Brief aan mijn nichtje #21

Lieve radslagkampioen en knuffelkont,

Mijn laatste brief aan jou schreef ik in de herfst van 2019. Het was dus de hoogste tijd.

Gisteren vierden we kerstmis samen, zoals ieder jaar op 25 december. Jij was een soort Duracell-konijntje. Het leek wel of je op meerdere plekken tegelijk was en je mij kon knuffelen, de tafel kon dekken en een radslag kon maken tegelijkertijd. Een radslag op één hand zelfs.

Ik vind het fantastisch vertederend om te zien hoe je tegelijkertijd nog echt een kind bent dat de hele tijd spelletjes wil doen, terwijl je ook al een ‘kleine grote mens’ bent. Je hielp met tafeldekken, opscheppen en inschenken en dat zag er heel natuurlijk uit. Je bedient de oven en hanteert mes en vork als een pro. Je toekte een champagneglas kapot tegen het aanrecht en stootte een kopje koffie om, maar dat hoort er gewoon bij. Dingen die ik ook nog steeds voor elkaar krijg. Ik hoop voor jou dat je wat dat betreft niet te veel op mij lijkt. Anders staat je nog een leven vol scherven en spetters te wachten.

Dat je echt ‘groot’ wordt, bleek ook tijdens de spelletjes die we speelden. Er was een tijd dat je niet tegen je verlies kon. Nu vind je het geen probleem dat mijn poppetjes eerder uit het spookslot zijn dan die van jou. Ik won zelfs twee keer. Maar verloor kansloos bij het ‘pandaserviesstapelspel’.

Een tijdje geleden zei ik tegen je dat je het eerlijk moest zeggen als je niet meer wil knuffelen. Zelf zat ik er op een bepaalde leeftijd niet meer op te wachten om knuffels en zoenen van ooms en tantes te krijgen. Jij zei gelukkig dat je het fijn vond. En wat vind ik het fijn, die dikke knuffel die ik krijg als ik binnenkom. En wat vind ik het fijn als we samen op de bank liggen terwijl jij op je tablet een huis inricht en ik je daar allemaal (domme) vragen over stel.

Even later ga je dan weer als een turntalent met wervelstormkwaliteiten door de kamer. Dat maakt het extra jammer dat je op dit moment niet ‘op’ een sport zit. Je hebt energie voor tien, je bent een doorzetter (weet je nog hoe lang je probeerde om die koprol voor elkaar te krijgen op de kermis?!) en je bent niet bang om te vallen. Je zegt dat je niet kunt kiezen welke sport je wil doen. Ik ben bang dat je je te veel laat leiden door je vriendinnen, door erbij willen horen. Maar ach, zelfs als je uiteindelijk kiest wat je vriendinnen kiezen, komt het wel goed. Als je maar lekker bezig bent.

Erbij horen is mij nooit helemaal gelukt. En dan werd ik vaak ook nog als laatste gekozen bij gym. Een probleem dat jij nooit zal hebben, haha. Toch heb ik nog vriendinnen uit de tijd dat ik zo oud was als jij. Ik ben benieuwd of jij ook over dertig jaar je beste vriendinnetje van nu nog hebt. Met familie is het natuurlijk anders, maar ik hoop dat wij ook een soort van vriendinnen kunnen blijven. Dat je weet dat je alles tegen me kunt zeggen. Dat je me alles mag vragen. Dat ik probeer niet te oordelen. Met de nadruk op ‘probeer’ want ik weet dat ik soms te snel iets vind of zeg.

Ik ben geen moeder en word er nooit een. Soms spijt me dat. Maar ik denk dat ik net zo hard voor jou vecht als je mama mocht het ooit nodig zijn.

Geniet van je kerstvakantie gek knuffelkonijn. Tot snel! X

20 jaar zonder papa

Jij was niet bij mijn geboorte.
Ik was niet bij jouw sterven.
Logisch, we waren allebei te vroeg.
Het gebeurde onverwacht.
Jij vertrok een jaar of 40 te snel.
Ik kwam te vroeg, een week of acht.

Een van mijn twee coaches (ja, je moest eens weten) vroeg me de laatste keer dat ik bij haar was, wat ik je graag zou willen vertellen. En waarom dat zo moeilijk was. “Ik was nog niet af”, zei ik.

Waar hadden we het verdorie over toen jij als antwoord gaf “Daar hebben we het nog wel een keer over als je een baan hebt, als je echt volwassen bent?” Dat antwoord heb ik altijd onthouden, maar wat was mijn vraag?

