van die patiënt die naar het ziekenhuis ging voor een operatie? Die patiënt ging. Op de vroege morgen. Met de bus. De leuke jongen uit de trein aan haar zijde.

Koud aangekomen in het ziekenhuis, was ze al aan de beurt. “Trekt u alles maar uit en dan dit kleed aan, met de drukker aan de achterzijde. Mutsje op en sloffen aan. Uw onderbroek mag u aanhouden.”

De patiënt stapt (met een iets verhoogde hartslag en een droge keel) de operatiezaal binnen, gaat op de tafel liggen en trekt het charmante papieren mutsje een beetje opzij zodat de chirurg beter kan zien waar hij zijn mes in moet zetten.

“Ik zie niets, dus ik ga niet snijden”, zegt die chirurg.

En zo keren de leuke jongen uit de trein en de patiënt die volgens de chirurg toch geen patiënt is, onverrichter zake huiswaarts.

Zij hadden, kortom, een bijzonder vruchtbaar begin van hun dag.

Knap waardeloos.

Zo oud als je je voelt

Een blessure aan mijn hak zorgt ervoor dat uit bed komen een nog groter drama is dan anders. Daar kan geen koffie tegenop. Me nog een keer omdraaien als de leuke jongen uit de trein aan het werk gaat, is slechts uitstel van executie. En aan het eind van de dag hijs ik mezelf met pijn en moeite de trap op. ‘Ik word oud’, denk ik elke keer dat ik me met huilende hielen en krakende kuiten op mijn bed stort.

Wat is oud? Morgen word ik 35. Een leeftijd waarvan ik vroeger dacht dat ik dan ‘alles’ voor elkaar zou hebben. Onder alles verstond ik dan vooral een droombaan, een droomhuis, een aantal droomreizen met een vinkje erachter en nog een aantal droomreizen concreet op de planning. Ondertussen natuurlijk verkerend in topconditie met een sociaal leven waarin alle vriendjes en vriendinnetjes een soortgelijk leven hebben én in de buurt wonen, het uitnodigingen voor etentjes en festivals regent en niemand eerst een oppas hoeft te regelen voordat er spontaan een terrasje, een stedentrip of een avondje theater volgt. What was I thinking? 

De leuke jongen uit de trein begrijpt niets van de lichtelijk droevige gevoelens die het getal 35 en ‘de dingen die voorbijgaan’ bij mij oproepen. Sinds hij er zelf over kon beslissen, heeft hij geen verjaardag meer gevierd. Leeftijd zegt hem niets. Dromen zijn er vooral om te dromen en hoeven niet noodzakelijkerwijs uitgevoerd te worden. Voor dat huis, die reis, en alles wat nog meer ‘leuk’ is om mee te maken, hebben we toch nog tijd genoeg? En dat hij zijn vrienden nog maar zelden ziet, daar haalt hij zijn schouders over op. We hebben elkaar toch?

Dat klopt als een zwerende vinger. En daar ben ik blij om.

Met een blije muts op, voel ik me meteen een stuk jonger

Ik word altijd vele jaren jonger geschat dan ik ben, hoe zou dat toch komen?

Met het gevaar dat ik extreem links, populistisch of jaloers klink: wat een graaiers/zakkenvullers!

Mijn zakelijke rekening heb ik bij Triodos. Ik krijg er bijzonder weinig rente en betaal er relatief veel voor het ‘gebruik’. Maar ik word keurig op de hoogte gehouden van de projecten waar de bank in investeert: Triodos zet zich in voor de culturele sector, natuur en milieu, maatschappelijk werk en internationale samenwerking. Sectoren en zaken waarin ik vanuit mijn eigen bedrijf en als vrijwilliger ook actief ben. Projecten waar ik achter sta.

Mijn ‘bijbanenrekening’ heb ik van oudsher bij ING. Van toen het nog de Postbank was en een vriendelijke, blauwe leeuw naar me grijnsde vanaf de envelop waarin het nieuwe saldo van mijn Penny-rekening te lezen was.

Vandaag lees ik in de krant dat de topmannen bij ING een loonsverhoging krijgen van tussen de 20 en 30 procent waardoor ze allemaal ruim boven het miljoen per jaar gaan verdienen. Bij goed presteren kunnen ze daaroverheen nog een bonus van 20 procent binnen harken.

Het bankfiliaal waar ik vroeger kwam om overschrijvingen in de brievenbus te gooien, is al lang gesloten. Ook in mijn huidige woonplaats zijn eerst een aantal blauwe, later een aantal oranje leeuwen verdwenen. Misschien denk ik te simpel, maar ik vermoed dat de medewerkers die daardoor op straat zijn komen te staan het minder goed getroffen hebben dan die topmannen. En de sector krimpt nog steeds. Waarom het geld dat ze bij ING ‘ineens’ over hebben sinds de staatsschuld is afbetaald niet steken in een beter sociaal plan? Omscholing van medewerkers? En hoe lang zouden de medewerkers op de vloer (callcenter, administratie, bedrijfsrestaurant…) al geen salarisverhoging meer hebben gehad?