Ik ben die volwassen vrouw nu. Ik ben veel meer de vrouw die ik wil zijn dan het meisje dat jij kende. Het onzekere meisje dat wel een mening had maar die lang niet altijd durfde te delen. Het onzekere meisje dat vond dat ze nergens goed in was. Dat zichzelf vaak lelijk vond. Het meisje dat voorzichtig een eigen stijl had (herinner je je die oranje broek nog? Of die groene ribbroek met wijde pijpen?) maar tegelijkertijd haar best deed ergens bij te horen. Het meisje dat nog geen diploma had, geen rijbewijs, geen baan, geen huis. Het meisje dat dacht dat ze nooit serieus genomen zou worden. Het meisje in een relatie met een jongen die vooral aan zichzelf dacht. Waarom ik bij hem bleef? De seks was goed 😉 Ik was bang voor de confrontatie. Bang voor conflict. Een probleem waar ik nog steeds last van heb.

Toch ben ik anders nu. Veel meer mezelf. Ik weet dat ik goed ben in het vak waar ik mijn geld mee verdien. Ik vind het ook nog leuk om te doen, hoe mooi is dat? Klanten kiezen bewust voor mij. En ik interview die klanten op mijn kikkerschoenen en met badeendjes in mijn oren. Ik hoef nergens meer bij te horen. Ik hoef vriendschappen niet meer koste wat kost in leven te houden. Ik heb precies de juiste mensen om me heen. Mensen die me nemen zoals ik ben. En het ook nog eens prima vinden als ik mijn (afwijkende) mening geef. Vrienden die vandaag aan me denken. Zelfs jouw en mama’s ideale schoonzoon is terug in mijn leven. Al heb jij niet meegemaakt dat we een hele tijd geen contact hadden.

Sorry pap, het is met die ideale schoonzoon niets geworden. Wel met de leuke jongen uit de trein. En ik zie jullie samen voor me. Buiten. Sigaretje in de mond. Praten over muziek. De leuke jongen uit de trein had jou heel veel mooie muziek leren kennen, dat weet ik zeker. Ik kan me zelfs voorstellen hoe jullie grappend tegen elkaar staan te klagen over ‘jullie vrouwen’. Hoe veeleisend we zijn en hoe we zeuren dat jullie meer aandacht aan jullie vrienden moeten besteden. Ik vind het ontzettend jammer dat jullie elkaar nooit hebben ontmoet. Dat de leuke jongen uit de trein niet weet waar de helft van mij vandaan komt. Ik ga jou binnenkort aan hem voorstellen, op aanraden van de coach. Wil je me even laten weten wat ik hem absoluut over jou moet vertellen? Ik ben bang dat ik van alles vergeet. Of al voorgoed vergeten ben.

Als ik aan jou denk, zie ik je boekentas voor me. Ik zie je op de bank liggen slapen (“nadenken”) met een hand in je gezicht waarmee je jezelf vaak per ongeluk kraste. Je fiets naast me ’s ochtends en geeft me een King-pepermuntje. Jij sabbelt op die van jij. Die van mij heb ik al stuk gebeten en opgegeten voor het einde van de Bonaertsweg. Je staat aan het fornuis en maakt spaghetti met tonijn. Je zegt “ga je al?” op die zondag voor die fatale maandag. Ik had langer willen blijven, maar J wilde terug naar Tilburg. En natuurlijk ging ik mee. Ik zou het een ander weekend wel weer goedmaken…

Donkere dagen zonder holletje, maar ik blijf een bofkont

Terwijl het absoluut beter gaat dan voordat ik met twee coaches, een dagelijkse wandeling, een betere werkplanning en een vrije woensdagochtend begon, is het momenteel niet top. Het is DIE tijd van het jaar.

Zombie

Het is lang donker. Het is koud. In mijn kantoor al helemaal. Ik slaap slecht. We hebben nieuwe lattenbodems en een nieuwe matras. Dat is absoluut beter dan de doorgezakte exemplaren waar we voorheen op lagen. Maar ik mis het gevoel van een veilig holletje, aldus mijn eigen psychoanalyse van de koude grond. Dus vanmorgen zag ik een soort zombie in de spiegel. Mijn ‘langste’ vriendschap ging pas geleden in de ijskast. Ik huilde er verschillende keren om. Soms tegen de schouder van de leuke jongen uit de trein. Soms alleen. Terugdenkend aan al die keren dat we bij elkaar logeerden, samen op stap gingen, festivals bezochten, tegen elkaar klaagden over familie of collega’s. Terugdenkend aan hoe we elkaar steunden toen mijn papa stierf en later haar mama. Het voelt als falen. Want lange vriendschappen zijn mijn super power. Of zoals de leuke jongen uit de trein het zegt: ‘niemand heeft zo veel vrienden vanuit de zandbak als jij’.

Al bijna 20 jaar

Ondertussen blijft voor mezelf opkomen een lastig ding. Heb ik alweer ‘ja’ gezegd op meerdere vragen van meerdere personen waar ik keihard nee op had moeten zeggen. Omdat de mensen die met de vragen kwamen, misbruik van me maken. En in één geval werd het niet eens vriendelijk gevraagd, eerder opgedragen. Waarom was mijn reflex dan ‘ja’? Is dat echt alleen omdat ik een conflictvermijder ben? Of vind ik mezelf nog steeds niet belangrijk genoeg? En tot slot staat 9 december weer voor de deur. De 20e sterfdag van mijn papa. Geen idee waar onze fetisj voor ronde getallen vandaan komt, maar ik voel het ook. Twintig jaar. Dat is echt heel lang. Hij is er bijna langer niet dan wel in mijn leven. En dan ben ik een bofkont, omdat ik de oudste ben van zijn drie kinderen.

Dankbaar voor flauwe zeiver

Gelukkig heb ik heel veel om dankbaar voor te zijn. De leuke jongen uit de trein, zijn luisterend oor en zijn formidabele stoofgerechten. De leuke opdrachten waar ik mee bezig ben. Het saunadagje volgende maand met drie ‘zandbakvriendinnen’ om onze vriendschap en niet gevierde verjaardagen te vieren. De knusse avonden onder een fleecedekentje. De gezellige, flauwe ‘zeiver’ op kerstavond met de schoonfamilie.

“Wat zijn het weinig saucijzenbroodjes!”
“Krijgen we geen pasteitje?”

“Er zit vast geen spijs in de stol.”
“Dat luchtje vroeg je de afgelopen 100 jaar ook al.”

Het verrassingsmenu als we met mijn familie kerst vieren, omdat de verschillende gangen uit verschillende keukens komen en niet noodzakelijkerwijs bij elkaar passen, maar wel altijd lekker zijn. De uitslaap- en uitbuikdagen tussen kerst en nieuw. De klanten die al hebben laten weten dat ze volgend jaar weer graag met al hun tekst- en communicatievraagstukken bij mij komen.

Bofkont

Ik ben een bofkont. Ook in donkere dagen.

‘Een badjas. Dat is kanonnechill, pik’

Dikke jas, type slaapzak. Te grote jassen voor hun slungelige lijven. Hun hoofden lijken er kleiner door. Skinnie jeans om dunne kuiten. Blote enkels. Grote witte sneakers. Slaperige koppies. Het haar zorgvuldig in model met gel. De ene jongen lijkt nog iets meer kind dan de andere. Kleine haartjes op zijn bovenlip, maar ook ronde wangen met een lichte blos in zijn verder erg witte gezicht. Ze zitten al in de trein als ik in Maastricht instap en hebben het erover dat ze in de zomer naar Lloret de Mar gaan. Ik schat ze een jaar of zestien.

Aan de andere kant van het gangpad, probeer ik een interview voor te bereiden. Ik ben onderweg naar een cursus ‘Interviewen met durf’. Tijdens die cursus moet ik iemand interviewen, iemand waar ik me nog niet in heb verdiept. Dus nu is het moment. (Les 1: bereid een interview goed voor). In plaats daarvan laat ik me afleiden door het tweetal. Ze praten niet eens heel hard, maar de inhoud van hun gesprek is té grappig om niet te luisteren. Ze zijn van hun plannen voor de zomervakantie aangekomen bij hun wensen voor deze winter. Ze vertellen elkaar wat ze willen hebben met Sinterklaas.

“Ik wil een badjas.”
“Wat moet je daar nou mee?”
“Dat is zó chill.”
“Man, ik kleed me gewoon aan als ik opsta.”
“Nee joh, zo’n badjas is lekker zacht. Fucking chill. En ik wil sloffen. Dat is kanonnechill, pik.”

Ik maak aantekeningen en probeer om niet hardop te lachen. Ik vind het schattig, dit gesprek. Het stoere op weg zijn naar volwassenheid en het verlangen naar een zachte badjas.

“Weet je, als mijn wekker gaat, blijf ik altijd nog een kwartier liggen.”
“Dat mag ik niet van mijn moeder. Die wil niet mijn wekker horen en dat ik dan niet opsta.”

In Eindhoven stappen ze uit. Ik vind het jammer. Voor de voorbereiding van mijn interview is het goed. Nog anderhalf uur de tijd.