Hoogste tijd om de nostalgie voor de rekening waarop het zakgeld van mijn ouders en het rapportgeld van mijn oma werd gestort, los te laten. Hoogste tijd om mijn geld te verhuizen. Of heeft dat geen zin? Er staat zo weinig geld op dat ze het bij ING niet eens zullen merken.

Brief aan mijn nichtje #10

2014-11-10 14.45.19
Maandag was een prachtige, zonnige herfstdag. De dierentuin in Nuenen stond op het programma. Stiekem wisten je mama en ik wel dat je vooral geïnteresseerd zou zijn in de speeltuin. En ja hoor, nog voordat wij gezien hadden dat er een springkussen lag, stond jij er al bovenop. Je was teleurgesteld dat je niet meteen alle glijbanen en klimrekken mocht uitproberen, omdat ze nog nat waren.

De dieren vond je ook wel leuk, vooral de wasberen, de maki’s en de zwemmende ijsbeer, maar je snapte niet dat je mama en ik overal zo lang wilden blijven staan. “Klaar met kijken”, zei je dan.

Dapper stapte je naar voren bij één van de shows. De dierenverzorgster legde voer in je handen. Dat je verschrikt uit je handen liet vallen zodra je de eerste witte duif in het oog kreeg. Bij de zeehondenshow stapte je te laat naar voren om mee te kunnen doen. Je zou van zijn leven niet in de buurt van de zeehonden zijn gekomen, maar wat was je teleurgesteld dat je niet met de andere kinderen in het bootje mocht zitten aan de rand van de zeehondenvijver.

Na de zeehondenshow sprintte je ervandoor. Om het vervolgens op een huilen te zetten, omdat je ons kwijt was. Wij maakten ons geen zorgen, want we hoorden je luid en duidelijk. De omstanders schoten wel een beetje in de stress, tilden je op en riepen “Er is een kindje verloren gelopen!” (Er waren enkel Vlamingen in de dierentuin).

De dierentuin gaf ons een mooi inkijkje in je brein. Je bent bang voor alles waar je geen controle over denkt te hebben, zoals duiven en zeehonden, elektrische apparaten en pretparkattracties. Voor een 30-meter hoge glijbaan, een supersnelle kabelbaan, of een gammele wiebelbrug draai je je hand niet om. Die hoge glijbaan… je ging er twee keer hard op onderuit, omdat je mama en ik aan weerskanten van jou je hand vasthielden, maar niet in dezelfde snelheid naar beneden gingen. Toch wilde je nog een keer. Held!

Het is rennen, springen en stuiteren tot je moe wordt. Dan valt er tijdelijk niets meer met je aan te vangen. Je huilde zo hard dat het hele restaurant kon meegenieten, omdat je geen koekje kreeg bij je flesje appelsap. Het enige dat hielp, was dreigen dat we meteen naar huis zouden gaan als je niet ophield, terwijl je de binnenspeeltuin nog niet had gezien.

Eenmaal in die binnenspeeltuin was je je verdriet weer zo vergeten. Jouw mama wurmde zich met jou door de smalste doorgangen en wrong zich letterlijk in allerlei bochten om élk hoekje van het enorme speeltoestel met jou te verkennen. Zoals even daarvoor jouw gehuil, schalde nu jouw vrolijke lach door de hele ruimte.

In de auto op weg naar huis zei je heel stoer dat je niet zou gaan slapen. Je had die zin nog niet uitgesproken of je ogen vielen dicht.

Maandag was een dag met een gouden randje.

Meevaller

DSCN1286
Het is mijn beurt bij de Vodafone-winkel aan de reparatiebalie.

“Als ik mijn telefoon gebruik, waar je een telefoon tegenwoordig voor gebruikt, zoals bellen en mailen, dan valt ie na een half uur uit.”
De jongen aan de andere kant van de balie kijkt me nauwelijks aan, zegt niets en gebaart dat ik hem mijn toestel moet geven. Hij haalt ‘m uit elkaar.
“Je batterij staat bol, dat zien we wel vaker.”
De jongen grabbelt in een laatje onder de balie, haalt er een batterij uit, steekt die batterij in mijn telefoon en geeft het toestel weer terug. Zonder me aan te kijken.
“Nu zou ie ’t weer moeten doen.”
“Bedankt.”

Ik blijf nog even staan en probeer de blik van de jongen te vangen. Ik wacht op de financiële afhandeling van zijn ‘reparatie’. Maar de jongen heeft zich inmiddels in een andere telefoon verdiept en lijkt me alweer vergeten. “Dankjewel hè!” roep ik en loop met een grote glimlach de winkel uit.

Op communicatiegebied scoort de reparatiejongen geen hoog cijfer, maar voor verdienstelijkheid (om er maar eens een ouderwets Nederlands woord tegenaan te gooien) krijgt hij een dikke tien.