Goud is voor winnaars

In elke dag zit goud verstopt
Het zit in kleine dingen
Vers brood en dan vooral het korstje
In de auto luidkeels zingen

Het zit in mooie luchten
En wat zijn er dat deze nazomer veel
In dauwdruppels op een bloem
En dromen van een luchtkasteel

Samen lunchen met collega’s
De tevreden klant met haar compliment
De vriendin die voor me kookt vandaag
Wat ben ik toch eigenlijk verwend

In elke dag zit goud verstopt
Als je maar goed kijkt
Als je vaker stilstaat
Is de wereld mooier dan ie lijkt

Ik ben in een sentimentele bui. Blijkbaar krijg ik daar rijmelarij of rijmelarits van 😀

Stress omdat ik weer net te vaak ja zei tegen een opdracht. Stress om die deadline van vandaag in combinatie met de aandachtsspanne van een peuter.

Boos (op mezelf uiteraard) omdat ik dit weekend waarschijnlijk nog ergens een paar uur moet werken, terwijl het prachtig zomerweer wordt (wat eigenlijk niet kan kloppen, maar dat is een ander verhaal).

Verdrietig omdat het beter met mij gaat, maar met sommige mensen om mij heen juist niet. En die mensen krijg ik niet uit mijn hoofd.

Trots omdat ik het – ondanks knetterveel deadlines en 40+ urige werkweken – redelijk goed volhoud om gezonder én minder te eten.

Blij met heel veel lieve mensen om mij heen. En blij dat ik iedere ochtend de tijd neem voor een wandeling. De natuur trakteert mij tijdens die wandelingen regelmatig op goud. En goud is voor winnaars!

Therapie #3

“Maar heb je dat ooit wél gedaan, met een partner gepraat?”, vroeg de therapeut toen ik vertelde dat ik het nog steeds zo moeilijk vind om met de leuke jongen uit de trein over zorgen en gevoelens te praten.
“Nee, ik besprak wel eens iets met vriendinnen, maar nooit met vriendjes.”
“Thuis praatten jullie ook niet over gevoelens, vertelde je. Dus dat heb je nooit geleerd.”
“Oh ja.”

Ik merk dat ik het ‘valt wel mee’, ‘schiet eens op’ en ‘stel je niet aan’ uit mijn jeugd gemakkelijk overneem. Dat ik bijvoorbeeld bij mijn lieve nichtje A snel de neiging heb zo’n opmerking te maken, als ze – in mijn ogen – zeurt, jammert of huilt om niets. Terwijl ik natuurlijk ook gewoon kan proberen te luisteren, door te vragen, te troosten (en dan misschien alsnog te vinden dat ze zich aanstelt).

Ik heb een hele liefdevolle opvoeding gehad. Kom van een thuis waar iedereen altijd welkom was. Een thuis waar veel werd gelachen. Waar altijd muziek was. Maar het was ook een thuis van niet lullen maar poetsen. Van vallen, opstaan en weer doorgaan. Ik heb er veel van geleerd, ben er geen slechter mens van geworden. Alleen is het niet altijd handig of lief om met mijn grote voeten op dezelfde manier over de gevoelens van een ander heen te lopen.

En tegelijkertijd. Er zijn ook volwassen dramabouwers en aandachtvragers die helemaal opleven als ze hun leed met je delen. Als jij net iets persoonlijks hebt verteld waar je echt verdrietig om bent, hebben zij altijd iets meegemaakt wat minstens even erg is. (Terminaal konijn!) Met dat soort mensen zal ik nooit leren omgaan. En daar gaat geen therapie bij helpen.

Foto door Pixabay

Vat vol tegenstrijdigheden

* Ik hou enorm van gezelligheid. Als iemand ‘borrel’ zegt, ben ik eerder uitgerukt dan de brandweer. Hoe meer mensen er komen eten, hoe gezelliger. Hoe langer we natafelen, hoe beter. En op een festival kan het niet druk genoeg zijn. Maar ik heb mijn tijd alleen ook echt nodig. Met mijn weekje in Nice en mijn dag in Split eerder dit jaar als hoogtepunten.

* Ik geniet intens van kleine dingen: de eerste bloem aan de Newbiscus, wakker worden en zien dat de zon schijnt, de koffie die ‘kantoorgenoot’ R voor mij zet. Ik ben enorm blij als ik kan klooien in de tuin. Lach hardop om de mussen die het vogelvoer aanvallen. Kan er nog uren op teren als ik tijdens mijn wandeling een specht of een vos zag.

Maar ik voel me soms ook hartstikke somber of verdrietig. Dan jank ik werkelijk om alles. De eerste toon van een liedje is al genoeg. Of een veter die afbreekt. En dan ben ik weer boos op mezelf, want ik heb toch alles om gelukkig te zijn? Huisje, boompje, nog geen beestje, maar je snapt wat ik bedoel.

* Ik ben fanatiek. Fanatiek met zwemmen en wandelen. Op werkdagen dat ik de pieper niet heb, begin ik de dag met een wandeling van minimaal 40 minuten. Vanmorgen was ik maar net op tijd thuis voor mijn eerste Teams-gesprek van de dag, omdat ik nog een extra lus aan mijn ommetje knoopte. In het zwembad op woensdagochtend raak ik vaak de tel kwijt, maar ik zwem redelijk door. Dankzij vriendin M die wél telt, weet ik dat ik ongeveer 45 baantjes trek als zij er 60 trekt. Zij heeft de juiste techniek om echt hard te zwemmen, ik schoolslag mij een slag in de rondte. Ik sleep mezelf regelmatig naar de sportschool, ook als ik geen zin heb en niemand meegaat. Voor minder dan een uur op die stomme apparaten doe ik het niet. En waar ik kan dansen, doe ik dat ook (mijn stappenteller ging op hol vrijdagavond bij K’s Choice en gisteravond bij Bruis, haha). Na een hele dag binnen, komen de muren op me af.

Tegelijkertijd ben ik niet vies van bankhangen met een boek of krant en een kop koffie. Ook voor genadeloos lang uitslapen draai ik mijn hand niet om.

* Ik ben heel spontaan. Ik ben royaal met knuffels en zoenen en strooi met uitnodigingen om af te spreken. ‘Ik zit op dit terras, kom je erbij?’ Ik praat iedere dag met ontzettend veel mensen. En roep al ‘ja’ op een opdracht voor ik me er goed en wel in heb verdiept.

Tegelijkertijd ben ik heel onzeker. Praten over koetjes en kalfjes vind ik soms moeilijk. Ik ben beter in mijn element als er grote vraagstukken op tafel liggen. En hoe veel bewijs ik ook krijg dat mensen me aardig vinden, ik ben regelmatig overtuigd van het tegendeel. Als ik ergens ben en iemand vraagt ‘Waar is de leuke jongen uit de trein?’, is mijn eerste gedachte vaak dat die iemand hem dus liever ziet dan mij.

* Ik straal graag en in de juiste omstandigheden gaat me dat gemakkelijk af. Mijn kledingkeuze helpt daar enorm bij. Gisteren in één van mijn lievelingsjurkjes, met badeendjes in mijn oren (de roze dit keer) en een paars hoedje op, was het blijkbaar duidelijk. Ik zat goed in mijn vel, mede dankzij vriendin M waarmee ik de grootste lol had en dankzij de fijne muziek op het festival. Ik kreeg complimenten en straalde nog harder. Ik wil me graag gezien voelen.

Maar als ik word gezien, ben ik bang om op m’n bek te gaan. Dat geldt ook voor mijn werk. Ik weet dat ik daar goed in ben. Maar als er een opdracht binnenkomt ‘omdat het mijn specialiteit is’, ben ik toch bang om door de mand te vallen.

Ik ben benieuwd. Wat is is jouw grootste tegenstrijdigheid?

Therapie #2

Te veel werk, chaos, vergeetachtigheid, nee zeggen, een manier vinden om te onthouden wat ik ook alweer aan het doen was, de ene taak afronden voor ik aan de andere begin, focus houden, beter plannen, tarieven aanpassen. Daar hadden we het vanmorgen over in mijn therapiesessie. De reden om in therapie te gaan, was immers – in eerste instantie – dikke, vette werkstress en alles wat daar aan vast hangt.

“Lieke, heel georganiseerd en planmatig ga je nooit worden. Een beetje chaos hoort bij jou, net als impulsief en spontaan zijn. Je bent creatief en creatieve mensen passen niet in hokjes. Dat moet je ook niet willen, dat maakt jou juist zo leuk.” Aldus mijn therapeut. Waarna ze zich haastte om te zeggen dat dat natuurlijk niet het enige is dat mij leuk maakt.

Het gaat beter dan dat het ging, maar het is nog niet zoals het was of hoe het volgens mijn gevoel moet zijn. Het komt té vaak voor dat ik mijn agenda open klik en niet meer weet wat ik ging opzoeken of dat ik aan het eind van de werkdag een e-mail bij de concepten zie staan omdat ik vergat op verzenden te klikken.

Wat ik kan doen om me beter te concentreren, weet ik natuurlijk al lang. Ik kon het lijstje zo opnoemen:
– Maak een lijstje 😉
– Doe 1 ding tegelijk.
– Zet alle notificaties uit.
– Verdeel je tijd in blokken: plan bijvoorbeeld een uur waarin je alleen je e-mails beantwoordt en plan een uur om door je sociale media te scrollen.
– Stel prioriteiten.
– Neem regelmatig pauze en ga dan liefst naar buiten.

“Ja dat helpt allemaal. Maar weet je, jij moet eerst eens helemaal afschakelen. De cortisol naar beneden. Wedden dat je daarna een stuk minder vergeet?”

Nog even volhouden tot 12 september dus 😀

Dit is de korte samenvatting van een sessie van bijna anderhalf uur. Natuurlijk ging het gesprek veel dieper. Soms brandde er een traan en had ik geen idee waarom. Niet alleen haar vragen, ook haar complimenten raken blijkbaar mijn emoties. Toch was het fijn. Na mijn vakantie staat er nog 1 afspraak. Ik ben benieuwd hoe het dan met me gaat.

Therapie

Ze hoefde het woord ‘vader’ maar te noemen en ik begon te huilen. En mijn vader kwam héél vaak voorbij vanmorgen.

Na de intake – door familieomstandigheden van haar al zes weken geleden – had ik vandaag mijn eerste echte therapiesessie. “De rondjes zijn de vrouwen, de vierkanten zijn de mannen, de inkeping is de kijkrichting. Leg je gezin neer zoals het vroeger was.”

Legde ik mijn ouders naast elkaar, want altijd op één lijn waar het hun kinderen betrof, of tegenover elkaar, omdat ze ook zo veel van elkaar verschilden? En wat deed ik met mijn broertje, waar ik nog niet echt een band mee had toen we nog allemaal thuis woonden, maar later wel toen hij als veertienjarige bij mij bleef logeren en met mijn vrienden mee op stap mocht?

Ik raakte af en toe gefrustreerd. Als zij vroeg ‘maar hoe was dat dan?’ of ‘spraken jullie daarover?’ en ik me dat niet meer kon herinneren. En dan huilde ik weer. Soms zo hard dat ik niet meer kon praten.

Split, Kroatië

Wat doe ik hier?

De aanleiding om in therapie te gaan, was dat mijn lichaam én mijn hoofd aangaven dat ik niet goed bezig was in combinatie met de bezorgde blik van de leuke jongen uit de trein. De flitsen voor mijn ogen. De hartkloppingen. De vermoeidheid. De vergeetachtigheid. Misselijk. Warrig. Chaos. Zo’n drie keer per dag ergens staan en niet meer weten wat ik er ging doen. E-mails waarvan ik dacht dat ik ze verstuurd had, die een dag later nog bij mijn concepten stonden. Afspraken die mijn agenda nooit haalden. Vaak moest ik mijn improvisatietalent aanwenden om niet door de mand te vallen. “Nee hoor, ik was het niet vergeten.”

Dat gaat allemaal beter. Chaos houd ik altijd, zo zit ik nu eenmaal in elkaar, maar het is een stuk minder. De flitsen en de hartkloppingen heb ik al een paar weken niet meer gehad. Ik heb iets meer energie, al houdt het nog niet over. Misselijk was ik toen ik vorige week in Split na het royale voor- en het hoofdgerecht ook nog aan het dessert begon: een stuk chocoladetaart. Een heel ander soort misselijkheid dan de knoop die de afgelopen tijd zo vaak in mijn maag lag.

Het kwam vooral door de enorme hoevelheid werk dat het niet goed met me ging, had ik bedacht. En dat is er zeker een onderdeel van. Want nu ik ben gestopt met WijLimburg en nu ik weet dat een paar wachtdiensten voor Chemelot van me worden overgenomen, voel ik me beter. Ik heb het gevoel dat ik alles op tijd af kan krijgen wat er nu op mijn bord ligt, zonder in 45-urige werkweken te belanden. Misschien lukt het zelfs in 36 uur en houd ik het eindelijk vol om de woensdagochtend te reserveren voor zwemmen en koffiedrinken.

Blood thicker than mud?

Maar er is natuurlijk veel meer aan de hand. Dat ik geen prater ben (zie vorige blog). Dat ik zo hard mogelijk van conflicten wegvlucht om de confrontatie maar niet aan te gaan. Dat ik een groot talent heb voor het bewaren van de lieve vrede ten koste van mezelf. Dat de leuke jongen uit de trein en ik soms zo boos zijn op elkaar, om niks, of niet veel. Dat ik terugkijk op een fijne jeugd, maar het mis om hechte familiebanden te hebben.

Je vrienden zoek je uit en ik houd ontzettend veel van mijn vrienden. Als er met iemand iets is, laat ik alles uit mijn handen vallen om er voor hem of haar te zijn en andersom. En hoe leuk was het dat ik gisteren zomaar ineens in Kerkdriel zat en aan tafel schoof bij het mooie gezin van studievriendin A? Het was genieten. Maar als ik terugdenk aan het feest dat de leuke jongen uit de trein en ik begin 2019 gaven en waar bijna niemand van mijn familie was, doet dat nog steeds een beetje pijn. Terwijl het een fantastisch feest was dat ik voor geen goud had willen missen.

Als ik rondloop op een familiedag van zijn familie (twee weken geleden), zelfs als ik rondloop op een super verdrietige crematie in zijn familie (afgelopen woensdag) dan voel ik zo veel warmte. Nichten en neven die ook vrienden van elkaar zijn. Zwagers die wekelijks met elkaar kaarten. Zussen die ieder jaar samen oud & nieuw vieren. Nichten, neven en tantes die op elkaars kinderen passen. Elkaars hond uitlaten. Elkaars planten water geven. De jaarlijkse ‘wedloop’ wie het eerst de stekjes van mijn schoonvader aan het bloeien heeft. Terwijl ik me nauwelijks kan herinneren wanneer ik mijn ooms en tantes voor het laatst zag om over nichten en neven maar helemaal te zwijgen.

De familiedag aan mijn mama’s kant sneuvelde een paar jaar geleden en niemand voelde zich geroepen er nieuw leven in te blazen. Met de familie van mijn papa heb ik ook nauwelijks contact, terwijl zijn zus de enige nog levende persoon is die mijn papa haar hele leven heeft gekend. Ik zou haar zo veel kunnen vragen… Willen vragen…

Trauma

Therapie dus. Anderhalf uur lang peuterde zij in mijn familiewonden en in het trauma dat het plotselinge overlijden van mijn papa heeft veroorzaakt. Het is voor het eerst dat ik het zo noem. Trauma.

Als je er 19,5 jaar later anderhalf uur om huilt, zal het dat wel zijn.

Onverwerkt.

Trauma.

Iedereen wil luisteren, maar dan moet je wel iets vertellen

Het heeft er geen f*ck mee te maken dat niemand luistert.

Mijn papa en mama vertelden altijd dat we ze alles konden vertellen. Dat alles bespreekbaar was. En ik wist dat ze het meenden. Maar ik praatte niet. Niet echt. Niet met mijn ouders, niet met mijn vrienden, niet met mijn partner. Als ik echt ergens mee zat, schreef ik het in mijn dagboek.

De Lieke-manier

Dus schreef ik over het vriendje dat helemaal niet in mij geïnteresseerd bleek, maar alleen seks wilde. En me – toen ik niet snel genoeg meewerkte – inruilde voor een meisje dat ouder en meer ervaren was. Over de vriendin die niet meer naar me omkeek en zelfs mijn verjaardag vergat toen ze een vriendje had. Over mijn ‘vlucht’ naar die camping in Zuid-Frankrijk omdat ik niet wist wat ik met mijn toenmalige relatie aan moest. Het baanaanbod dat er op dat moment ook lag om twee maanden voor de economieredactie van De Limburger te schrijven. Wat rationeel gezien de betere optie zou zijn. En waar ik dus nee tegen zei. Ik besliste zulke dingen wel even zelf. Op de impulsieve Lieke-manier. Niet nadenken maar doen, dat kan ik goed. Nee zeggen op dat huwelijksaanzoek die zomer en daarmee de relatie om zeep helpen, in plaats van bespreken dat die vraag voor mij totaal onverwacht kwam, en dat ik niet voor niets op die camping in Zuid-Frankrijk zat.

Niet te diep

Uren bellen met mijn beste vriendin over welk jurkje we naar dansles aan zouden trekken, of naar een feestje. Dat wel. Wat voor cadeautje we voor jarige vrienden zouden kopen, wat we in het weekend gingen doen, dat we iets niet mochten van onze ouders, of dat we de ouders van sommige vrienden zo raar vonden. Dat we een bepaalde jongen leuk vonden ook nog wel. Heel misschien dat we ergens onzeker over waren. Maar we doken niet te diep onder de oppervlakte.

Een mededeling (geen vraag, geen overleg)

Fast forward naar 20 jaar later. “Niet samenwonen, niet trouwen, geen kinderen.” Ik wist het zeker op het moment dat ik dat tegen de leuke jongen uit de trein riep. Tot het uit praktische overwegingen toch verdomd handig was om wel te gaan samenwonen. En ik natuurlijk ook al lang had bedacht dat we het heel leuk hadden samen, ook al zagen we elkaar meestal alleen in het weekend. In het weekend moesten we zo veel – zeker als ik naar Maastricht kwam – dat we te weinig tijd hadden voor elkaar. Maar dat werd dus een mededeling: “Ik kom over een paar weken definitief terug naar Maastricht, jouw appartement is te klein, dus we moeten even iets voor ons samen zoeken.”

Handenbinder, geldverslinder… Of?

Het moment dat mijn totale aversie tegen baby’s (wat moet je ermee, hulpeloze wezens, handenbinders, geldverslinders en de wereld is al overbevolkt genoeg) omsloeg naar twijfel, deelde ik niet. Ik schrok ervan. In stilte. Een huilende baby ging me altijd op mijn wekker, ik kon dat geluid niet horen zonder onwijs slechte zin te krijgen. En als ik een peuter zag stampvoeten in de supermarkt dacht ik: “Dit nooit!” (En dat lijkt me nog steeds een hel). Tot ineens soms het gevoel naar boven kwam dat ik een huilende baby best wilde troosten. Tot ik mezelf soms, als ik iets heel grappigs meemaakte of juist iets heel stoms deed, betrapte op de gedachte: “Dit is een leuke anekdote/wijze les om later aan mijn kind te vertellen.” Tot ik merkte dat ik een vertederde blik in een willekeurige kinderwagen wierp.

Dus dropte ik na een tijdje de bom: “Ik wil misschien toch een kind.” Een mededeling zonder uitleg. Het was een gevoel. Een gevoel dat ik niet kon verworden. Rationeel gezien leek (en lijkt) het me nog steeds helemaal niet handig om een kind te hebben. In mijn totaal ongeorganiseerde en spontane leven dat van laatste moment beslissingen aan elkaar hangt. “Oh ik moet voor een opdracht daar en daar heen, even bellen of die en die thuis is, kunnen we misschien samen eten, hee kijk een vogel! … Oh wacht, ik heb nog ergens een kind bij de opvang.”

De leuke jongen uit de trein had zich er al lang bij neergelegd dat er geen kinderen zouden komen en had daar inmiddels vrede mee. Sterker nog, hij weet het inmiddels hartstikke zeker. Het gesprek waarom hij juist wél graag kinderen wilde, wat in het begin van onze relatie dus zo was, hebben we nooit gevoerd. Waarschijnlijk omdat ik zo stellig was in mijn anti zijn. De pogingen om te bespreken waarom ik het een aantal jaar later wél wilde, bleven pogingen. “Het is een gevoel.”

Niet nadenken is genieten

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Over dingen die gebeurden en waar ik iets van vond. Of iets bij voelde. Opmerkingen die ik liet passeren. Voorvallen waar ik lekker zelf op ging zitten broeden. Of die ik wegstopte om er niet meer over na te denken. Wat ook een vorm van genieten is, dat wel. Want dat ik in mijn weekje Nice nauwelijks verder dacht dan welke hoek ik om zou slaan, daar werd ik ontzettend blij van. Ik kwam serieus een stuk uitgeruster thuis dan dat ik vertrok.

Niet praten is, ehm… mijn default setting

Maar dat niet praten… Het zou wel eens een belangrijke bijdrage kunnen zijn aan de staat waarin ik mij bevind, de staat van onrust, chaos en vergeetachtigheid. Natuurlijk in combinatie met het ‘simpele’ feit dat ik veel te veel opdrachten heb aangenomen en me ook verantwoordelijk voel voor een hoop vrijwilligerswerk omdat ik de goede doelen erachter zo mooi vind. Hoe vaak ik ondertussen ook denk: “Ik lijk wel gek dat ik dit nu zit te doen, terwijl ik ook nog dat en dat en dat moet doen.”

Dus prik maar, duw maar, trek maar. Leg je vinger op de zere plek (ook al heb ik je nooit verteld waar het pijn doet). Rammel aan me, schud me door elkaar. Vraag door zoals ik dat zelf in interviews doe. Stel dezelfde vraag op een andere manier. Misschien huil ik, maar daar hoef je niet van te schrikken. Por me, steek me, sleur het uit me. Zet die knijpvingertjes waar mijn papa me soms mee de trap op joeg gerust in mijn nek. Ik denk dat het goed voor me is.

Maar niet altijd.

Soms.

Moeten we in stilte een wijntje drinken.

Of besluiten dat we er verdomd leuk uit zien in dat ene jurkje.